AAN DE ANDERE ZIJ VAN DEN POOLCIRKEL.

De treinen, waarmee men van Stockholm naar Lapland reist en die den

reiziger dan voor 36 uren een onderkomen verleenen, zijn het best te

vergelijken bij een uitstekend hotel op raderen, een hotel, waarin

het iemand aan niets behoeft te ontbreken. Rustig zittend in den

gemakkelijken fauteuil in het rooksalon, ziet men de afwisselende

natuurtooneelen voorbijglijden. Na anderhalf uur rijdens houdt de

trein in het oude Upsala stil en in dien rusttijd kan men zich in de

eetzaal van het station versterken voor den nachtrit.

Den volgenden morgen is men al in het gebied van de Inndal- en

Angermanna-elf en heeft uit het coupévenster een verrukkelijk

uitzicht. Als breede zilveren strepen glijden de rivieren door

de liefelijke dalen, en vaak dreunt het snelstroomende water bij

versnellingen boven het gerommel van den trein uit. Zwedens rijkdom,

zijn bergen en trotsche wouden schitteren in den zonneschijn en gaat

men in den vollen zomer, bij voorbeeld half Juli, dan bloeit overal

de sering nog in volle pracht. Tegen elf uur 's avonds is men dan in

Boden en daarmee in het gebied der dagheldere nachten. De ongewone

lichtheid op een zeer laat uur houdt de reizigers uit den slaap en

doet hun alle vermoeidheid vergeten.

Den volgenden morgen vroeg ziet men het doel der reis, Abisko aan de

Torneträsk. De natuur ziet er daar al anders uit; de dennen worden

kleiner en nietiger en verdwijnen ten slotte geheel. Alleen de berk

houdt stand, maar ook zijn groei draagt de sporen van den harden

strijd, dien hij heeft te voeren tegen het ongunstige klimaat. Midden

Juli kan het zeer warm wezen, maar drie weken te voren was alles nog

met sneeuw en ijs bedekt. De spoorweg loopt langs de Torneträsk,

het grootste meer in Lapland. Met zijn prachtige groene kleur,

zijn volkomen helderheid, behoort het tot de mooiste meren van

Zweden. Trotsche bergreuzen spiegelen zich erin.

In Abisko aangekomen, vindt men in dien tijd dikwijls het door de

zweedsche Toeristenvereeniging opgerichte hotel overvol, hoewel er 106

bedden zijn. Vroeger was er intusschen niets van een gelegenheid tot

logeeren, en de toeristen namen tenten, proviand en bedden mee. Het

Toeristenhuis heeft een wondermooie ligging. Rechts heeft men uitzicht

op het meer, dat door de Zweden hun Lago Maggiore wordt genoemd, en

links heeft men de keten der Abisko-Alpen. De schoonheid van deze

Alpen verschilt veel van die der andere, meer bekende Alpen. Hier

geen scherpe kammen en koppen; met zachte omtrekken rijzen de bergen

rondom de blauwe meren.

Daar naar boven te klimmen, om de middernachtszon te bewonderen, is

een uitgezocht genot. Natuurlijk verzuimen de reizigers niet, een

bezoek te brengen aan het kamp van Lappen in de buurt van Abisko,

waar een tiental tenten of kators verstrooid liggen. Daartusschen

de magere koeien en geiten, die het schrale gras eten. De Lappen

in hun schilderachtige dracht houden zich soms, alsof ze er veel op

tegen hebben te worden gephotografeerd. Maar velen van hen noodigen

de bezoekers in hun tent en dan heet de vrouw de gasten met den

laplandschen groet »burus, burus« welkom, en schenkt een zeer goed

drinkbare koffie. Op den met berkenloof bedekten vloer gaat men

dan maar, zoo goed men kan, zitten. In het midden heeft de tent den

vuurhaard, die uit eenige steenen bestaat, een paar kussens voor den

nacht en rendiervellen, die ter bedekking dienen.

De mannen leiden in den zomer een idyllisch bestaan; ze rooken,

slapen, eten en hangen in de bergen wat om, terwijl alle werk op de

vrouw aankomt. Ook de schilderachtige kleedingstukken worden door

haar gemaakt en de kunstige borduurwerken maken ze met naalden,

van rendierbeenderen vervaardigd, en met draden uit de gedroogde

darmen van die dieren. De rendieren zijn de rijkdom der Lappen;

wie iemand naar de grootte zijner kudde vraagt, is even onbeleefd,

als wie ten onzent iemand zou vragen naar de grootte van zijn vermogen.

In den winter begint voor de Lappen de werkperiode. Dan gaan ze,

van lasso's en proviand voorzien, door hun trouwe, verstandige honden

vergezeld naar de bergen, om hun rendieren bijeen te drijven en dan

met de kudden het winterkamp te betrekken, dat meestal ver van het

zomerkamp verwijderd is. Door de aanraking met de toeristen zijn

de Lappen van Abisko al ver van primitief meer, en de handel in de

voorwerpen, die bij hun eigen typisch leven behooren, gaat hun zoo

knap af als den slimsten europeeschen koopman.

Op den Uitkijk, Jaargang 1909 Bijblad bij De Aarde en haar Volken · 第 49 / 353 题