HONGERSNOOD IN TUNIS.

Het ziet er in Noord-Afrika in den laatsten tijd in dit voorjaar

van 1909 dan al ver van gunstig uit met de vooruitzichten van den

oogst. In de kolonie Algerië en in het protectoraat Tunis wordt de

toestand langzamerhand zorgelijk.

Een der redenen van de reis van den heer Alapetite naar Parijs is de

crisis in economisch opzicht, die men in Noord-Afrika doormaakt. Hij

is daarvan komen vertellen aan de regeering en vroeg haar goedkeuring

van de maatregelen, die moeten dienen, om de ellende van de inlandsche

bevolking te lenigen.

De oogst van verleden jaar is slecht geweest, en daarbij voegde

zich het gebrek aan regen in het begin van den winter. Er is een

groote sterfte ingetreden onder de kudden, die geen weideland konden

vinden. Sinds December heeft het in het Noorden veel geregend, maar

het weer was koud, het gras groeide niet, en de dieren leden gebrek

en kwamen van ontbering om. Daar in de kudden de eigenlijke rijkdom

der stammen bestaat, is het verlies enorm, nu in het Noorden de helft

en in het midden en Zuiden zelfs in de minst begunstigde streken vijf

zesden der dieren zijn bezweken.

De bladen in Tunis verhalen van menschen, die men aan den weg dood

of stervend aantreft, van honger omgekomen, en zeker is het, dat

door de schaarschte en de duurte der levensmiddelen de algemeene

sterfte sterk is toegenomen. Dat heeft men in de stad Tunis goed

kunnen vaststellen, want sedert korten tijd is de burgerlijke stand

er voor de inboorlingen ingesteld. Opmerkelijk is het, dat de dood

veel heviger onder de Mohammedanen woedt dan onder de joden, die

flink gesteunde liefdadigheidsgenootschappen hebben.

Er is een debat geweest over de vraag, of men het vleesch van

de uitgemergelde dieren nog wel voor consumptie geschikt mocht

verklaren. De regeering, die voor de verspreiding van ziekten vreesde,

was geneigd, het gebruik te verbieden. Maar het comité voor tropische

ziekten in Frankrijk heeft verklaard, dat al was de voedingswaarde

niet groot, men het vleesch zonder gevaar kon nuttigen, en zoo is de

consumptie geoorloofd verklaard.

Een paar maatregelen zijn genomen, om de bevolking in haar nood te

gemoet te komen. Zoo moet erop worden gewezen, dat het verbod van

visscherij aan de kust en dat van de inzameling van alfagras in het

binnenland zijn ingetrokken. Het bestuur van openbare werken, heeft

de opdracht gekregen, op de werven, waar men aan den arbeid is, ook

inlanders op gemakkelijke voorwaarden werkzaam te stellen. Om in den

onmiddellijken nood te voorzien, worden brooduitdeelingen op groote

schaal geregeld gehouden en naarmate men uit het binnenland berichten

omtrent den hongersnood van de kaïds ontvangt, wordt daarheen maïs

en gerst gezonden. Er zijn reeds honderden duizendtallen van francs

aldus uitgegeven, en het laat zich aanzien, dat er nog zeer veel

noodig zullen wezen.

Op den Uitkijk, Jaargang 1909 Bijblad bij De Aarde en haar Volken · 第 131 / 353 题