EEN HAAGSCHE VLIEGTOCHT VAN LEFÈBVRE.

Augustus is gunstig en vriendelijk geweest voor de vliegtochten van

Lefèbvre in ons land. De beide laatste Julidagen hadden het verbruid,

hem geen of bijna geen gelegenheid gegeven, op te stijgen op de velden

van Groot-Persijn bij Wassenaar; maar daar komt Augustus en vergunt

hem reeds op den eersten harer dagen een mooie vlucht te doen, die

later op den 4den en den 5den nog schitterend werd overtroefd door

een mooier en wijder en statiger vlucht.

In het Weekblad »De Amsterdammer« van 8 Augustus geeft J. K. Rensburg

een schetsje van zijn ervaringen op dien Zondag, den eersten van

Augustus, en wij ontleenen er bij de afbeelding van Lefèbvre's toestel,

het tweede vliegtoestel, dat in Nederland is opgestegen, secundus na

den primus van Graaf de Lambert te Leur, het volgende aan.

De stoomtram, van Den Haag komend, stopt even voorbij een brug

over den Leidschen Weg en dan een houten trap af, »een pad langs,«

zegt de schrijver, »volg ik onder een witten boog door, de groepen

nieuwsgierigen, die ietwat ongemakkelijk langs de greppels van den

weg moeten manoeuvreeren om telkens fietsen, auto's en rijtuigen te

ontwijken. Tegenover een steenen, rooden koepel staat aan een boom een

reclamebord, waarop: Aeroplane Wright. De rest lees ik niet eens. Om

een hoek tusschen de stammen is een loket. Weer verder langs een

smallen weg, langs een paar boerderijen. Over een staldeur keek een

paard. Het beest leek door de vliegmachine opeens werkeloos geworden

en het was of het wou vragen: Hebben jullie me nou voor goed hier

opgeborgen? Nog een hoek om en daar liggen ver uit de velden met een

buffet en een tribune en in de loods onder die laatste zie ik voor

het eerst twee witte drijfvlakken met witgeschilderde staken, die ze

tot een biplane verbinden en daarachter twee paar schoepen, zoowat

1½ cM. breed, de uiteinden wit, bij de assen oranjekleurig.... de

vliegmachine. Men kijkt naar den eigenaar, den ingenieur Lefèbvre,

die op het terrein heen en weer loopt onder een hoed met neergeslagen

rand, in een grijs pak, en gele chauffeurs-laarzen. In het Zuiden

achter de lijn naar Scheveningen spitsen de torens van den Haag op,

in het Oosten wordt de kim begrensd door den Hollandschen spoorweg

en door bosschen, in het Westen ligt de Leidsche weg, waaraan een

wit landhuis hoog opgaat, in het Noorden een boerderij en bosch en

wei. Voor die hoeve zit een heele familie met onverstoorbaar geduld

uit te kijken gelijk de paar honderd toeschouwers, die het ruime

terrein op verre na niet vulden; waarschijnlijk was de entrée f 2,50

en f 1 veel te hoog. Als het f 0,50 en f 0,25 was geweest, zou het

er wel anders hebben uitgezien. Een jongen verkocht er ansichten

van de vliegmachine en een alleraardigst gelegenheids-blaadje met

portretten van luchtschippers en modellen van luchtschepen enz. Het

heette: De Aeroplane. Als modern mensch zou ik mij geschaamd hebben

dit niet te lezen.

Maar toen begon het wachten van drie uur tot 's avonds half acht. Een

fijne motregen deed geniepig zijn tegenwoordigheid voelen en de lucht

helderde soms wel wat op, maar telkens kwamen er nieuwe vlagen. Nu

was voor kort de Lambert, toen hij op de heide te Leur opsteeg bij

regen, bevreesd voor kortsluiting, wat het gevaar veroorzaakt in

de lucht met het toestel en al in brand te... vliegen! Het zag

er dus al treurig uit, maar wat er gebeurt, gebeurt: ik blijf,

dacht ik. Gelukkig kon ik het nog al uithouden, want ik voelde

weinig van honger of vermoeidheid. Maar men werd nu gekweld door een

treiterenden angst bij de gedachte doornat naar huis te moeten gaan,

niet in een warme verheven atmosferische, maar in een zeer kille,

aan-den-grond-kleverige, hydrosferische stemming, dank zij een

mogelijke teleurstelling en een terugtocht met soppen door de modder

in het half donker.

Waarachtig... neen, heusch... daar kwam beweging in de

loods... ja... de valschermen schoven vooruit, vooruit... de witte

vlakken van het verticale roer sloegen om... de vliegmachine schoof

naar buiten. Nu kon iedereen haar goed zien. Statig als een draak in

een chineesche optocht omstuwd door de menigte, wordt het monster naar

den rail gedragen, waarover het als een reusachtige schaats zal worden

voortgedreven om gang te maken. Lefèbvre heeft zich in een blauwe

werkkiel gestoken en stapt in. Een paar helpers zwaaien een paar keer

de schoepen om. Ze willen zien of ze glad draaien om de trekriemen, die

naar den motor loopen. Opeens begint de machine te snorren. De schoepen

bewegen 1700 maal per minuut. Men ziet niets meer dan een geel geflits

en een grijs geschemer in twee cirkels... Ineens houdt het op. Stil

staan de schoepen zooals ze het al uren hadden gedaan. Bah! Zou hij

nu opgaan? Tien minuten pauze.... Weer gesnor, weer geschemer van

grijze kringen en weer... halt! Duivels! De spanning neemt elke minuut

toe. Daar begint hij weer en toch nog onverwacht duwen twee man de

machine over den rail vooruit, vooruit. Daar gaat-ie... Nu, eindelijk,

eindelijk... nu gaat het gebeuren!..... Of?... Maar ze loopen door,

de schoepen zwaaien, de motor snort. Hoera! Hoera!... De witte vlakken

drijven vrij, vrij, spottend met den eeuwenouden, onzichtbaren keten,

die ons geboeid hield aan de Aarde, drie meter hoog vooruit, vooruit

over de wei naar het noorden. Een paard, koeien vluchten weg.

De toeschouwers vliegen de machine na, die met de snelheid van een

electrische tram ze reeds allen vooruit stijgt vijf, acht meter en

laveert langs een groepje boomen midden in de velden. Het geluid

van den motor wordt al wat zachter, wild flitst het geel van de

schoepen in de grijze schemerkringen; de bestuurder zit gebogen over

zijn handle, het werktuig, breed en statig de drijfvlakken gespreid,

worstelt zich op tegen den grijzen hemel en blijft voort ijlen naar

het groen aan de kim. Hoera! Hoera! Maar daar neemt de ingenieur

een keer. De aeroplane zwaait langzaam om en giert in de rondte met

een hoek van twintig, dertig graden schuin staande op de lucht. Als

zij eens kantelde!... Opeens is die verdwenen achter het bosch in

het Oosten. Zou hij over de Hollandsche lijn gaan? Nog hoort men het

snorren van de vliegmachine. Dan wordt het opeens stil. Het gevaarte

moet ergens gevallen zijn. Als de bestuurder maar heelhuids beneden

is gekomen? Dat was gelukkig het geval. De triomfator van de lucht

heeft na dien al weer prachtige proeven afgelegd. Hij behoort in de

schitterende rij van Blériot en Farman en Latham en Delagrange en

de Wrights en al die andere menschvogels, wier wieken den dampkring

hebben doorkliefd.«

Op den Uitkijk, Jaargang 1909 Bijblad bij De Aarde en haar Volken · 第 241 / 353 题