INVOERING VAN BIJEN OP HET EILAND SAIPAN.

De groep der Marianen, die in de Stille Zuidzee ten oosten van

de Philippijnen ligt, is een duitsche kolonie. In de Deutsche

Kolonialzeitung van 8 Mei vertelt Dr. Dwucet, die er verblijf

houdt, hoe hij er in geslaagd is, bijen in te voeren op Saipan,

het belangrijkste eiland van de groep.

Het tropische klimaat van den archipel, zoo vertelt hij, brengt

veel mildbloeiende gewassen voort. Maar desniettegenstaande zijn

er op de eilanden nooit bijen geweest, zooals de inboorlingen mij

hebben verzekerd, die onze nuttige honiggaarsters zelfs niet bij naam

kenden. In het jaar 1905 kwam ik voor onderwijsbelangen naar Saipan,

en eenigen tijd na mijn komst, toen ik het eiland eenigermate had

leeren kennen en mij met de verschillende bloeiende planten bekend

had gemaakt, kreeg ik de overtuiging, dat de bij op het eiland zeker

zeer goed zou gedijen. Ik besloot, er eens een proef mee te nemen.

De overheid gaf mij in dezen volle vrijheid, en van een bevriend

scheepskapitein had ik vernomen, dat op de ten noorden van ons gelegen

japansche Bonin-eilanden zeer druk met bijen werd gewerkt. Ik verzocht

den kapitein, op zijn volgende reis van Japan uit de eilanden aan te

doen en voor ons eenige volken mee te brengen. Den 31sten December

bracht hij ons op zijn "Paula" vier volken mee in japansche kasten. De

japansche gouverneur der Bonin-eilanden had de bijen aan ons bestuur

ten geschenke gegeven.

Nadat de kasten op de ervoor in gereedheid gebrachte plaats waren

neergezet, onderzocht ik ze en vond, dat in iedere kast meer dan

de helft der bijen dood was; de lange zeereis van 16 dagen op

een zeilschip, opgesloten in de tropische hitte, heeft veel kwaad

gedaan. Tot mijn groote vreugde vond ik echter de koninginnen in

goeden toestand. De kasten werden dadelijk schoongemaakt en in orde

gebracht. Korten tijd achtereen voederde ik, ofschoon er juist veel

bloeide, om broedaanzet te krijgen, en ik zag er goede resultaten

van. Den 2den Maart, dus na twee maanden, kwam al een eerste sterke

zwerm naar buiten, den 5den Maart een tweede, die even groot was als

de eerste; toen volgden nog verscheiden met vrij groote regelmatigheid

het heele jaar door; alleen in Augustus, September, October en November

was de zwermlust gering.

Daar het er mij vooreerst maar om te doen was, de vermeerdering der

volken zooveel mogelijk te bevorderen en minder op de opbrengst aan

honig te werken, heb ik het zwermen zijn gang laten gaan. Op die manier

heb ik in het eerste jaar 48 zwermen gekregen, waarvan echter eenige

naar de wildernis zijn ontkomen. In Augustus en September zijn zes

volken te gronde gegaan, zonder dat ik de oorzaak heb kunnen nagaan.

De bijenstand bestond aan het eind van het eerste jaar, in Januari

1908, uit 37 volken in bijenkasten, ongeveer drie centenaars honig

en bijna 24 pond zuivere was.

Om bij de inboorlingen de belangstelling voor de bijenteelt te wekken,

heb ik de grootere schooljongens voor allerlei werk te hulp geroepen

en ik gaf hun op die manier practisch les in het bijenkweeken. In den

laatsten tijd hebben ze reeds al het werk in de imkerij zelfstandig

kunnen doen. Als prijzen voor knap werk met mooie resultaten gaf ik

aan de jongens telkens een zwerm cadeau. Enkele inboorlingen hebben

zich bijenkasten met bijen gekocht van onze regeering, die een volk

met kast voor zeven en een halven mark verkocht. De prijs is zoo laag

gesteld, om de zaak onder de inboorlingen ingang te doen vinden.

De bij is op Saipan vlijtig en steekt zoo goed als niet. Deze

ingevoerde schijnt een product van de kruising der italiaansche met de

koreaansche bij. Ook bij het grondigste werk in de kast heb ik nooit

een sluier of handschoenen gebruikt, en ook de schooljongens deden

het er zonder. De bijen zijn zeer zwermlustig en, wat ik vaak heb

waargenomen, ook bij zeer regenachtig weer gaan ze uit, om honig en

stuifmeel te halen. Als vijanden der bij doen zich op Saipan voor de

hagedissen, de mieren en een soort van kevers, die hier kakkerlakken

worden genoemd.

De tijd der hoofddracht begint op Saipan al in December en duurt

bijna tot einde Mei. Al dien tijd doen de bijen zoo hard mogelijk

haar werk. Als ik toen veel kunstraat te mijner beschikking had gehad,

zou de honigvoorraad nog driemaal zoo groot zijn geweest.

Bijna alles wat op het eiland bloeit, wordt door de bijen bezocht,

de bananen, de kokospalmen, de gomboomen en duizend andere bloeiende

gewassen.

Om ook op het eiland Rota in onze buurt met bijen een proef te doen,

zond ik in April 1908 aan den daar gevestigden zendeling, pater

Corbinian, die zich voor de bijenteelt zeer interesseerde, twee van

mijn eigen kasten met bijen. Gedurende zijn slechts kort verblijf

op Saipan heeft hij aan alle werkzaamheden deelgenomen en zich het

meest wetenswaardige over de bijenhuishouding eigen gemaakt. Na een

mij reeds bekend geworden bericht van Rota is het ook daar met de

bijen uitstekend gegaan en de honigoogst is overvloedig.

Even goed als Saipan zal ook het eilandje Tinian wel geschikt zijn

voor het bedrijf. Ik was juist voornemens daar een proef te wagen,

toen mijn vertrek de uitvoering van het plan verhinderde.

De Saipanhonig is van zeer goede hoedanigheid; aroma en smaak

verraden terstond de tropische herkomst, die het product zachter

maakt van smaak en geur. Het pond honig is op Saipan voor één mark

verkocht. Dadelijk in het eerste jaar bracht de imkerij 115 mark

voor honig en bijen op. Dat resultaat bewijst duidelijk, dat een

intensieve bijenteelt op Saipan mogelijk is; maar de omstandigheid,

die de zaak bezwaarlijk maakt, is de naar alle richtingen te groote

afstand van een afzetgebied voor honig en was.

En ten slotte vertelt de heer Dwucet, dat hij van huis uit geen

bijenkweeker is, dat hij al wat hij van de bijen en het bedrijf weet,

uit goede bijenboeken heeft geleerd en dat hij een paar malen een

practische imker bij zijn werk heeft bezig gezien. Maar de liefde tot

de zaak was groot bij hem en daardoor is het hem gelukt, de bijen

in te burgeren op de Marianen en de inboorlingen op te wekken tot

belangstelling in de bijenteelt.

In ons Indië houdt men, meenen wij, wel hier en daar bijen; maar

zonder twijfel zijn er honderden ambtenaren, die op hun standplaatsen

het voorbeeld van den Duitscher zouden kunnen navolgen, en ook

particulieren zouden, als ze in de zaak belangstelden, een nuttig

werk kunnen doen door invoering van de nijvere bijtjes in hun omgeving.

Op den Uitkijk, Jaargang 1909 Bijblad bij De Aarde en haar Volken · 第 182 / 353 题