"Ons eigen land". Tusschen Amsterdam en Arnhem, door Jan Feith.
Uitgegeven door den Algemeenen Nederlandschen Wielrijdersbond,
toeristenbond voor Nederland, ter gelegenheid van zijn
vijf-en-twintigjarig bestaan.
Hier hebt ge de zomerzon, in woord en beeld vastgelegd ter verheuging
van het heele nederlandsche volk! Wat een verrukkelijk boek van warmte
en licht, wat een schat voor hollandsche huiskamers! Natuurlijk heeft
de Sint er druk mee gewerkt, en overal waar hij het forsche stevige
boek onder kleinere cadeaux heeft neergelegd, zal het dadelijk alle
aandacht voor zich hebben opgeëischt, om die niet weer te verliezen,
want in dit prachtwerk bladeren is tevens er uren en uren aan
besteden. Men kan er eenvoudig niet afblijven, van die verrukkelijk
mooi uitgevoerde en met zooveel goeden en juisten smaak gekozen
beelden van den vaderlandschen grond.
Eén roep over de voortreffelijkheid is er dan ook in ons land over
het werk opgegaan. Wij ontvingen het eerst laat ter bespreking,
en wagen slechts met schroom, ons toontje nog te doen klinken in
de algemeene jubelouverture. Maar nu kunnen wij dan ook tevens aan
onze lezers meedeelen, dat het groote succes zich ook afspiegelt in
den verkoop, wat lang niet altijd in ons eigen land samengaat, maar
wat nu met dit »Ons eigen Land« dan op treffende wijze het geval is,
zoodat de van het eerste deel gedrukte 2500 exemplaren reeds zoo goed
als uitverkocht zijn.
In allerlei toonaarden is de lof gezongen van deze reeks, prachtig
uitgevoerde en prachtig gerangschikte foto's. Ze doen den fotografen,
wier namen in een lange lijst op een der eerste bladzijden prijken,
alle eer aan, en niet minder hun, die ze met zoo groote moeite
en zorg bijeengaarden, den heeren G. A. Pos en G. L. Hasseley
Kirchner. Wonderlijk mooi is het licht van een zomerdag hier
vastgelegd; men ziet, als het ware, de schaduwen bewegen in het grillig
spel van het gebladerte als op dat door de zon beschenen huis van
het dorp Zuilen tegenover blz. 10, op de Grebbehelling, te Wolfheze
en waar al niet meer! De plaatjes zijn zoo aantrekkelijk, dat het
haast moeite kost, te gelooven, wat Jan Feith op blz. 61 zegt, dat
de werkelijkheid »nog veel mooier is dan het meest glorieuse prentje.«
Maar hoe gelukkig voor zijn lezers, dat hij dat zeggen kan, want dat
gevoel heeft hem in staat gesteld, met zooveel geestdrift, dit lang
niet gemakkelijk werk te voltooien. De afbeeldingen zijn zoozeer
nummero één; ze doen het oog zoo aangenaam aan door de smaakvolle
omlijsting der bladzijden met die telkens afgebroken dubbele lijnen
en losse hoekpunten; ze zijn in hun verschillende vormen en formaten
zoo allerkeurigst geschikt, dat men den tekst erbij zou vergeten. Daar
echter waakt Jan Feith wel ter dege tegen.
Vooral nadat hij met zijn inleiding klaar is, die het eigenlijk al te
mooi wil maken met dat in het breede uitweiden over de woorden »ons«
en »eigen« en »land,« causeert hij zoo opgewekt en zoo belangwekkend om
de platen heen, al is hij soms wel eens ver af van ter plaatse zijnde
kiekjes dat hij u steeds weet te boeien. Bij zoo kolossaal veel tekst,
als hier moest worden gegeven, is het onmogelijk, dat die altijd en
overal even voortreffelijk kon zijn; maar er zijn werkelijk magnifieke
bladzijden in dit boek, voorbeelden van natuurbeschrijving, die zeker
moeilijk zouden kunnen worden overtroffen. En hoe aangenaam zijn de
historische herinneringen door den tekst gevlochten, hoe talentvol
is het tout dire vermeden, zoodat de klip van het vervelend worden
altijd is ontzeild! Hoe aardig is, waar Vianen ter sprake komt,
verteld van het slot der Brederodes, hoe mooi is de historie van de
oude Stichtdorpen weergegeven, en zoo op honderd plaatsen meer worden
ons de pilletjes geschiedenis in een zoet hapje toegediend.
Een enkelen keer had mogelijk de schrijver voor een standaard werk
als dit een ietsje kieskeuriger kunnen zijn. Dan was misschien dat
verhaal van den jaardag in Slangevecht, en hoe die in het dorp werd
gevierd, weggebleven, alleen om der proporties wille. Maar dan staat
daartegenover weer die voortreffelijke keuze van beschrijving van den
schaardag op dien heerlijken Meimorgen, als het vee naar de Meent
wordt gebracht, en die van den processiedag in Laren, ook zoo knap
gekozen en zoo meesterlijk beschreven.
En altijd ziet de schrijver even goed en helder, onverschillig,
of hij onderweg is per auto of per motorboot, te fiets of per pedes
apostolorum, met Barry, den Sint-Bernardshond tot gezelschap. En een
apostel is hij altijd van het schoone, het schoone in ons eigen land!