Henri Borel heeft een paar mooie foto's aan »De Week« van
30 Januari gestuurd met een kort bijschrift. Ze betreffen een
liefdadigheidsvoorstelling te Soerabaya, waar chineesche dames uit de
kringen der notabelen dansten en zongen en een operette opvoerden. De
schrijver ziet terecht in het optreden van die »Chineezinnetjes«
een bewijs van den snel ontwakenden emancipatiegeest onder de bloem
der chineesche vrouwenwereld.
Dat ook de heeren langstaarten, en niet alleen de dames, zich meer en
meer gaan voelen en in de indische maatschappij van hun beteekenis
en hun invloed blijk geven ook tegenover de blanke bevolking, wordt
op gevoelige manier den hollandschen koopman en industriëel aan het
verstand gebracht door den boycot, dien de chineezen tegen enkele in
hun oogen verkeerd handelende firma's in toepassing brengen.
Die boycot wordt als zoo nadeelig beschouwd, dat men reeds aan
de regeering om tusschenkomst heeft gevraagd, maar natuurlijk
zonder succes. Het zou ook te dwaas zijn, als van bovenaf werd
ingegrepen, nu dit economische verschijnsel, dat langs natuurlijken
weg zijn verloop moet hebben, toevallig enkele invloedrijke personen
benadeelt. Aaneensluiting van de zijde der tegenpartij zal het uit
den aard der zaak voortvloeiend verweer moeten zijn.
Het is een lastige tijd voor ons daarginds. Een curieus staaltje van
verhoudingen en opvattingen, waar wij nog aan moeten wennen, lijkt
ook de meening, in een circulaire van de inlandsche vereeniging
Boedi Oetomo uitgesproken, dat de inlanders toch om vooruit te komen,
wat meer aan handel en industrie moeten doen, niet zoo met trotsche
minachting op koopmanschap moeten neerzien. De kooplieden moeten
in deftige kringen worden opgenomen, net als bij de Europeanen het
geval is, 't is een verkeerde trots, den neus op te halen voor den
koopmanstand, dat moeten de inlanders begrijpen. Ze kunnen het van
de Europeanen leeren!