Ieder volk heeft zijn eigenaardige liefhebberijen, waarin het
zijn genoegen zoekt; men zou zelfs van een onbekend volk den aard
kunnen vaststellen naar de wijze, waarop het zich in zijn geheel
of individueel vermaakt. De bewegelijke westerling vliegt met zijn
rijwiel zelfs over onbegaanbare wegen, beklimt dikwijls voor de eer
en een enkele maal voor zijn genoegen de toppen der hoogste bergen;
met deze hoogten niet tevreden, stijgt hij met een luchtballon de
lucht in en laat er zich op voorstaan, de grens bereikt te hebben,
waar alle dierlijk leven ophoudt; 't is hem een genot in de snelste
spoortreinen te zitten; de vlugste stoombooten brengen hem niet
spoedig genoeg om de aarde, vroeger onmetelijk groot, nu voor den
waren globetrotter gereduceerd tot een gemakkelijk te overzienen bol.
Vergelijk daarbij den kalmen oosterling, laat mij liever zeggen den
Javaan; hij moet wel met den stroom mee, maar stribbelt er toch zoo
lang mogelijk tegen; het liefst vermijdt hij alles, waaraan gevaar
verbonden is; een voetreis vindt hij het zekerste middel, om zich
te verplaatsen, vermoeienis kent hij niet, evenmin de waarde van
den tijd; wil hij zijn doel vlug bereiken, wel dan gaat hij boven
op zijn paardje zitten, en het beestje brengt hem in twee derde
van den tijd over, dien hij te voet zou noodig hebben; het non plus
ultra van een genoegelijke reis vindt hij de sapie- of karbouwenkar,
langzaam maar zeker de steilste helling op en even traag af. Bergen
beklimmen? Onnoozele gedachte! Moet hij ze op, om er zijn brood te
verdienen, geen berg is hem te hoog, geen pad te steil, maar voor je
plezier te klauteren en de kans te loopen, met gespleten schedel in
een ravijn terecht te komen, zie, dat is wel het dolste, waartoe een
redelijk denkend mensch kan komen.
Reizen, de zee oversteken, zijn leven toevertrouwen aan het broze
vaartuig op de onbetrouwbare zee, die, nu spiegelglad, straks bergen
en dalen vormt om ervan te rillen en, alsof het een bonbon geldt,
een schip met man en muis inslikt, neen, die liefhebberij laat hij
liever aan anderen over.
Na volbrachten arbeid kalm thuis zitten uitrusten, zijn karbouwen
bewonderen, naar zijn tortelduiven luisteren, als hij ze bezit, zich
door moeder de vrouw de stram gewerkte ledematen laten masseeren,
mein Liebchen, was willst du noch mehr? Kan men zich een aangenamer
bestaan denken, dan rustig buiten het wereldsch gewoel te blijven?
Uit G. Stoll's "Kiekjes op Java".