Tot voor korten tijd bestonden er struisvogelfarms alleen in
Californië, op de engelsche eilanden van West-Indië, in Engelsch
en Duitsch Zuidwest-Afrika, Algerië en Kaïro. De eerste poging,
om zulk een instelling te vestigen onder den noordelijken hemel,
werd voor eenigen tijd gedaan te Stellingen bij Hamburg door Carl
Hagenbeck. Er was in Europa trouwens reeds een struisenhoeve en wel
bij Nice. Men had te Stellingen al jaren lang acclimatisatieproeven
met struisvogels genomen.
Onder de struisen, die in de inrichting worden geteeld, zijn vier
aardrijkskundige variëteiten, Somalistruisvogels, oostafrikaansche,
Kaapstruisen en vogels van de Abubaama, een zijtak van den Blauwen
Nijl. De broedtijd van de vogels duurt zes weken. Als de jonge dieren
zes maanden oud zijn, leveren ze reeds de eerste opbrengst aan veêren;
dan worden hun in het vervolg met tusschenpoozen van telkens negen
maanden de bruikbare vederen zoodanig afgesneden, dat ongeveer vijf
centimeter van de spoelen overblijven. Die worden eerst na drie
maanden volledig uitgetrokken.
Om de veeren te krijgen, trekt men den struisvogel een soort van
kap over den kop; daarna wordt het dier door een kastje van planken
omsloten, waar de vleugels en de staart doorheen kunnen steken en
op die manier van zijn prachtkleed beroofd. Vooral de staarten en
de vleugelveêren leveren het kostbare handelsartikel, dat dan naar
Londen, de hoofdmarkt voor struisvogelveeren, wordt verzonden.