EEN GRIEVENCAHIER.

De oud-gewestelijke secretaris van de residentie Timor, de heer

H. D. Wiggers, heeft een boekje uitgegeven, ons ter bespreking

gezonden en getiteld »Aardrijkskundige Schets van het eiland Rotti«,

dat onder deze vlag van den titel een heel andere lading dekt dan

men zou verwachten.

De »schets« beslaat 24 bladzijden en daarvan geven slechts 6¾

bladzijden een beschrijving van het eiland Rotti; al het overige

is aanklacht en beschuldiging van regeering en ambtenaren. Vluchtig

worden in die eerste regelen behandeld de eerste volkplanting op het

eiland, en de tweede, de godsdienst van de Rottineezen, gebruiken en

gewoonten bij geboorten, huwelijken, sterfgevallen, begrafenissen enz.,

het dierenrijk, de natuurlijke voortbrengselen en het plantenrijk,

en dan begint de schrijver van leer te trekken.

Het is een wonderlijk grievencahier, dat hij open doet en wij kunnen

met den gegriefde zoo moeilijk medelijden krijgen, zoo lastig is het,

voor ons met hem mee te voelen, omdat hij nergens in zijn boekje ook

maar eenigszins preciseert, geen namen noemt of plaatsen, maar in het

wilde redeneert over al het onrecht, dat er in onze koloniën geschiedt,

en waar de regeering niet genoeg tegen waakt door afdoende contrôle.

Misschien zou het nog gegaan zijn, om in de gevoelens van den aanklager

te komen, als hij zich verstaanbaar had uitgedrukt en niet in een

zoo verwarrenden, onduidelijken stijl, in zulke ellenlange zinnen,

dat men telkens den draad van zijn betoog verliest.

Zijn hoofdgrief is, naar wij meenen te begrijpen, dat er geen toezicht

genoeg wordt uitgeoefend op de lagere ambtenaren, dat hun klachten

en bezwaren, als die bij de regeering inkomen, worden ter zijde

gelegd en dat er een ongelukkige keuze plaats heeft van indische

bestuurshoofdambtenaren.

De schrijver wijst op de Oost-Indische Compagnie, die, als er

klachten inkwamen te Batavia, onmiddellijk een commissaris zond, om de

klachten te onderzoeken, te rapporteeren en naar bevind van zaken te

handelen. Die methode moet weer gevolgd, want, en hier beginnen wij

te citeeren en verzoeken de aandacht voor de taal van den auteur,

»het is onbetwistbaar een heilaanbrengende handeling en alzoo van

zeer veel nut, om in toepassing te brengen op eenige hoofden van

gewestelijk en plaatselijk bestuur op en buiten Java en Madoera,

ten opzichte hunner afkeurende handelingen in bestuurszaken, hunne

nalatigheid en plichtsverzaking in den dienst en hunne willekeurige en

berispelijke handelingen en het misbruik maken van hunne bevoegdheid,

hetzij als besturend ambtenaar, hetzij als politierechter; maar niet

de ter zake gemaakte waardige persbemerkingen, terechtwijzingen en

aansporingen met vrijwillig gegeven advies tot handeling ongemoeid ter

zijde te laten en zich volstrekt niet aan te trekken, wat er maar over

geattendeerd wordt en dit te beschouwen als noodelooze aantijging,

zoodat betrokken autoriteiten van de slapheid der regeering worden

overtuigd en daarvan misbruik maken, om hunne fouten en gebreken

te doen voortduren, zonder de minste stoornis voor een correctie

of anderszins«.

Zoo gaat het in dreunende onaangenaamheid door; men duizelt van

den woordenrompslomp, en zelfs als een zin klein is en flink op den

man af gaat, komt de schrijver er nog niet goed uit. Hij vindt de

bestuursambtenaren onbekwaam, en geeft nu dezen raad: »in verband

daarmede dient men der regeering en den Directeur aan te prijzen,

om geen ambtenaren tot den voornamen werkkring van bestuurshoofd te

roepen of daarin te laten blijven, welke men onder de algemeene rubriek

van prullen kan brengen«, en »maar de regeering schijnt zich hiermede

niet te kunnen vereenigen, om in eene heilzame afdoening te treden,

en men moet erin berusten en die bestuurshoofden, politierechters,

in hunne dwaling, betweterigheid en bijna totale onbekendheid met

wetten en bepalingen en alzoo ongeschikt om als rechter op te treden,

ongestoord laten, ten nadeele voornamelijk van de arme inlanders.«

Van preciseeren is nergens sprake, en zoo zullen door dit boekje

des schrijvers grieven zeker niet worden uit den weg geruimd, want

wat kan een regeering na zoo iets anders doen dan het geschrijf kalm

naast zich neer leggen en er zich verder niet om bekommeren?

Op den Uitkijk, Jaargang 1909 Bijblad bij De Aarde en haar Volken · 第 142 / 353 题