Er is niets gezonders en bekoorlijkers dan een oceaanreis van New-York
naar Europa in den zomer, vooral als men een boot treft, die niet al
te veel haast maakt, zoodat de longen van stadsmenschen de volkomen
stofvrije, geurige zeelucht lang kunnen genieten, en de al evenzeer
mishandelde zenuwen van de stedelingen kalmer, al kalmer kunnen
worden. De lucht, de eenzaamheid en de stilte op zee, de vroolijke
gezichten der medereizigers werken als krachtige geneesmiddelen. Het
is merkwaardig, hoe snel men indommelt, als men languit in zijn
dekstoel ligt, in gesprek met den buurman of de buurvrouw, of in
gezelschap van een boek uit de scheepsbibliotheek of enkel kijkend
naar de bewegelijkheid der zee, die bij mooi weer zoo glad en stil
is als een dorpsvijver. Daarbij het gedempte, uit de diepte omhoog
klinkende, doffe, gelijkmatige stampen der geweldige machines, rom
di bom; rom di bom; rom di bom. Eer men het merkt, is men ingeslapen.
Veel menschen, de geblaseerden, vinden dat schrikkelijk vervelend;
vooral de nerveuse Yankee komt in opstand tegen dit idyllische leven
aan boord, dat hem dwingt, zijn geliefden galop door het leven een
oogenblik te staken en daarvoor in de plaats rustig op het promenadedek
heen en weer te loopen of zelfs wel stil te zitten. Hij kan met den
besten wil niet tot draven komen; hoogstens kan hij shuttle-board
op het dek spelen, een soort van kegelen met vlakke houten schijven,
die de speler met lange stangen schuift in een met krijt op het dek
geteekend vierkant, dat in kleine, van getallen voorziene velden is
ingedeeld. Elken morgen teekent met jobsgeduld de scheepsjongen dat
vierkant op het dek. Of de reiziger kan touwen ringen op een houten
spies werpen, of kaart spelen in den rooksalon, of dam en domino, of
brieven schrijven of pianospelen in de eetzaal. Meer kan hij echter
met den besten wil niet doen.
De mensch met nog niet geheel zieke zenuwen krijgt door die
eentonigheid juist den indruk van de bekoorlijkheid der vaart. Alleen
het marconitoestel boven op het bootendek, gewoonlijk in de buurt
van het officiershuisje, levert een klein beetje zenuwprikkeling voor
een wereldstedeling. Daarom krabbelt hij ook al gauw tegen de steile
scheepstrappen op, om zich door een beambte in de geheimen van het
Marconisysteem te laten inwijden. Veel beteekent het nieuws meestal
niet; het is dan bij voorbeeld, zooals een schrijver in de Gartenlaube
dezer dagen schreef; »Wij staan in verbinding met de Lusitania van
de Cunardlijn!" of: »De Keizer Wilhelm is binnen bereik op de vaart
naar New-York. Aan boord alles wel. Van avond om zeven uur komt
het schip voorbij, waarschijnlijk zeer dichtbij aan bakboord!" of:
»De Baltic van de White Starlijn raadt voorzichtigheid aan, want een
groote ijsberg drijft naar het Zuiden, van New-Foundland komend!"
Sapperloot, dat is nog eens iets; God zij dank, daarover kan men
nog eens in opgewondenheid geraken! Vooral als de reiziger nog nooit
zulk een monsterding heeft gezien. Maar of de ijsberg wel echt zal
komen? Den volgenden morgen loopt de reiziger zenuwachtig aan bakboord
rond en wacht op den ijsberg. Met den kijker zoekt hij geduldig aan
den horizon. Maar hij ziet niets. Den tweeden officier houdt hij vast
en zou van hem willen weten, of hij den ijsberg nog niet heeft gezien.
