VAN VAREN EN LANDEN IN DE STILLE ZUIDZEE.

De duitsche rijksmailstoomboot »München«, een schip van 4500 ton

inhoud, was van Sydney in Australië gekomen, had Nieuw Guinea

aangedaan, toen den Bismarckarchipel, vervolgens Ponape, het

hoofdeiland van de Carolinen en naderde nu het eiland Saipan van de

groep der Marianen met het buureilandje Tinian. Tinian heeft steile

oevers, maar is van boven vlak als een tafelland, terwijl Saipan een

hoogen vulkanischen top vertoont. Nadat het schip rondom half Saipan

was heengevaren, kwam Garapan in het gezicht, de hoofdstad van het

eiland en zetel van het duitsche bestuur.

Aan het strand in de schaduw van kokospalmen stond een lange

rij kleine, bruine huisjes, daarnaast een groot wit gebouw, dat

nog niet geheel voltooid was, het nieuwe gouvernementsgebouw. De

haven van Garapan, door koraalriffen omringd, is alleen voor kleine

schepen toegankelijk. Daar bij de nog bestaande onbekendheid met het

vaarwater de uiterste voorzichtigheid geraden is, ankerde de postboot

twee zeemijlen van land verwijderd in volle zee op koraalbodem,

en wachtte de aankomst van een boot van het land af. Er ging een

sterke branding, die het voor anker liggende schip in onaangename,

rollende beweging bracht.

Daar kwam van achter het rif een boot te voorschijn. Nu eens op

den rug van een golf geheven, dan in een golfdal verdwenen voor de

blikken van de schepelingen van de »München«, naderde de kleine boot

langzaam. Eindelijk was ze nabij. Twee door de zon verbrande blanken

met groote spaansche strooien hoeden zaten erin. De Jacobsladder,

een touwladder met houten sporten, werd neergelaten, en het tweetal

klauterde aan boord, in blijde ontroering om de onverwachte aankomst

van de postboot. Want dit was de eerste duitsche postboot, die sinds

de inbezitneming door Duitschland er binnenliep, het eerste schip,

dat na maanden berichten uit het vaderland bracht.

Nu moesten nog verscheiden kisten en de personen, die mee aan land

wilden gaan, in de boot worden overgebracht. Ook dat gelukte, maar

met moeite. Onder de naar wal gaande personen was ook professor

Robert Koch en zijn assistent, de officier van den staf, dokter

Ollwig, die van Nieuw-Guinea kwamen. Nadat hun malaria-expeditie

was afgeloopen, hadden ze van Herbertshöhe uit, de hoofdplaats van

Duitsch Nieuw-Guinea, de terugreis over Hongkong aangevangen. Dan

was er Dr. Georg Wegener, de reiziger in China, berichtgever van een

berlijnsch blad op weg van Australië naar China, om over de onlusten

in China nieuws aan zijn blad te zenden, en de regeeringsdokter

van Ponape, Dr. Girschner met zijn jonge vrouw. Op Ponape hadden

ze namelijk met een zeilschoener bericht gekregen, dat op Saipan

een boosaardige ziekte, waarschijnlijk lepra heerschte. Daar er op

dat eiland niets anders dan een hospitaalbediende, maar geen dokter

woonde, was Dr. Girschner naar Saipan gezonden, om onderzoek te doen

naar de ziekte.

Het ging goed met de inscheping in de kleine boot, en de moeilijke

vaart naar den wal begon. Hoog gingen de golven van den Grooten Oceaan,

en om de riffen moest een wijde omweg worden gemaakt, zoodat er twee

uur verliepen na de afvaart van het schip, eer allen behouden bij

de brug in de haven van Garapan landden. Het was intusschen geheel

donker geworden, en daar er in den nacht niet aan een terugkeer naar

het schip kon worden gedacht, had de kaptein bepaald, dat de boot

bij het aanbreken van den dag naar het schip zou teruggaan.

