DE EZEL IN HET ZUIDEN.

Als een ezel verstandig kon nadenken en er zoo iets als een

wereldbeschouwing op na hield, moest hij wel troosteloos pessimistisch

wezen en zich overtuigd voelen, dat er op aarde geen recht is te

krijgen, ten minste niet voor zijns gelijken. Niet genoeg, dat de

mensch hem kastijdt en ranselt en alles uit hem haalt wat hij aan

kracht kan leveren, zijn naam wordt bovendien zonder piëteit als

scheldnaam gebruikt.

Maar is de ezel werkelijk zoo'n ezel, of heeft de miskenning van de

natuur van den ezel zijn naam zulk een boozen klank gegeven? Die vraag

laat zich niet beantwoorden, zonder dat men eerst eens goed aan het

onderscheiden gaat. De europeesche ezel, zooals wij hem kennen, is,

als een ontaarde spruit van den wilden afrikaanschen en aziatischen

ezel, slechts een zwakke afstraling van het ezeldom. Hij is, al klinkt

dat niet vleiend voor de menschen, als menig ander huisdier in den

dienst van den mensch dommer geworden en al achterlijker, zwakker en

stompzinniger, naarmate hij meer naar het Noorden werd verplaatst.

Als echt dier van het Zuiden heeft hij voor zijn ontwikkeling, voor

de ontplooiing van zijn talenten, droogte en gelijkmatige warmte

noodig, en hoewel hij overigens nog wel de kunst verstaat, zich naar

ongunstige omstandigheden te schikken, heeft hij maar een gering

weerstandsvermogen tegen kou en vocht. De wilde ezel, dien men van

Syrië over Arabië en Perzië tot in Indië vindt, de middelaziatische

halfezel en de groote, schoone steppenezel van Somaliland, ze zouden

er vrijwat tegen hebben, ons grauwtje te erkennen als huns gelijke in

de familie Asinus, want zij bezitten vuur, snelheid en slimheid, en

laten niet op treurige manier den kop hangen als de ezel in ons land.

Nog hooger op de ontwikkelingsladder staan de ezels, die bij de

bezoekers van Egypte zoo goed bekend zijn, de rijezel, waarvan de

mooiste en statigste exemplaren uit een kruising van den wilden ezel,

Onager, met tamme ezelinnen zijn voortgekomen en die vaak hooger in

prijs zijn dan een rijpaard van gemiddelde hoedanigheid. Egypte heeft

het ideale ezelklimaat en langoor ontwikkelt zich aan den Nijl dan ook

tot een elitedier, in welks schalksche oogen veel te lezen staat, en

welks temperament menigeen, die ook wel graag een ruiter wou wezen,

heel wat te stellen heeft gegeven. Men moet dien egyptischen ezel

liefkrijgen, want zijn gewilligheid wordt misschien alleen overtroffen

door zijn volharding en zijn bescheidenheid. De ezeljongen geeft hem

's morgens voor het begin van den tocht zijn voer en dan eerst weer

des avonds, nadat het dier soms 30 tot 40 kilometer door het diepe

woestijnzand met een stevigen Germaan op zijn rug heeft afgelegd. Dan

is het toch geen wonder, als de dappere langoor op den terugweg enkele

teekenen van vermoeidheid niet kan verbergen, waaraan men dan den

naam van koppigheid geeft en die met slagen worden beantwoord.

Veel minder waard dan de egyptische ezels zijn de

zuid-europeesche. Reeds in Zuid-Frankrijk is de ezel maar in

betrekkelijken zin een goed lastdier. Toch wordt hij er nog al druk

gebruikt, maar minder in Italië, waar de huisdieren over het algemeen

worden verwaarloosd en met name de ezels bij de krachtiger muildieren

achterstaan. Het meest treft men hem nog aan in sommige provincies

van Spanje en heel veel in Spanje's hoofdstad. Daar, in Madrid,

neemt het dier aan een heele reeks beroepen en bedrijven deel. Maar

het grillige klimaat van Madrid met de snijdend koude winden in den

winter bekomt langoor niet te best, en mooi zijn de spaansche ezels

dan ook volstrekt niet, al zijn ze erg bemind bij de menschen. De

melkezelinnen zijn karakteristieke verschijningen in de straten van

Madrid in de vroege morgenuren. Ezelinnenmelk wordt er op hoogen prijs

gesteld, vooral als geneesmiddel bij de in de stad zooveel verspreide

borstziekten. Van huis tot huis worden de ezelinnen gedreven en op

de plaats zelve gemolken.

Die ezelinnen hebben het goed evenals de deftige ezels in keurig tuig,

wier huid met de grootste zorgvuldigheid wordt behandeld. Daarentegen

is menig ezeltje van een arme waschvrouw er droevig aan toe en

voor de groentekarren is hun lot ook dikwijls weinig benijdbaar,

zoo min als wanneer hun rug onder bloemen schuilgaat, wanneer zij

de vrachten Florakinderen naar de bloemenmarkt brengen. »Burro«,

dat is de spaansche vertrouwelijke naam van den ezel, heeft in het

land der citroenen en amandels een druk en bedrijvig bestaan, maar

op een enkelen dag van het jaar wordt hij prachtig versierd en in

optocht naar het klooster van den H. Antonius gebracht, waar alle

ezels dien dag den zegen ontvangen, een oase, die 17de Januari,

in het leven van menig arm, zwoegend ezeltje.

Op den Uitkijk, Jaargang 1909 Bijblad bij De Aarde en haar Volken · 第 181 / 353 题