De ten zuidoosten van Kaboel wonende Afridi's, die als buren van het
noordwesten van Britsch-Indië vaak lastig zijn geweest voor Engeland,
gebruiken voor hun kleedingstukken een eigenaardige stof, die Afridi
wax-cloth wordt genoemd. Zij beteekenen hunne weefsels met figuren van
dikke, kleverige saffloer-olie, gekleurd met de kleur van saffloer,
het geel van de plant Carthamus tinctorius, en bestrooien die figuren
met mika-poeder, dat erop blijft kleven na het drogen van de olie. Ook
in onze Oost blijkt dit procédé toegepast te worden. Tot de verzameling
ethnografica uit Celebes, dat al meer en meer een merkwaardig eiland
wordt, door den luitenant ter zee Fock onlangs aan het Museum voor
land- en volkenkunde te Rotterdam geschonken, behoort een jakje van
de Toradja in Midden Celebes, waarop figuren van mika (batoe Banggai)
met een of ander plakmiddel aangebracht zijn. Het is van geklopte
boomschors gemaakt, geheel gevoerd met dezelfde stof, dus dubbel, en
alleen de buitenkant, die gezien wordt, is zwart geverfd; het overige
is bruin, waarschijnlijk de oorspronkelijke kleur van de boombast;
op dezen zwarten ondergrond liggen de dofzilverwitte figuren.
Dit is nu weer heel iets anders dan de mika-plaatjes die (op Sumatra
en elders) op het weefsel genaaid worden als tooi; ook weder iets
anders dan de versiering met bladgoud, dat door middel van eiwit op
staatsie-doeken van Bali en op de batiks van Java gedrukt wordt, en
dat de Balische doeken nog bonter maakt dan zij al zijn, maar op de
batiks inderdaad een vermooiing kan zijn, zooals voor beide gevallen
stukken in het Museum doen zien.
Tot dezelfde verzameling-Fock behooren twee strijdjakken van de Orang
Mengkoka, op het zuidoostelijk schiereiland van Celebes, afkomstig van
de kampong Batoenon aan de golf van Boni. Het zijn echte maliënkolders,
geknoopt van gedraaide vezels, stug als de strijdjakken van de Gilbert
eilanden en in uiterlijk aan deze gelijk; 't moet een zware dracht
zijn in een warm land, maar deugdelijk beschermt deze met koorden
toegeknoopte jas het bovenlijf; de rug is van boven verlengd met een
opstaand stuk van gelijk maaksel, dat een nekslag ongevaarlijk maakt.