Een groot landcomplex, waar nog heel wat te ontdekken is en waarvan
de kaarten als om aanvulling roepen, zooals Thibet het deed, voordat
de expedities van Prschewalski, Rockhill, Littledale, Bower, Deasy
en vooral Sven Hedin er licht over hebben uitgegoten, is Arabië. Daar
begint thans echter de onderzoekingsgeest ook krachtig te werken. Een
flinke expeditie zal onder den engelschen reiziger Bury ten oosten
van Aden aan land gaan en door het Jeshbundal over Nisab en Behan al
Jezab naar Harib en Mareb trachten te komen, om daar opnemingen te
doen van oude opschriften.
Het vervolg der expeditie wordt afhankelijk gesteld van de berichten,
die men omtrent de vermoedelijke karavanenwegen in het binnenland zal
krijgen. In de eerste plaats richt de leider zijn opmerkzaamheid op
het bereiken van Riadh, indien daarheen nog een karavaanweg uit het
Zuidwesten geleidt. Van daar wil hij, zoo er verbindingen te krijgen
zijn, over El Hauta oostwaarts naar den vermoedelijken karavanenweg
Mekka-Oman naar Maskate trachten te komen. Gelukt dat niet, dan zal
hij zich naar gelang van de omstandigheden, naar de Perzische Golf,
naar de Roode Zee of dwars door de groote zandwoestijn naar het
Zuiden naar het landschap Hadramaut wenden. Als eenig gezel sluit
zich bij hem aan de heer P. E. L. Gethin, die zich door het volgen
van een cursus van het londensche Aardrijkskundig Genootschap, de
Royal Geographical Society, op deze reis heeft voorbereid. Al komt
ook slechts een deel van het programma tot uitvoering, dan staat ons
toch een wezenlijke verruiming onzer kennis van Arabië te wachten.