Hoe eigenaardig plaatselijk in ons Indië het verzet tegen het
nederlandsch bestuur kan zijn, blijkt duidelijk op Ceram, waar
het landschap of liever het kampongcomplex Ahiolo telkens last
geeft. Aanleiding is natuurlijk de tegenzin tegen het opbrengen van
belasting of het presteeren van heerendiensten. Maar de oorzaak moet
ongetwijfeld gelegen zijn in den instinctieven tegenzin bij deze lieden
des wouds tegen den voortdringenden invloed van het geregeld gezag.
Maar hoe is het dan dat Ahiolo een uitzondering vormt tusschen de
andere deelen van Ceram?
Ceram is een eiland van een zeer geaccidenteerde vorming;
wellicht heeft deze omstandigheid, evenals op andere eilanden van
gelijksoortigen bouw, bijgedragen tot het ontstaan van tal van
complexen van dorpen, met scherp afgebakend gebied, die geheel
onafhankelijk van elkaar zijn.
Op Ceram kan er opstand zijn in Ahiolo, zooals men b.v. in Europa
opstand zou kunnen hebben in Frankrijk, zonder dat de andere staten
er in gemoeid zouden behoeven te zijn.
Zoo scherp wordt door de lieden van Ahiolo het beginsel van het eigen
territoir in acht genomen, dat het verzet zich, hoe fel het ook wezen
moge, steeds tot binnen de grenzen beperkt. Troepen-afdeelingen
kunnen zich zonder gevaar voor een overval tot vlak bij de grens
bewegen. Is deze echter eenmaal overschreden, dan heeft men op zijn
hoede te zijn. Ter kenschetsing der zeer eigenaardige toestanden, zij
aangehaald, dat lieden van Ahiolo er zich b.v. wel toe leenen willen de
goederen van colonnes, die zich van de kust naar dat gebied begeven,
te helpen dragen. Zij doen het trouw totdat zij aan de grens gekomen
zijn. Maar met geen geld of geen geweld zouden zij er toe te krijgen
zijn die goederen verder te helpen brengen. Zij zetten de pakken neer
en verdwijnen desnoods in het bosch, om, wanneer de colonne verder
mocht trekken, aan de andere zijde der grens op haar te gaan schieten.
Uit de maandelijksche verslagen zoowel als uit de
regeeringstelegrammen, die ons nu en dan bereiken, valt op te maken
hoeveel moeite dat kleine Ahiolo, waarvan de weerbare bevolking slechts
uit enkele honderden mannen bestaat, aan het gezag geeft. Met hand en
tand weert het zich tegen den vreemden invloed. Veel vooruitgang is er
niet te bespeuren. "Of de schuld daarvan ligt aan onvoldoende of slecht
geleide militaire actie? Dit zouden wij niet weten te beoordeelen,"
zegt de Java-Bode en gaat dan voort:
"Wel achten wij het van groot belang, dat krachtige maatregelen zouden
genomen worden om zoo spoedig mogelijk aan dezen treurigen toestand
een einde te maken. Daargelaten het betrekkelijk groot verlies aan
menschenlevens--althans onzerzijds, de lieden van Ahiolo weten zich
goed te dekken en zijn moeilijk te raken!--kan ons gesukkel niet
strekken om ons prestige in die streken te verhoogen.
Gelukkig, dat elders in het Oosten van den Archipel gezondere
toestanden bestaan, en dat, al moge er nu en dan nog wel eens een
op zichzelf staande daad van weerspannigheid tot gewapend optreden
op kleine schaal nopen--wat meestal slachtoffers eischt--het er daar
steeds rustiger en normaler begint uit te zien."