Een Duitscher, die verrukt is over het engelsche landschap, de heer
Karl von Dahlen, schrijft in Ueber Land und Meer, dat zijn landgenooten
Engeland vaak miskennen en dat de traditioneele nevel, die altijd naar
de meening van veel Duitschers over Engeland hangt, volkomen optrekt,
wanneer men bij voorbeeld op een zonnigen voorjaarsmorgen bij Dover,
Hastings of Beachy Head landt en de krijtkusten als een fata morgana
uit de zee heeft zien opduiken. Als dan het oog voor de eerste maal
glijdt over het sappige groen van het gelukkige eilandenrijk, zal de
Duitscher voor menig vooroordeel om vergeving smeeken, al is het maar
in de stilte van eigen gemoed.
Nergens treft men zulk frisch groen, zulke prachtige boomreuzen,
alleenstaand in zelfbewuste, trotsche individualiteit of tot
bevallige groepen vereenigd. Zwak golvend heuvelterrein begrenst
den horizon; vroolijke beekjes ruischen door idyllische dalen;
onder olmen verborgen, liggen kasteelen en oude abdijen, en over
alles strijkt de frissche, opwekkende adem van de nabijgelegen
zee. Wel vindt men slechts in enkele deelen van het land groote,
samenhangende woudcomplexen; maar aan mooie boomen is geen gebrek,
en wat er aan het aantal ontbreekt, wordt door den majestueuzen groei
en de pracht van hun verschijning vergoed.
Als een tuin doet zich aan den vreemdeling het gansche land voor,
en slechts hier en daar ontdekt hij akkers en korenvelden. De natuur
schijnt onafgebroken Zondagsrust te houden, en gul breidt ze al
haar schatten uit; bij elken tred komen uit struiken en heesters en
van tusschen bloemen prachtige kasteelen te voorschijn of aardige
landhuizen, door klimop en rozen dicht omsponnen. De vredige
feestdagstemming van het landschap wordt erdoor verhoogd. In de
reuzensteden woedt de strijd om het bestaan; in de natuur dringt
slechts zelden het rumoer van het alledaagsche door.
In alle landen der aarde jaagt de Brit naar de schatten dezer aarde;
vreemde rassen heeft hij aan zich onderworpen of schatplichtig
gemaakt, en wat in Afrika, Indië, Australië gewonnen werd, dat komt
het vaderland ten goede. Wel is Engeland het land der groote steden,
maar de Engelschman woont het liefst buiten, en als zijn middelen het
hem maar even veroorloven, stelt hij zich in innige gemeenschap met de
natuur. Om te werken gaat hij naar de stad; verkwikking en uitspanning
vindt hij buiten aan den oever der rivieren met den hengelstok in de
hand, of in de boot, met krachtigen roeislag zich voorwaarts bewegend,
met het geweer speurend naar het wild, of bij spel en sport.
Overal is prachtig gezorgd voor lichaamsoefeningen en spel; zachte
grastapijten noodigen uit tot golf en tennis, en over hekken en
slooten gaat de opgewonden jachtpartij. De straatweg is levendig door
fietsers, heeren en dames; in de rivier ligt de huisboot voor anker,
en als nieuwste verkeersmiddel sukkelt misschien wel de kermiswagen
van rijke menschen langzaam over den weg. Eén groot park, één groot
speelterrein is geheel Zuid-Engeland, en als men bedenkt, dat de
gunst van den Golfstroom er een klimaat heeft in het leven geroepen,
hetwelk men bijna subtropisch kan noemen, dat de vochtigheid der lucht
het gras het heele jaar door groen houdt, dan zal men de innige liefde
van den Engelschman voor de natuur van zijn vaderland begrijpen.
Er is mogelijk meer verscheidenheid in de landschapsbeelden van
andere landen; bergen en dalen scheppen meer afwisseling; maar
geen land noodigt zoo vriendelijk tot langer verwijlen, tot rustig
levensgenot als Engeland. Vandaar dat over het gansche land verspreid
de villa's en landhuizen liggen, gebouwd in een stijl, die aan andere
landen tot voorbeeld heeft gediend; een langer verblijf in zulk een
landhuis, waar comfort en gezelligheid het leven veraangenamen, kan
ons leeren, dat de Engelschman in kracht en zelfbewustheid half de
wereld beheerschend, in zijn vaderland op de prettigste wijze weet
uit te rusten van zijn inspanning.