De districtscommandant Fritz, die met den hospitaalbediende en een

politiebeambte op het eiland de duitsche regeering vertegenwoordigde,

moest nu zien, voor de gasten een onderkomen te vinden, de post door

te kijken, die door het schip was meegebracht, en zoo mogelijk te

beantwoorden, en zijn correspondentie voor Europa gereed te maken. De

hospitaalbediende was erin geslaagd, des avonds nog twintig door de

bedoelde ziekte aangetaste personen bijeen te brengen, daar professor

Koch zich voor de ziekte interesseerde. Bij het schijnsel van een

lamp bekeek en onderzocht de groote geleerde iederen zieke, en het

eindresultaat was, dat men hier te doen had met de in tropische landen

zeer verspreide Framboesia tropica. Het logeeren van zulk een aantal

gasten was moeilijk, want het huis van den commandant was klein, en het

regeeringsgebouw was nog niet klaar. (Het was in 1900). Maar in een

tropisch land behelpt men zich gemakkelijk in zulke omstandigheden,

en zoo werden in de dorpsstraat eenige ruststoelen naast elkaar

opgesteld, en wie geen ander onderkomen had gevonden, nam den vrijen

hemel als zijn onderdak. En er werd in de zachte lucht van Saipan in de

dorpsstraat beter geslapen dan later bleek, dat de aan boord gebleven

passagiers hadden gedaan bij het ongehoorde rollen, dat het schip deed.

Bij het aanbreken van den dag ging men terug naar de »München«, en

de reis ging naar Hongkong verder, waar de passagiers en de meesten

van de blanke bemanning het schip verlieten. De manschappen zouden

door kleurlingen worden vervangen, daar het schip de vaart tusschen

Australië en China zou blijven waarnemen. Het nieuw aangemonsterde

personeel vormde een ware staalkaart van onze natuurgenooten; er waren

maleische matrozen, indische stokers of laskaren, chineesche stewards,

en twee Zuidzee-eilanders op proef.

Weer lag de München, nu terugkomend van Hongkong, vóór Saipan voor

anker bij het rif. De zee was onrustig, de barometer daalde. Er

werd een boot uitgezet, om de post aan wal te brengen. Toen vroeg de

scheepsdokter, of hij mee mocht varen; maar de kapitein ried het hem

sterk af. Daar wees de dokter erop, dat ondanks het slechte weer toch

ook de derde officier en de betaalmeester gingen, wat de kapitein

deed opmerken, dat de »München« een rijkspostboot was, en dat de

post aan land moest worden gebracht, terwijl de dokter niet, zooals

de betaalmeester en de derde officier, ambtelijk aan wal behoefde te

zijn. Doch de medicus stond erop en ging mee, nadat de kapitein alle

verantwoordelijkheid van zich had afgeschoven.

Hij had den vorigen keer niets van Garapan gezien, en was nu verheugd,

toen hij behouden er rondliep en getroffen werd door die idylle

in de wereldzee. Dorp en omgeving waren wonderlijk schilderachtig

en mooi. Maar de terugtocht zou leeren, dat de kapitein niet ten

onrechte had gewaarschuwd. De zee was nog woeliger, en de derde

officier kon denzelfden weg niet terug gaan tegen wind en zee. Dus

moest de directe weg worden gekozen en dwars door het rif worden

gekoerst door de smalle bootspassage.

Met den scheepsdokter waren ook Dr. Girschner en zijn vrouw aan boord,

die terug wilden naar Ponape. In de tweede boot, door inboorlingen

geroeid, zat de hospitaalbediende van Saipan met de post. Na eenigen

tijd waren ze bij de bootspassage, een schuimende heksenketel, overal

bruisende branding. Kloekmoedig gaf de derde officier zijn bevelen,

en kloekmoedig roeiden de maleische matrozen. De boot werd als een

stuk speelgoed heen en weer geworpen in het schuim, dat oogverblindend

was, maar eindelijk was men er doorheen en kwam door de zeer hooge zee

toch eindelijk bij het schip. Maar het aan boord gaan was een groote

kunst bij de sprongen van wel twee meter, die de kleine boot maakte.

