ROTTERDAMS MUSEUM VOOR LAND- EN VOLKENKUNDE.

Er zijn groote en degelijke veranderingen op til met het Museum

te Rotterdam, dat een flinke uitbreiding ondergaat, zoodat de

verzamelingen tot hun recht zullen komen en zullen kunnen worden

vertoond op een wijze, die overeenkomt met den stand van het

tegenwoordige museumwezen en die beantwoordt aan de hooge eischen,

door den directeur gesteld, waar het hem vooral te doen is, om

het ten toon gestelde voor het publiek duidelijk en helder te doen

spreken. Hij meent, dat er van zoo'n collectie veel goeds kan uitgaan

voor de volksontwikkeling, voor de belangstelling in onze koloniën en

misschien ook voor onze nijverheid, maar daarvoor moet het geëxposeerde

gemakkelijk toegankelijk wezen en zóó zijn uitgestald, dat herkomst

en bijzonderheden goed herkenbaar zijn.

Daartoe was in het Museum gebrek aan de noodige ruimte en aan de

juiste bergplaatsen, vandaar de noodzakelijkheid der verbouwing,

omtrent welker voorbereiding het dezer dagen verschenen Verslag,

uitgebracht door de Commissie van toezicht op het Museum, over het

jaar 1908 een uitvoerige uiteenzetting geeft. Dat jaar is er een

van onrust geweest en het publiek heeft de voordeelen, aan het bezit

van het Museum verbonden, een groot deel van den tijd moeten missen,

want reeds op 1 Juli werd begonnen met het inpakken der voorwerpen,

en den 15den van die maand werd het Museum voor het publiek gesloten,

aan welk feit bekendheid werd gegeven door middel van aanplakborden

in de stad en door advertenties in de dagbladen.

Maar daarom is 1908 niet onvruchtbaar geweest voor de

instelling. »Verblijdende winste« valt er volgens het verslag te

constateeren. Er is veel nieuws bij gekomen, en met bijna 3000 nummers

is de inventaris in het afgeloopen jaar vermeerderd. Herinnerd wordt

aan de belangrijke en uitgebreide verzamelingen van den heer Hondius

van Herwerden, van Mevrouw A. Sturms-Scheuer, de heeren Mr. J. H. van

Hasselt, W. R. Vroon, Te Wechel; aan de collecties van de heeren

L'Honoré Naber, Van Hille, Barends en Müller; aan de enkele stukken

van groote waarde door de heeren Jonker, Bosman, Van Oosterzee en

den Resident der Lampongsche distrikten geschonken, bewijzende dat

het belang eener ethnografische collectie niet altijd afhankelijk

is van haren omvang. Van de aangekochte verzamelingen mogen in 't

bijzonder die van Madagascar en van de Bataklanden genoemd worden,

van Madagascar vooral, dat thans, door de medewerking van den heer

E. H. Bolten, bijzonder goed vertegenwoordigd is.

Het gehalte der verzamelingen, die ten behoeve van het Museum

bijeengebracht werden, verbetert aanzienlijk; een collectie als die

van den heer Hondius van Herwerden mag gerust een model-collectie

genoemd worden; van elk voorwerp zijn de inlandsche naam en de

plaats van herkomst aangegeven en het gebruik ervan wordt uitvoerig

omschreven. Met zorg bewerkt zijn in dit opzicht ook de verzameling

van de heeren Mr. van Hasselt en Bolten; bij eerstgenoemde gaf de

schenker daarenboven de prijzen aan van het speelgoed, dat hij op

den pasar kocht.

Het verslag geeft een lijst van de voorwerpen, ten geschenke

of in bruikleen ontvangen of door ruiling of aankoop verkregen,

en bevat tevens een prettig geschreven overzicht der tijdelijke

tentoonstellingen, gehouden in het eerste halve jaar van 1908, waarbij

de secretaris gelegenheid vond, een belangwekkende uiteenzetting

van het ikat-procédé ter verving van weefsel in zijn verslag in

te lasschen.

Op den Uitkijk, Jaargang 1909 Bijblad bij De Aarde en haar Volken · 第 197 / 353 题