TAALGRENZEN.

De politieke grens tusschen twee landen vormt in den regel geen

scherpe grens, wat de taal betreft. Aan beide zijden wordt gewoonlijk

het verkeer levendig onderhouden, wanneer ten minste geen pijnlijke

politieke verschillen dat belemmeren. De omstandigheden, waaronder

de douane werkt zijn meestal zoo geregeld, dat er weinig hinder door

ontstaat en dat de grensbewoners kleine hoeveelheden vrij kunnen

wisselen. Brusse heeft er ons in zijn smokkelcauserie ook op gewezen

voor Twenthe.

Veelal beheerscht de grensbewoner beide talen of ten minste kent hij

de noodigste woorden van de taal der buren en kan zich dus verstaanbaar

maken, te meer daar de ander hem halfweg tegemoet komt.

Er zijn intusschen enkele plaatsen, waar taalgrens en politieke

grens opvallend scherp samenvallen. In Pontebba op de grens

tusschen Oostenrijk en Italië, in Karinthië, kan men dit duidelijk

waarnemen. Het oostenrijksche gedeelte van de plaats heet Pontafel en

wordt door het riviertje, de Pontebbana van het italiaansche gedeelte,

dat Pontebba heet, gescheiden.

Een brugje over dat grensriviertje voert van Karinthië naar

Boven-Italië. De plaats heeft twee stations, die zoo dicht bij elkander

liggen, dat de trein op den weg van het eene naar het andere nauwelijks

goed in beweging komt. Maar aan de stations moet men vaak lang wachten,

want het zijn belangrijke grensstations op de route van en naar Italië.

Pontafel is geheel Duitsch; de uithangborden voor de herbergen kunnen

het u al leeren, en de menschen praten een echt duitsch dialect. En

loopt men nu over de brug der Pontebbana en is den douanebeambte

voorbij, dan bevindt men zich geheel in Italië; er is niets duitsch

meer. Naast de brug staat trouwens al een mooie »albergo«, waar ge,

om er welkom te wezen, niet alleen wat geld in uw beurs moet hebben,

maar waar ge ook een weinig Italiaansch moet kunnen keuvelen, want

de menschen verstaan er geen andere taal.

Op den Uitkijk, Jaargang 1909 Bijblad bij De Aarde en haar Volken · 第 119 / 353 题