KLEIN-AZIË EN DE BAGDADSPOORWEG.

Klein-Azië en de Bagdadspoorweg. Indrukken van een

verkenningstocht door Klein-Azië door J. H. Cohen

Stuart. Amsterdam. J. H. de Bussy, 1909.

Welk tijdschrift het is, zegt de schrijver niet, maar er is een

tijdschrift geweest, dat den auteur plaatsing van zijn actueel artikel

toezegde, maar daarna het manuscript een vol jaar in portefeuille

hield. Dat was natuurlijk alleronaangenaamst voor den schrijver,

wiens werk om weer volkomen up to date te worden, moest worden

aangevuld, toen hij dan maar besloot tot de uitgave als afzonderlijk

boekje. Intusschen is er wel kans, dat het in dezen vorm meer lezers

zal vinden dan wanneer het broederlijk met veel stukken van anderen

aard door de portefeuilles van leesgezelschappen wandelde, een graf,

waarin de artikelen ongelezen rusten, zooals Heyermans meent in zijn

praatje met Brusse, met wien hij weet, de eer te deelen van wèl te

worden gelezen.

Het is een belangwekkend geschrift over een gedeelte van het Turksche

Rijk, dat voortdurend meer de aandacht zal trekken. Zijn belangstelling

in den Bagdadspoorweg deed den heer Cohen Stuart besluiten op zijn

verlofreis van Calcutta naar Nederland den weg in te slaan, die door

Klein-Azië leidt, en daarbij, voor zoo ver dat mogelijk is, gebruik te

maken van den Bagdadspoorweg. Een duidelijk kaartje achterin het boekje

wijst de route aan, die gevolgd werd en waarbij het eind tusschen

Mersina, even ten westen van de golf van Alexandrette of Iskanderoen,

en Adana per spoor, dat van Adana in noordwestelijke richting naar

Eregli per turkschen reiswagen of araba in drie dagen werd afgelegd,

en dat van Eregli weer noordwestelijk naar Haidar Pacha tegenover

Konstantinopel weer per spoor kon worden gedaan.

Maar comfortabel was het reizen in den trein al evenmin als dat

per araba, en gemakkelijk waren de plaatselijke autoriteiten ook

al niet. Eén passagierstrein rijdt per dag in elke richting op den

Anatolischen spoorweg, en van nachttreinen en restauratiewagens is

nog geen sprake, zoodat de reizigers te Konia en te Eskesjir moeten

logeeren in door de spoorwegmaatschappij gebouwde hotels.

De vooruitzichten voor den Bagdadspoorweg en zijn verhouding tot de

andere lijnen in Klein-Azië, die in engelsche en fransche handen zijn,

worden door den schrijver uitvoerig uiteengezet. Omdat men Duitschland

wel eens ervan heeft verdacht van »expansie« te zoeken in Klein-Azië,

deed de heer Cohen Stuart er zeker goed aan, erop te wijzen, dat deze

duitsche spoorweg overal fransche en turksche opschriften heeft; dat de

spoorwegambtenaren haast zonder uitzondering Fransch sprekende Grieken,

Italianen of Levantijnen zijn; dat zelfs de ingenieurs en inspecteurs

voor een deel Franschen en Zwitsers zijn en dat het spoorhotel te

Konia door een Franschman beheerd en men er door grieksch personeel

bediend wordt.

Voorloopig eindstation van den Bagdadspoorweg is de halte Boelgoerloe,

een eenzame en verlaten post, station zonder stationschef of

personeel of materiëel, zoodat niets er doet denken aan een spoedige

voortzetting van het werk. Een uur ten westen van Boelgoerloe is het

feitelijke eindpunt bij het stadje Eregli, maar daar het voor den

concessionaris van financiëel belang was, de eerste sectie van den

spoorweg ook inderdaad geheel te voltooien, heeft men de rails nog een

eind de steppe in gelegd. Zelfs laat de maatschappij dagelijks een

trein zonder een enkelen passagier of een enkel stuk goed tusschen

Eregli en Boelgoerloe loopen, om de 4500 francs »exploitatiekosten«

te kunnen declareeren.

Op den Uitkijk, Jaargang 1909 Bijblad bij De Aarde en haar Volken · 第 84 / 353 题