SPITSBERGEN.

Spitsbergen wordt bepaald een toeristenland, zoo sterk neemt jaar

op jaar in den zomer het aantal bezoekers toe, die het vermaak der

wintergenoegens daar in den zomer komen zoeken. Er worden bovendien

zelfs in den winter jachtexpedities heen ondernomen, die te water

en te land de pelsdieren achtervolgen, en daar men het ook ernstig

gaat meenen met den bergbouw, waar reeds een begin mee is gemaakt,

wordt het langzamerhand zeer wenschelijk, dat er een regeling plaats

vinde van de volkenrechtelijke positie der tot nu toe niet aan eenige

mogendheid toebehoorende eilandengroep.

Noorwegen heeft al bij sommige gelegenheden bij de andere mogendheden

daar een balletje van opgeworpen, want dat land stelt veel belang in de

toestanden, die op Spitsbergen heerschen, daar het grootste deel der

industriëele ondernemingen van jacht, vischvangst en bergbouw wordt

uitgeoefend door onderdanen van het jonge koninkrijk Noorwegen. Ook

door zijn ligging schijnt Noorwegen in de eerste plaats geroepen,

het oppertoezicht op Spitsbergen uit te oefenen, hoewel het land

zich tot nu toe van alle mogendheden de minste opofferingen heeft

getroost voor het onderzoek der groep, maar wel de resultaten van

het werk der anderen, vooral van Zweden, zich heeft ten nutte gemaakt.

Door Zweden is dan ook ernstig bezwaar gemaakt tegen de opperhoogheid

van Noorwegen over den Spitsbergen-archipel, en dus is het te

verwachten, dat op de aanstaande conferentie van de bij Spitsbergen

belang hebbende mogendheden Noorwegen slechts met het politietoezicht

zal worden belast.

Het zou wel wenschelijk wezen, als dan meteen door de aanstaande

conferentie een andere vraag wordt opgeworpen, die voor alle

wetenschappelijke poolexpedities van groote beteekenis is. Men moest

namelijk aan de conferentie de gelegenheid geven, aan het doelloos

slachten van het wild door jachtexpedities in arctische streken een

eind te maken. Aan zulk een moord in massa is waarschijnlijk het

verongelukken van Dr. Mylius Erichsen en zijn beide tochtgenooten toe

te schrijven, toen ze in Oost-Groenland waren, daar in die buurt door

engelsche en amerikaansche jachtgezelschappen in de laatste jaren de

walrussen en de muskusossen zoo sterk verminderd zijn, dat de Deensche

expeditie onmogelijk genoeg hondenvoer kon krijgen.

In Augustus van het jaar 1908 is een engelsche jachtonderneming

van den bekenden sportliefhebber C. V. H. Peel, waaraan ook enkele

duitsche jagers deelnamen, van Frans-Jozefsland teruggekeerd, waar

ze in weinige dagen niet minder dan 20 ijsberen, 39 zeehonden en

een groot aantal poolvossen hadden neergelegd. Het onderzoek van het

onbekende Noorden heeft bij zulke slachtingen al even weinig belang

als de natuurwetenschap.

Op den Uitkijk, Jaargang 1909 Bijblad bij De Aarde en haar Volken · 第 73 / 353 题