Diep tragisch is de plotselinge dood van den te Utrecht door
gasverstikking om het leven gekomen jongen dokter, J. E. Tehupeiory.
Hij was nog maar 26 jaar, en hij heeft reeds zooveel gewerkt,
terwijl er nog zoo groote verwachtingen op zijn leven mochten
worden gebouwd! Want hij was een baanbreker, een wegbereider voor
groepen menschen, voor wie de goede voorbeelden nog weinige zijn en
die aanmoediging noodig hebben, om in de wereld de plaats te leeren
innemen, die hun toekomt door karaktereigenschappen en geestelijke
gaven.
De inlanders in onze Oost leven op uit hun eeuwenlange verdooving
en het blijkt meer en meer, dat hun achterlijkheid niet inhaerent
is aan hun wezen, maar dat hen een schoone toekomst wacht, als ze
de ontwikkeling en het onderwijs krijgen, die al zoo lang aan de
blanke rassen zijn gegeven. Van het ontwaken der Javanen getuigt de
oprichting van den Bond van Javanen Boedi Oetomo, die wel verdient, dat
wij er hier in Nederland belang in gaan stellen en hem steunen, waar
het kan. Want langs dien weg van zelfwerkzaamheid voor de inlanders
ligt de way-out uit het vele verkeerde, dat al zoo lang reden tot
klagen heeft gegeven aan menschen, die ons Indië kennen en de wijze,
waarop ons regeeringsbeleid er werkt.
Tehupeiory was geen lid van Boedi Oetomo, want daar kunnen enkel
Javanen aan deelnemen, terwijl hij een Ambonees is, zoon van het
kloeke volk, dat ons altijd zulke uitstekende, trouwe soldaten heeft
geleverd. Zijn zin voor studie kwam al vroeg aan den dag, en de zending
heeft al lang genoeg op Ambon gewerkt, om te maken, dat hij in zijn
kinderjaren leeren kon. Als jongeling werd hij naar Weltevreden
gezonden ter Dokter-djawaschool en was er geregeld Nr. 1 van zijn
studieklasse. In schrijven heeft hij altijd veel behagen geschept, en
toen hem achtereenvolgens de leiding van een paar maleische couranten
werd toevertrouwd, was dat juist een kolfje naar zijn hand.
In 1902 verliet hij als Nr. 1 de inlandsche artsenschool, en zijn twee
jaren jongere broer was Nr. 2. Beiden deden in de week vóór Kerstmis
j.l. het artsexamen in Amsterdam.
J. E. Tehupeiory had in Indië al gepraktizeerd, eer hij naar Europa
kwam, om een nederlandsch diploma te veroveren. In Meester Cornelis
had hij een flinke praktijk, ook bij europeesche families, maar
toch verliet hij die gaarne voor de vereerende regeeringsopdracht,
om in 1903 als medicus deel te nemen aan de expeditie onder
controleur Van Walcheren naar de Boven Mahakam op het voetspoor
van Dr. Nieuwenhuis. In zijn boek »Onder de Dajaks" vertelt hij van
den tocht.
Daarna volgde de tijd van zijn studie in Amsterdam, waar hij met
zijn broer en zuster studeerde, de laatste zich voorbereidend voor
apothekeres. Bij de studenten waren de beide Amboneezen zeer gezien
en in verschillende besturen van vereenigingen onder het corps hadden
ze zitting. Het groote publiek hoorde nu en dan van de prestaties
van Tehupeiory, die nu gestorven is, o.a. toen hij te Leiden op het
laatste Taal- en Letterkundig Congres heeft gesproken over het hem
zoozeer ter harte gaande onderwerp, de toekomst der inlanders en de
verhouding der blanke westerlingen tot de bruine broeders.
Dan vernamen we, dat hij ook voor het Koloniaal Museum optrad
te Haarlem, waar hij een boeiende beschrijving gaf van zijn
Borneo-reis. Zuid-Nederland begon ook belang in hem te stellen, en als
niet de dood hem nu zoo wreed had weggerukt, zou hij spreekbeurten
hebben vervuld in verschillende belgische steden, waar men hem had
uitgenoodigd. Met zijn pas behaald artsdiploma zou hij zeker zijn
wensch, om als officier van gezondheid in dienst te mogen treden,
hebben vervuld gezien. Helaas, dat de sluiting van een hoofdkraan
van het gas in een hôtel, waar men zich niet had overtuigd, dat ieder
bekend was met de gewoonte, om in den nacht die kraan te sluiten, hem,
die het licht blijkbaar had willen laten branden, een vroegtijdigen
dood moest brengen!
Bij zijn begrafenis te Utrecht sprak Mr. C. Th. van Deventer een
woord van hulde en waardeering voor den gestorvene. Vrienden uit
het studentenleven eerden zijn nagedachtenis door een warm woord aan
zijn groeve te doen hooren en de heer Mr. Abendanon, oud directeur van
onderwijs in Indië, schetste zijn jong en werkzaam leven. Een bloemstuk
van het Amsterdamsch studentencorps werd op het graf gelegd. Treffend
was nog het woord, gesproken door een Batak, de heer Soeripada,
die te Leiden studeert en die erop wees, hoe de zonen van Insulinde,
die naar Nederland komen, in hem, in Tehupeiory, hun trots en glorie
stelden. De broer van den overledene dankte ook namens zijn moeder
voor de belangstelling, en het leed om het verlies werd ook nog
aan het graf vertolkt door een broeder van de jonge Hollandsche,
mej. Graanboom, die beloofd had, Tehupeiory's vrouw te worden.