OVER EEN HOEKJE VAN NIEUW-NEDERLAND.

Nu onze kolonisatie in Noord-Amerika in de 17de eeuw dit jaar sterk de

aandacht tot zich zal trekken, daar het driehonderd jaar geleden is,

dat Hudson de naar hem genoemde rivier opvoer, en groote feesten den

gedenkdag zullen vieren, is het artikel van den heer R. P. J. Tutein

Nolthenius in de Gids van Januari al dadelijk door actualiteit

belangwekkend, maar het zou ook zonder dien glans der toevallige

aansluiting bij het heden een zeer interessant artikel wezen.

Het behandelt een engelsch werk, waarin oude papieren en bescheiden

zijn herdrukt, betrekking hebbende op een landbouwkolonie in de

buurt van Nieuw-Amsterdam, het latere New-York. Na de oprichting

der West-Indische Compagnie werden namelijk in het te kolonizeeren

Noord-Amerika groote stukken land uitgegeven aan kapitalisten,

die er een kolonie mochten stichten en er bestuursrechten mochten

uitoefenen. Over de jaren 1630 tot 1643 nu loopen de thans uitgegeven

papieren, de »Rensselaer Bowier manuscripts", betrekking hebbend

op de kolonie Rensselaerswyck, waarvan de amsterdamsche juwelier

Kiliaen van Rensselaer, wonend aan de Keizersgracht tusschen Harte- en

Wolvenstraat, »Patroon« was, zooals de landondernemers werden genoemd.

De ondernemer is nooit in zijn kolonie geweest, maar bestuurde

van uit Amsterdam het geheel met angstvallige zorg, alles tot in

kleinigheden regelend. Tot de kolonisten behoorden menschen van

allerlei nationaliteit. Zoo waren in de eerste groep twee Noren,

een Zweed, twee Nijkerkers, twee Soestenaars en een Amersfoorter;

het volgend jaar gingen drie Noren, een Deen, een Pommeraan, twee

Zeeuwen, een Fries en een Gelderschman.

Als vertegenwoordiger van den Patroon trad er op Arent van Corlaer,

diens neef, die eerst heen ging als achttienjarig assistent van den

vertegenwoordiger. Aardig is het, te lezen, dat die Arent zich zoo

gezien maakte bij de Indianen, dat aan zijn geslachtsnaam dezelfde eer

te beurt viel als aan Caesar, naar wien alle keizers zich noemen,

want langen tijd werden alle gouverneurs van New-York door de

Indianen met den titel »Corlaer« aangeduid. De documenten zijn in

het Engelsch uitgegeven door den heer A. J. F. van Laer, delftsch

ingenieur, thans oudheidkundige en archivaris aan de New-Yorksche

Staatsbibliotheek. Deze hoorde er van in 1902, toen de schrijfster

Ruth Putnam erover schreef in een amerikaansch blad, »The Biographer«,

waar ze meedeelde, dat er diefstal was gepleegd met de belangrijke

historische papieren.

Het is wel opmerkelijk, dat die schrijfster, die zoo goed onze historie

kent, ook hier de helpende hand heeft geboden, want door haar bericht

kwam de heer Van Laer de documenten op het spoor, die door misbruik

van vertrouwen in verkeerde handen geraakt waren. Ze hadden te voren

reeds een punt van onderzoek uitgemaakt voor onzen amsterdamschen

archivaris Nicolaas de Roever, wien ze ter hand waren gesteld door

den vice-admiraal, jhr. M. W. van Rensselaer-Bowier, wiens moeder

als laatste nederlandsche van Rensselaer ze bezat. In »Oud-Holland«

heeft de heer de Roever er nog de aandacht op gevestigd, maar andere

werkzaamheden en zijn spoedig daarop gevolgde dood verhinderden de

voltooiing van den arbeid.

Dat ze nu uitgegeven zijn, die copieën van brieven, contracten en

andere op de kolonie Rensselaerswyck betrekking hebbende stukken,

maakt het ons mogelijk, een aardig kijkje te krijgen in het uit

zeer bescheiden begin zich tot een bloeiende kolonie ontwikkelende

stuk land, dat grooter was dan de provincie Drente en zich langs de

Hudson uitstrekte 45 kilometer ver, van New-York zoo ver verwijderd

als Keulen van Rotterdam; een vruchtbaar, waterrijk land van bosschen

en heuvels met een vreedzame inlandsche bevolking.

Omtrent de verhouding van de Patroons tot de Compagnie, van wie

ze oorspronkelijk de gelegenheid hadden gekregen, om geld in

landbouwondernemingen te steken, geven de documenten velerlei

wetenswaardigs, waarop de heer Tutein Nolthenius niet nalaat de

aandacht te vestigen, evenals op de latere historie der kolonie, die

eindigde met den overgang van het land in engelsche handen tijdens het

patroonschap van een der zoons van Kiliaen, Jeremias van Rensselaer.

Op den Uitkijk, Jaargang 1909 Bijblad bij De Aarde en haar Volken · 第 89 / 353 题