ZIGEUNERS IN ZEVENBURGEN.

De Zigeuners in Zevenburgen hebben in Europa het zuiverst hun taal,

zeden en gewoonten bewaard. In de taal zijn slechts weinige romaansche

en slavische woorden opgenomen, terwijl de Zigeuners, uit bij voorbeeld

de Hongaarsche laagvlakte, gekleed als de paardenherders uit die

streken, de tsjikoschen, een veel meer gemengde taal spreken. In

Zevenburgen dragen de Zigeunermannen het haar in krullen, en de

vrouwen hebben naar voren hangende vlechten, waar ze zilverstukken

in vlechten. Getrouwde en ongetrouwde zijn door de haardracht te

onderscheiden, want de eerste laten de vlechten loshangen over de

borst, en de laatste binden de uiteinden van achteren samen. Het

aantal eigenaardige gebruiken, dat in het Zigeunerleven een rol

speelt, is eindeloos, even talrijk als hun bezweringsformules bij

ziekte en ongeluk.

Deze Zigeuners hebben een rijke litteratuur van liederen, sprookjes

en sagen, waaruit opvallend blijkt, dat dit volk in den grond nobel

van karakter is, en inderdaad wie hen tot zijn vrienden weet te maken,

vindt in hen niet het leugenachtige bedelvolk, waar ze voor doorgaan,

maar een hartelijk en naïef menschenslag.

Ze leiden in Zevenburgen een zwervend leven; maar dikwijls laten ze

zich voor langeren tijd in een of ander dorp neer, zonder er echter

ooit huizen te bouwen. Ze werken er dan in daghuur, zijn kalk- en

kolenbranders, maar allereerst smeden, die het liefs ketels lappen. Ook

de vrouwen gaan werken op de velden, in de tuinen, aan het houtdragen,

en doen aan het waarzeggen in het dorp. In dat laatste zijn ze knap,

en het is bijna niet te gelooven, met hoeveel slimheid ze van de

roemeensche vrouwen geld of kleedingstukken loskrijgen.

Hier is een voorbeeld:

Een Zigeunervrouw komt in een huis. Ze vraagt, of ze der huisvrouw

de kaart mag leggen en voegt erbij, dat ze er niets voor begeert en

het enkel uit vriendschap voor de boerin wil doen. De vrouw stemt

toe. Nu leest de Zigeunervrouw met iets plechtigs in haar stem uit

de kaarten, dat de boerin veel vijandinnen heeft en dat die een groot

ongeluk over haar hoofd zullen brengen.

De Roemeensche is bang geworden. Ja, ze heeft vijandinnen, welke

roemeensche vrouw zou die niet hebben! Maar wat moet ze doen? Ze

vraagt de vreemde vrouw raad.

»We zullen het ongeluk afwenden,« zegt deze, »maar moeilijk is het,

want gij hebt te veel vijandinnen, die machtig zijn. Ik wil echter

beproeven, u te helpen.«

Ze verlangt een glas water, dat men haar brengt. Nu neemt ze drie

stukjes kool uit het haardvuur en werpt die in het water. Dan gaat

ze op den grond zitten, draait het glas onafgebroken in het rond en

mompelt in al grooter wordende opwinding: »Se trese riului din capu

lui, din casa lui, din totje!« (Het booze verdwijne van u, van uw

hoofd, uw huis en allen!) Dan verlangt ze aarde van alle vier hoeken

van het huis, plaatst het glas erop, maakt een kruis, en de boerin

moet een zilverstuk in den mond nemen. En weer mompelt ze bezweringen,

en kijkt strak vóór zich, beeft als in grooten angst, en ook de boerin

heeft het angstzweet op het gelaat. Nu vraagt ze een tweede geldstuk,

legt dit in het water, en de Roemeensche moet met den voet op negen

penningen gaan staan. En weer beginnen de bezweringen.

Eindelijk is de ceremonie ten einde. De Zigeunervrouw gaat opstaan

en verklaart, dat nu de booze geesten gevlucht zijn, maar dat ze nog

kunnen terugkeeren. Om dat te verhinderen en opdat de betoovering

langer zal werken, moeten de beide zilverstukken thans in een

nieuw kleedingstuk worden gebonden, dat voor een enkelen dag door

de waarzegster moet worden begraven. En daarna gaat de vrouw heen,

en de boerin ziet noch het geld, noch het kleedingstuk ooit terug.

Al gaan de Zigeuners in Zevenburgen wel aan het werk, al zijn ze

behalve smeden en ketellappers, ook wel kooplui in glaswerk en potten

en pannen of in houten lepels, zooals soms in dekens en tapijten, toch

blijven de arbeid en de handel altijd bittere noodzakelijkheid. Als

het niet volstrekt moet, voeren ze niets uit en loopen doelloos

rond. De welgestelden onder hen, die niet gering in aantal zijn,

versmaden elk werk en ook het bedelen. In hen woont nog iets van den

trotschen geest der oude Brahmanen, die zich de weelde veroorloofden,

alles te verachten, ook het leven en zichzelven.

Op den Uitkijk, Jaargang 1909 Bijblad bij De Aarde en haar Volken · 第 186 / 353 题