Het klinkt haast ongeloofelijk en het is toch een feit, dat de eerste
duitsche zeebadplaatsen nog niet veel ouder dan honderd jaar zijn. De
grootsche badinrichtingen der Romeinen, die elders op het openbare
leven der Germanen zulk een grooten invloed oefenden, hadden in
het duitsche Noorden geen navolging gevonden, terwijl de zonen van
Albion al lang de geneeskrachtige en gezonde werking van de zeebaden
hadden ingezien. Eerst tegen het eind der 18de eeuw richtte men ten
gevolge van een artikel van Lichtenberg zijn aandacht op de Oost-
en Noordzee, en niemand minder dan Wilhelm Hufeland, de beroemde
lijfarts van koningin Louise en schrijver van het wereldberoemde boek
»Makrobiotik of de kunst, het leven te verlengen«, trok zich de uit
economisch en hygiënisch oogpunt zoo belangrijke zaak aan.
In het jaar 1794 werd toen door den groothertog Friedrich Franz van
Mecklenburg de eerste duitsche Oostzeebadplaats Heiligendamm bij
Doberan gesticht, waarop in 1800 Travemünde volgde. Drie jaren te
voren was de eerste Noordzeebadplaats op Norderney voor het algemeen
verkeer geopend. Maar zeer oud zijn de badplaatsen in het binnenland,
en we weten, dat reeds Karel de Groote met zijn gevolg in Aken de
baden gebruikte. Kissingen, Pyrmont en Pfäffers waren beroemde baden,
waar oudtijds een internationale wereld samenkwam, en Theophrastus
Paracelsus, die in 1541 in Salzburg stierf, maakt al gewag van elf
minerale baden, waaronder Karlsbad, Teplitz en Gastein.
Nog vroeger wordt in oude oorkonden het oude Wildbad Tobelbad in
Stiermarken genoemd, dat eerst door de heeren van Graz werd bestuurd,
en in de 16de eeuw door een giftbrief van keizer Ferdinand aan het
landschap Stiermarken overging. Reizen naar badplaatsen behoorden in
vorige eeuwen ook reeds tot den goeden toon, en men vindt vermeld,
dat een bruid uit welgestelde familie bij de huwelijksvoorwaarden
zich uitdrukkelijk een jaarlijksche badreis bedong.