Het vroeger vergeten Ertsgebergte heeft tegenwoordig onder de toeristen
een groote massa vrienden, die allen worden getroffen door het in het
oog springende verschil tusschen den saksischen en den boheemschen
kant. De kam van het gebergte, die 135 kilometer lang is, vormt een
gelijkmatige scheiding tusschen de geleidelijke helling naar het
Noorden en den steilen zuidkant. Juist die eigenaardigheid van de
hellingen geeft aan het Ertsgebergte een eigen bekoring.
Het is een genot, met den wandelstok in de hand een der noordelijke
dalen omhoog te gaan naar de in blauwe verte wenkende hooge
bergtoppen. In het Oosten noodt het om zijn rotspartij belangwekkende
Müglitzdal, dan verder het dal der Weiszeritz met het romantische
gedeelte van den Rabenauergrund; vervolgens het Flöhadal, dat rijk
is aan afwisseling en het Zschopaudal, waar we alles vinden, dat men
maar begeeren kan, heerlijke wegen, die nu eens door weiden, dan door
bosch voeren; op de hoogten oude kasteelen en in de laagten vlijtige
dorpen. Meer naar het Zuidoosten kronkelt het Schwarzwasserdal, waar
de wilde Pockau door een woest rotsgebied stroomt, maar in hoofdzaak
zijn de wegen aan den noordkant zeer gemakkelijk en langzaam stijgend,
zoodat men bijna spelend en zonder inspanning naar de hoogste hoogten
van het gebergte stijgen kan.
Geheel anders is dat natuurlijk op de zuidhelling. Hier zijn de dalen
kort en diep ingesneden en de paden doen aan Alpenpaden denken. Overal
in het Ertsgebergte bestaan goede gelegenheden voor logies, wat wel
daarmee samenhangt, dat het Ertsgebergte het dichtst bevolkte bergland
van Duitschland is. Tot op de hoogte van de kammen heeft de bloeitijd
van den bergbouw, die nu al lang achter ons ligt, bewoners gelokt. Zoo
heeft de saksische zijde van het Ertsgebergte in Oberwiesental, op 918
meter gelegen, de hoogste stad van het duitsche rijk, terwijl niet ver
daar vandaan aan den voet van den Keilberg Gottesgab ligt, de hoogst
gelegen stad van Boheme ter hoogte van 1017 meter. Afzonderlijke
vestigingen halen nog grooter hoogten; zoo in Saksen het Neue Haus
op 1084 meter en in Oostenrijk de Sonnenwirbelhuizen op 1154 meter.
De winter in het Ertsgebergte is volstrekt niet zoo streng, als men
hem vroeger heeft afgeschilderd. Hij lijkt op dien van de Beiersche
Hoogvlakte en de oostelijke provinciën van Pruisen. Wie ooit een
echten winter in het Ertsgebergte met zijn vroolijke sledevaarten
en de flinke bergtochten heeft meegemaakt, die vindt het volkomen
begrijpelijk, dat de toeristen niet alleen in den zomer de boschrijke
hoogten bestijgen, maar nu ook meer en meer in den winter de schoonheid
van de streek zoeken.
Zoo dicht bevolkt, als het Ertsgebergte thans is, zoo arm aan bevolking
was het in den tijd van Karel den Groote. Eerst in het laatst van
de 12de eeuw begint langzamerhand de roep van den zilverrijkdom
zich te verspreiden en de kolonisten stroomen toe. Tot op het eind
van de 15de eeuw houdt die zilverkoorts aan, die de Duitschers
vooral uit Frankenland eerst trekt naar Freiberg en dan hoogerop
naar Ehrenfriedersdorf, Schneeberg, Annaberg en Buchholz. Toen de
zilverbergbouw zijn beteekenis verloor, trokken veel menschen uit
het Ertsgebergte naar den Harz, om den daar oplevenden bergbouw te
beoefenen, en in de buurt van Andreasberg, Clausthal en Altenau komen
nog op dit oogenblik interessante taaleilandjes voor, waar het dialect
van het Ertsgebergte wordt gesproken.
Langer dan zilver bleef men er ijzer, tin en kobalt winnen, en in de
16de en 17de eeuw bloeiden in het Ertsgebergte veel ijzersmelterijen,
maar tegenwoordig is het met den bergbouw gedaan, of zoo goed als
gedaan; alleen in de omstreken van Freiberg, Schneeberg, Altenberg
en Johanngeorgenstadt wordt nog ijzererts gewonnen. Ook een ander
bedrijf, de kolenbranderij, is zoo goed als verdwenen. Vroeger was
de behoefte aan houtskool in de ijzersmelterijen zeer groot. Door den
nood gedrongen, hebben de bewoners zich op andere bedrijven toegelegd
en het kantwerken heeft er veel ingang gevonden, zooveel ingang,
dat het niet alleen de handen van talrijke vrouwen, maar zelfs de
schijnbaar onhandige vingers van werkelooze bergwerkers en smeden
bezighield en hun een tijdelijke verdienste bezorgde. Thans gaat
de kunst, door den vluchtigen dans der vingers bloemen te slingeren
door een fijn weefsel, meer en meer achteruit. De uitbreiding van de
industrie legt op alle krachten beslag, en daarom zijn het meest oude
menschen, die men in hun kamertjes voor het venster ziet zitten aan
het kantkussen of die in den zomer buiten zitten te kantborduren. Het
middelpunt van die industrie is de kantwerkschool te Schneeberg. Om
de kunst niet te laten uitsterven, ondersteunt de staat tegenwoordig
een dertigtal kantwerkscholen, waar over de 1400 kinderen onderricht
ontvangen. Wat met het werk wordt verdiend, is intusschen maar een
bitter klein beetje.
Een zeer bescheiden bedrijf, maar dat toch veel geld inbracht, was
dat van marskramer. Als trekvogels vlogen de bewoners van allerlei
bergdorpen naar heinde en ver, om de in den winter vervaardigde
waren aan den man te brengen, soms tot in Zweden en Turkije. Maar ook
daaraan heeft de opbloeiende industrie een eind gemaakt; er was bij
de ontwikkeling van het fabriekswezen plaats voor allen en nog voor
velen, die nu van den vreemde naar het Ertsgebergte togen.
Dat men in de dorpen van oudsher veel zin voor schoonheid had, toont
de bouwtrant van veel huizen met kunstig uitgevoerd vakwerk, zooals
aan den molen van onze afbeelding te zien is. Ook voor muziek en gezang
voelen de bewoners veel, en in den laatsten tijd vertoonen ze ongewone
talenten, om toeristen te herbergen en hun het leven aangenaam te
maken. Wat in die richting meewerkt, is het dichte net van spoorwegen
en voortreffelijke wegen, dat het gebergte doorsnijdt, zoodat weinig
berglanden zoo goed toegankelijk zijn tot op de hoogste bergen.