ALBANIË EN DE ALBANEEZEN.

Onder de vele volksstammen, die Macedonië bewonen, en wier onderlinge

twisten zooveel hebben bijgedragen tot de vreedzame omwenteling van

dezen zomer in Turkije, nemen de Albaneezen de eerste plaats in. Wel is

waar, worden ze in aantal overtroffen door de Serviërs, in beschaving

door de Grieken, in gezag en invloed door de Turken; maar geen van deze

naties biedt Europa zooveel moeilijkheden te overwinnen aan, als het

wil trachten, hervormingen in te voeren en geen volk is moeilijker tot

onderwerping te brengen dan de Albaneezen. In de kabinetten moge men

al met vrij groote zekerheid het lot der anderen hebben beslist, het

staat den mogendheden nog bij lange na niet duidelijk voor den geest,

wat er van Albanië en zijn bewoner op den duur moet worden. Kort na

den staatsgreep van Oostenrijk-Hongarije in zake Bosnië en Herzegowina

heette het dat Albanië zich onafhankelijk ging verklaren. Maar het

voorbeeld van Bulgarije en Kreta tot afscheiding van Turkije is

niet door Albanië gevolgd. Integendeel. In een onlangs verschenen

proclamatie hebben de Albaneezen na een te Monastir gehouden congres

hun aanhankelijkheid aan Turkije betuigd. Ze hebben daarbij echter

bij voorbaat verzet aangeteekend tegen elke schadeloosstelling, die

aan Servië of Montenegro ten koste van Albaneesch grondgebied mocht

worden toegekend.

Albanië is een groot land, bijna zoo groot als Beieren, dat ingesloten

ligt tusschen een wal van bergen van gemiddeld 2000 M. hoogte en,

als natuurlijke vesting beschouwd, veel ontoegankelijker is dan

Zwitserland en noch naar de zijde der Adriatische Zee, noch naar

den kant van Macedonië passen of toegangswegen heeft. Zoo min als

de Grieken Albanië konden veroveren, zoo min is dat aan de Romeinen

gelukt; de barbaarsche Serviërs en Bulgaren stieten vóór Albanië het

hoofd en tegen de Turken hielden de Albaneezen tot op heden stand.

En zij hebben een zeker recht op hun bergachtig land, bewoond door

het oudste volk van Europa. Zij zijn de oudste stam der Ariërs, en

hun taal, die aan het Sanskriet verwant is, wijst hen duidelijk aan

als zoodanig. Men herkent in hen het type der oude Grieken, zooals

het voor ons in de marmeren beeldhouwwerken uit den bloeitijd bewaard

is gebleven. Of men hen ziet in Konstantinopel als arbeiders of als

kawassen van de consulaten, als soldaten van des sultans lijfwacht

of als garde van koning George in het koningspaleis te Athene, dan

wel in hun vaderlandsche bergen, overal treft hun hooge gestalte,

hun krachtige lichaamsbouw, hun mannelijk en ernstig optreden.

Zij trekken veel naar den vreemde, omdat hun arm land hen niet allen

voeden kan, maar als ze een kapitaaltje hebben overgespaard, keeren

zij naar hun land terug. Vreemdelingen zien ze daar niet bijzonder

graag. Wel wonen in hun steden rondom het albaneesche hoofdgebergte,

in Janina, Ochrida, Uskub, Prizren, Ipek, Diacovar ook Grieken,

Serviërs en Bulgaren, maar ze zijn ver in de minderheid, hebben er

al van ouder tot ouder gewoond en spelen er een ondergeschikte rol.

Het gemakkelijkst komt men nog Albanië binnen over Monastir, dat,

hoewel het buiten de albaneesche grenzen ligt, toch ook als militaire

hoofdstad van Albanië moet worden beschouwd. Trouwens ieder Albanees

is krijgsman van origine; allen zijn steeds gewapend en wel met een

duchtig arsenaal van velerlei oorlogstuig. Daden van heldenmoed zijn

schering en inslag van de geschiedenis der Albaneezen. Daar weten

turksche bataljons van mee te spreken, ook daarvan, dat de albaneesche

vrouwen dapper meevochten. Die krijgshaftige geest heerscht vooral in

Noord-Albanië; Epirus en de streek rondom de mooie meren van Castoria

en Prespa, waar de Zuid-Albaneezen of Tosken wonen, zijn vreedzamer van

aard. Die bewoners van het Zuiden hebben veel grieksche woorden in hun

taal opgenomen, en het komt vaak voor, dat de Albanees uit Epirus den

stamgenoot uit Prizren of Diacovar niet verstaat. De grens tusschen

de beide deelen van Albanië ligt in de buurt van Monastir en Ochrida.

Daar ligt ook het mooie Ochridameer als een albaneesch Lago

Maggiore. Waren er in Albanië goede wegen en hôtels, was het niet

het eenige land in Europa, waar nooit de fluit van een locomotief

is gehoord, dan zou Ochrida het doel zijn van duizenden moderne

toeristen, Maar voorloopig leiden, van Sentare, Albanië's grootste

haven en handelsstad aan de Adriatische Zee, alleen zandige paden

voor rijdieren het binnenland in.

Op den Uitkijk, Jaargang 1909 Bijblad bij De Aarde en haar Volken · 第 48 / 353 题