Tropisch Nederland. Indrukken eener reis door
Nederlandsch-Indië door Charles Boissevain.
Haarlem, H. D. Tjeenk Willink & Zoon, 1909.
Zeg niet, dat ge al zooveel reisbeschrijvingen over ons Indië hebt
gelezen en dat ge wel kunt gissen, wat ge hier onder de oogen zult
krijgen, want dit boek over het toch nooit genoeg gekende onderwerp
staat werkelijk op zichzelf als stellig het opgewektste prettigste
boek, dat over onze kolonie in ons land is geschreven. Het is een boek,
om in eigendom te hebben voor ieder, die in Indië belangstelt en voor
allen, die dat zouden moeten doen, een boek, om dikwijls op te slaan,
als pessimisten u weer met hun Schwarzseherei hebben gehinderd.
Want hier is een optimist aan het woord, maar een, die voor zijn geloof
aan de toekomst redenen weet aan te geven en die u weet mee te sleepen
tot dat vertrouwen, dat de noodzakelijke voorwaarde is voor wat er
in Indië nog moet worden ondernomen, als wij aan onze hooge roeping
daar zullen beantwoorden. De in Indië geboren dagbladartikelen heeft
de schrijver wat verzorgd en aangekleed, en zelf zegt hij, slechts
indrukken te geven, geen vruchten van studie en onderzoek.
Maar hoe verfrisschend is de geest, die u uit het boek tegenkomt;
wie zonder vooroordeel zich daaraan overgeeft, dien moet het blij
te moede worden en hij moet zich voelen komen onder een invloed,
die niet anders dan prikkelend kan werken op zijn levensmoed en zijn
werklust. Al dadelijk de inleiding is treffend; hoe gelukkig zou het
wezen, zoo er velen waren, wien zij als uit het hart is geschreven.
Laat mij enkele aanhalingen geven.
»Een gevoel, dat de jeugd kenschetst, verheugde mij telkens op Java
en Sumatra. Daar was het mij weer mogelijk te ontwaken met het besef,
dat de dag wellicht iets zeer nieuws en schitterends brengen zou. Zulk
een gevoel licht den last der jaren van de schouders en verjongt
ons. Elke reis is een avontuur en men moet soms op avontuur de wereld
in, zoolang de krachten reiken.
En niet om te hervormen, om te gispen en te veroordeelen keek ik, die
geen der indische talen spreken kon, gedurende die enkele weken om in
de zonnige wereld van zomerland. Het eenige wat ik mij voorstelde te
doen was te vertellen, hoe ons Indië een Nederlander trof, die na veel
in de wereld gezien te hebben, op zijn 66ste jaar het voor het eerst
bezocht. Daarom trachtte ik Indië zachtjes op mij te laten inwerken.
Na elke reis beseft men weer levendiger, dat niets de plaats kan
innemen van het rechtstreeks en persoonlijk zien van datgene, waarin
men belang stelt.
Telkens hoort men menschen van jaren spreken van »rust«. van
»onwankelbare instellingen«, maar voor mij is de groote betoovering
van het leven juist dat het van wieg tot graf een voortdurende crisis
is. Wij hebben geen vaste woonplaats op aarde... wij zijn op reis,
op ontdekking van onszelven uit. Wij zijn avonturiers en zoeken
en speuren«.
En dan dat wondermooie eerste hoofdstuk, dat heet: »Een
Verjongingskuur«.
»Ik ben op weg naar Java! Toen ik jonger was, kon ik niet zoo
lang weg. En nu is het juist tijd, om het te doen, terwijl ik nog
betrekkelijk jong ben. Want wie langs de zonnige zijde van zeventig
door het leven gaat, is nog niet oud.
Wat ben ik gewaarschuwd tegen lange reis en fel klimaat, toen men
hoorde, dat ik naar Indië wilde gaan. Iemand van bijna 66 kon niet
voor 't eerst van zijn leven naar Indië trekken... dit was roekeloos
en onverantwoordelijk.
Maar ouderdom is geen zaak van chronologie. Het innerlijk daarop komt
het alleen aan, en zoo voor man als vrouw geldt: ze zijn zoo jong,
als ze zich gevoelen. In Engeland biologeert men zichzelf niet,
door zich ontijdig--onwijs op een geboortebewijs afgaande--oud te
noemen. Men suggereert oud worden noch aan zichzelf, noch aan zijn
vrienden. Men blijft levenslustig... men blijft werken... in de open
lucht wandelen... zijn kamers ventileeren... 's winters in open rijtuig
rijden... en geen land dan ook, waar zooveel frissche en krachtige
menschen van omstreeks de tachtig leven als in 't Britsche Rijk.
Zeker, er komt een tijd in 't leven, wanneer men lichamelijk
eenige verzwakking ondervindt. Maar dan is het juist ook de tijd
om te reageeren en niet toe te geven aan het waanwijze suggereeren
van ouderdom bij voorbeeld door een steile trap. Want als men die
suggestie gehoorzaamt, dan gevoelt men zachte indolentie stillekens
en onhoorbaar ons naderen... men glijdt in gemakkelijke stoelen en
loopt weinig. Men rijdt niet meer te paard of op een tweewieler,
men geeft toe aan de vadsigheid, welke ieder mensch is aangeboren.
Neen, dat is zich oud maken met voorbedachten rade! Men moet in
beweging blijven, levenslust moet ons drijven naar buiten, naar zee,
naar de bergen, naar den tuin... men moet bezig zijn, arbeiden,
arbeiden, arbeiden, lezen, denken... men moet het een vernedering
vinden ontijdig onder de oude mannen en vrouwen plaats te nemen in
't zonnetje of bij de kachel.
Oud worden is het eenige middel, dat tot nu toe ontdekt is, om
lang te leven, en daarom is het de moeite waard, soms na te gaan,
hoe men zich traineeren kan, om gelukkig te zijn, al wordt men oud,
om levenslustig, moedig en jong te blijven.«
Gij allen, lezers, ik raad u met Boissevain mee te gaan op zijn reis,
om van zijn gezonde levensblijheid te leeren. Hij doet Batavia en
Soerabaja, Tosari, den Bromo en het Tengger-gebergte aan; bezoekt
suikerlanden en koffietuinen, ziet Midden-Java en den Borobodoer,
komt in de Preanger en verblijft in Buitenzorg en den Plantentuin;
doet de westkust van Sumatra aan en Padang, zoowel als de Padangsche
landen na den overdreven voorgestelden opstand. En hij schrijft,
schrijft altijd maar door, tot onder het stampen en rollen van het
schip, als alles glijdt en het potlood dansen uitvoert op het dek;
hij schrijft en ik kan er alles voor voelen, als hij dat sport noemt,
echte sport, zoo te moeten denken, zijn gedachten te formuleeren en
neer te schrijven, terwijl men zoo gekarnd, geschud en gebonsd wordt
en men je soms een voet of wat omlaag laat plompen, terwijl het schip
wegzinkt van onder je stoel.
Het is de zegepraal over moeielijkheden, die dat gevoel geeft, de
triomf over bezwaren, die voor ieder, wiens kracht in en door het
leven niet werd gebroken, zoo groote bekoring heeft.