»Zeker, daarginds is hij immers!" Maar de stedeling met de zwakke
stadsoogen kan hem niet vinden. Eindelijk heeft hij hem met de hulp
van den officier gesnapt, juist toen het concert van de muziekvrienden
op het dek begint. Anders is dat een genoegen voor hem, maar thans
heeft hij enkel oog en zin voor den ijsberg. Snel komt het gevaarte
naderbij. Vooreerst is de ijsberg niets bijzonders, eenvoudig iets
wits, op een wolk gelijkend. Maar dan wordt het duidelijker, en na een
geruimen tijd is hij dichtbij, een echte, drijvende berg van ijs. Hij
verheft zich in stralende kleuren, helder wit of heldergroen in de zon,
zachtblauw in de schaduw, op het groenachtig blauwe water, afstekend
tegen den blauwen hemel, en hij fonkelt en glinstert in het licht,
alsof hij met diamanten bezet was. Als een machtige koning van de
zee ziet hij eruit, gehuld in met edelsteenen bezetten grootschen
hermelijnen mantel. En vol majesteit als een koning beweegt hij zich.
Alle passagiers genieten van het heerlijke schouwspel onder uitroepen
van bewondering. Mooi en vreedzaam tegelijk doet hij zich voor,
en de gedachte heeft bijna iets melancholieks, dat zijn rijk zoo
vergankelijk is. Spoedig zal hij op zijn tocht naar het Zuiden in
den warmen Golfstroom aanlanden, en daar zal hij smelten en zich in
water oplossen. Men kan zich daar eigenlijk niet over bedroeven,
want zoo heel ongevaarlijk is hij niet. In donker of in den nevel
kan hij gruwelijke onheilen aanrichten, als hij niet tijdig wordt
bemerkt en met een stoomboot in botsing komt. Verscheiden van de
groote transatlantische stoomers zijn aan zulke botsingen ternauwernood
ontkomen. Het monster zou het grootste schip als een noot kraken. Wie
weet, hoeveel rampen ter zee, die nooit opgelost werden, aan ijsbergen
moeten worden toegeschreven!
En het gevaar is niet alleen bij botsingen te zoeken. De kapiteins
weten zeer nauwkeurig, dat maar ongeveer een negende van een ijsberg
boven water uitsteekt. Het andere deel strekt zich ver onder water uit,
vaak vrij vlak als een ijsveld. Dan kan het de stoomboot overkomen,
dat ze op dit onzichtbare veld vast komt te zitten, of zich een gat in
den romp boort. Zelfs bij helder weer en op klaarlichten dag maakt een
voorzichtige kapitein een grooten boog om den ijsberg heen, al ziet
die er ook nog zoo onschuldig uit. Hij weet buitendien, dat er in den
berg, vooral onder water, voortdurend veranderingen plaats hebben,
en dat de gevaarten ook de neiging hebben, plotseling om te wippen
en om zoo te zeggen, op hun hoofd te gaan staan, als het onderstel
te licht is geworden.
Waar komen de ijsbergen vandaan? Natuurlijk uit de streken van het
eeuwige ijs, van Groenland en de Noordpool. Het zijn immers niet
anders dan geweldige brokken, die van een arctischen gletscher
zijn afgebroken. Het moet een prachtig en indrukwekkend schouwspel
zijn, als zulk een reuzenkind van ijs zich losscheurt van de
gletschermoeder. Gewoonlijk drijven de ijsbergen in een zeer bepaalde
richting met vasten koers; eerst gaan ze met den Labradorstroom
langs de kust en langs New-Foundland, om dan verder zuidwaarts te
gaan. Dikwijls stranden ze als schepen in de buurt van St.-John
op New-Foundland; dat kost dan aan duizenden visschen het leven,
die verpletterd worden door de massa onder water en later naar de
oppervlakte drijven. Vaak ook blokkeeren de ijsbergen de haven van
St.-John of komen er binnen.
Omvang en vorm van de ijsbergen zijn zeer verschillend; er zijn
er, die aan kerken, andere die aan oorlogsschepen herinneren of aan
heusche gebergten. Die, welke een reiziger in den Atlantischen Oceaan
kans heeft, tegen te komen, zijn meestal tafelvormig met vrij rechte
wanden, ongeveer als reuzenblokken marmer. Van gestrande ijsbergen
heeft men wel eens den inhoud berekend, en komt dan tot cijfers van
millioenen tonnen.