Men moest de ladder grijpen op een oogenblik, dat de boot zoowat haar

hoogsten stand had bereikt en dan haastig aan boord klauteren. Het liep

zonder ongelukken af, maar aan boord had men met zorg het forceeren

van de bootspassage gezien en het ergste gevreesd. De postmeester

van Saipan, die tegelijk de hospitaalbediende was, leverde aan boord

de post af, maar het was al te donker, om hem terug te brengen, dus

zou de postboot tot den volgenden morgen blijven en hem zoolang aan

boord houden. Helaas, dien morgen was het weer nog slechter, en in

de dichte regenwolken was een landing op Saipan onmogelijk, zoodat de

postmeester met zijn paar helpers goedschiks of kwaadschiks mee moest

varen naar Ponape. Dat werd naar den wal geseind, en op de terugreis

van de »München« van Australië zou men hem binnen twee maanden weer

van Ponape afhalen en naar Saipan terugbrengen. En zoo geschiedde.

Weer was de »München« op weg naar Saipan, na op Ponape den postmeester

en de zijnen weer te hebben opgenomen en weer was bij de aankomst de

barometer vallende, het weer slecht en de zee hoog en dreigend. Zelfs

nam de wind zoo toe, dat men voor een taifoen moest vreezen. Vanaf

het bovendek van het schip zag men tegen waterbergen op, zoo hoog,

als niemand zich kan voorstellen, die ze niet heeft gezien. Als een

gebergte met steeds veranderende toppen en kammen zoo torenden zich

de watermassa's. Het schip stuurde niet meer, het dreef. Daarbij

was een deel der steenkolen verschoven, zoodat de boot dreigend

helde. De scheepsdokter vroeg aan een der officieren, hoe het

eigenlijk met Saipan was gesteld en of men er niet haast zijn moest

en kreeg het ontmoedigende antwoord, dat men zoo voortgaande er zeker

gauw op ongewenschte wijze op vast zou zitten. De situatie was ver

van aangenaam; maar, als men goed bedacht, Saipan was met Tinian

erbij niet zoo erg groot en de »München« zou best er voorbij kunnen

drijven. Dan plegen de taifoens met verschillende snelheid te reizen,

en als deze taifoen er vlug bij was, kon hij voorbij wezen, vóór het

schip op Saipan was.

Maar heel best waren de vooruitzichten niet en de postmeester kwam met

een bedrukt gezicht den kapitein raadplegen. Zou hij nu waarlijk weer

niet naar zijn post kunnen terugkeeren? »Ja«, had de kapitein gezegd,

»als het weer zoo blijft, kan ik u niet helpen, dan zal u met ons naar

Sjanghaï moeten varen, want ik mag het niet wagen, dan Saipan aan te

doen en op een koraalrif of op de rots van Saipan te worden geworpen«.

»En zoo vaar ik maar rond, en weet niet, wanneer ik met mijn helpers

weer tehuis kom op Saipan«, zei de postmeester in wanhoop. De dokter

troostte hem, zoo goed het ging, maar in stilte hoopte hij, dat in

dit weer het heele Saipan maar niet in het gezicht zou komen.

Bij beurten gingen de officieren naar de machinekamer, om de

menschen aan te zetten, maar er heerschte onder de indische stokers

een lichte vorm van beri beri en ze hadden al van hun arbeidskracht

erbij ingeboet. Maar ten slotte gelukte het toch, zooveel stoom te

maken, dat het schip weer aan het roer gehoorzaamde en nu ging het

over waterbergen en door waterdalen, en het passeerde den taifoen

dichtbij het centrum van den storm. Een vol half uur lang waren lucht

hemel en water niet te onderscheiden, want het was alles één schuim.

Voor het centrum zelf bleef men bewaard; daar is het volkomen

windstil, en de zon kan er zelfs schijnen, maar de zee is er

wonderlijk onregelmatig en loopt woest en wild dooreen, zoo dat

alles erin kapot gaat. Nu ankerde de »München« den volgenden morgen

op de reede van Saipan, die nu aan de windstille zij van het eiland

lag. Met de landing ging het voorspoedig. De wederverschijning van

den postmeester en de zijnen wekte groote vreugde op het eiland.

Op den Uitkijk, Jaargang 1909 Bijblad bij De Aarde en haar Volken · 第 94 / 353 题