STANDBEELDEN VAN KONINGEN VAN DAHOMEY

In vroeger tijden hield zich de openbare meening in Europa meermalen

met het koninkrijk Dahomey in West-Afrika bezig. Het negerrijkje werd

bestuurd door een vorst met onbeperkte macht, die te zijner bescherming

naast het gewone leger een sterke lijfwacht van strijdbare vrouwen,

van amazonen, onderhield.

Dat was een eigenaardigheid, maar meer nog werd de aandacht gevraagd

voor de gruwelijke wreedheden in de zeden van het volk, dat alle

mogelijke feesten met menschenoffers vierde. Ten slotte was het met

koning Behanzins macht gedaan, toen Frankrijk in het gebied zijn

invloed liet gelden; koning Behanzin werd gevangen genomen, naar

Martinique verbannen, en in zijn plaats werd een schijnkoning gesteld,

die zich naar de inzichten van de vreemdelingen moest gedragen.

Aan het oude Dahomey herinneren thans drie standbeelden, die onlangs

als belangrijke aanwinsten zijn verkregen door het Trocaderomuseum,

het ethnographische namelijk, te Parijs. Het zijn geen beelden, die

de trekken van de koningen vereeuwigen, maar symbolieke figuren. Het

eene houten beeld stelt koning Geto voor, die in de jaren 1818 tot

1858 regeerde; het is niet onbeschadigd, want het veeren omhulsel

ontbreekt. Op de menschelijke gedaante, die in de opgeheven rechterhand

een zwaard zwaait, ziet men metalen plaatjes en spijkers, waaraan

de veeren bevestigd zijn geweest, waarmee de figuur oorspronkelijk

bedekt was, want de vorst had bij zijn leven den bijnaam van den haan.

Het tweede beeld stelt den opvolger van Geto, koning Glele voor,

met den bijnaam van den leeuw. Daarmee in overeenstemming heeft de

menschengedaante den kop van een leeuw.

Het derde eindelijk stelt den door de Franschen onttroonden koning

Behanzin voor, wien de bijnaam de haai was gegeven. Men kan er een

vischvorm met menschelijke armen en beenen in herkennen.

Ter verklaring van deze eigenaardige voorstellingen zijn we

aangewezen op gissingen. Maar als men in aanmerking neemt, dat in

Dahomey verschillende dieren, als slangen, panters en andere dieren

als goden werden vereerd, en dat de koning voor het volk als een

soort van god was, dan is het duidelijk, dat de figuren godsdienstige

beteekenis hadden.

Op den Uitkijk, Jaargang 1909 Bijblad bij De Aarde en haar Volken · 第 93 / 353 题