EEN UITSTAPJE NAAR DE DIAMANTVELDEN BIJ LÜDERITZBUCHT.

Lüderitzbucht in Duitsch Zuidwest-Afrika lag nog in diepen slaap,

toen om zes uur in den morgen de duitsche dokter B. Meltzer zich in

de eerste grauwe morgenschemering naar buiten begaf. Hij had het plan

een bezoek te brengen aan de diamantvelden. Er was volkomen stilte

in de lucht, want de wind steekt nooit vóór even voor den middag op,

en alleen van de baai af klonk het eentonige ruischen der nimmermoede

branding.

De huizen van één verdieping in het plaatsje steken vreemd af tegen

het blauw-groen van de lucht, waar een flauw licht in het Oosten de

plaats der opgaande zon verraadt. De schreden van den dokter knarsten

in het diepe zand, toen hij het station naderde, als men een loodsje

met bedekking van gegolfd plaatijzer zoo mag noemen. Daar heerschte

al veel levendigheid; men hoorde het fluiten en stoomen van een

rangeerende locomotief, het geluid der tegen elkaar stootende buffers

en het roepen der remmers. Op het perron zijn reeds de deelnemers

aan den tocht bijeen; er worden begroetingen gewisseld, lachend en

schertsend wenscht men elkander een goede vondst, waarna de trein

komt en men in de compartimenten klautert.

Thans bemerkt men weer recht, in Afrika te zijn, want ofschoon de

trein, die de eenige is voor den geheelen dag, voor de reis naar

Keetmanshoop twee dagreizen noodig heeft, heeft men geen kussens

in de wagens, of rijtuigen, waarin men zich eens vertreden kan en

van restauratiewagens is natuurlijk in het geheel geen sprake. Twee

kleine goederenwagens moeten voor alles dienen. De helft van zoo'n

wagen heeft een rondloopende bank; de andere helft is voor de bagage

bestemd. Een balk dwars voor de opengeschoven deuren aan elken kant

moet beletten, dat de reizigers uit den wagen vallen, voilà tout.

Menschen, die wat ervaring in zake reizen hebben, nemen een vouwstoel

mee of laten zich, als er plaats is, een bed opslaan in een der echte

goederenwagens, waardoor ze voor weinig geld een eigen salonwagen

hebben. Wat wil men meer! Veel vijven en zessen heeft men daarginds

niet, en van eenige voogdijschap, door het treinpersoneel over de

passagiers uitgeoefend, zooals in Europa, is daar geen sprake. Ieder

richt zich zoo gemakkelijk mogelijk in, en of hij 25 of 100 kilo

bagage heeft, dat doet er niets toe.

Terwijl de trein in wijde bochten de aanzienlijke stijgingen overwint,

heeft de dokter tijd, om, met den kraag in de hoogte en stevig gehuld

in zijn mantel, want het is koud op de hoogte, zijn medereizigers

op te nemen. Het zijn meestal jonge, krachtig gebouwde menschen,

gekleed zooals het doelmatigst is bij het rijden over klippen en door

doornig struikgewas, een breed geranden, slappen hoed, een grijs of

bruin pak van een touwachtige stof, rijbroek en rijlaarzen, en in

de hand de onvermijdelijke zweep van nijlpaardeleer. Er was ook een

dame bij het gezelschap. Tegenover haar zat een jonge Boerenvrouw

met haar man, die naar hun farm teruggaan. Daar ze door een lid

van het zendinggenootschap aan den trein werden gebracht, is het

waarschijnlijk, dat ze den vorigen dag, een Zondag, hebben gebruikt,

om den eeredienst bij te wonen.

Intusschen is de zon opgegaan en plotseling wordt het warm. De trein

is al aardig hoog geklommen en rijdt nu tusschen woeste klippen,

waartusschen door men met springstoffen voor den weg plaats heeft

moeten maken. Het zuidwestafrikaansche kustlandschap heeft het

eigenaardige, dat de heuvelketens achter elkaar liggen en dat het de

reizigers vermoeit, telkens weer nieuwe heuvels te zien verrijzen,

die alle op elkander gelijken. Zoo gaat het 150 kilometer ver, tot

op het hooge plateau, waar boomen en grassteppen zijn.

Het reisgezelschap naar de diamantvelden moest te Kolmans Kop

uitstappen bij een loods van gegolfd plaatijzer. De grond is daar

reeds diamanthoudend. Een reusachtige vlakte strekte zich aan

weerskanten van den spoorweg uit, heel in de verte door klippen

afgesloten. Men liep over een vrij vasten bodem, want in den nacht was

er dauw gevallen, waardoor de bovenste laag van het grofkorrelige zand

vochtig was. Tusschen het zand flikkert het van miniem kleine stukjes

diamant, zoo klein, dat men ze niet kan aanvatten. De bovenste lagen

van dit zand bestaan voor het grootste gedeelte uit edele steentjes,

niet grooter dan een speldeknop, topazen, granaten en andere, die

in den loop der jaren door het erdoor gevoerde fijne stof tot hun

tegenwoordige kleinheid zijn afgeslepen. In deze vlakte vindt men

diamanten reeds een duim onder de oppervlakte; als men het zand door

de hand laat vloeien, herkent men terstond het glinsteren van het

kostbare gesteente.

Hoe het er dieper in den grond uitziet, wie weet het! Een rationeele

boring wordt thans beproefd op enkele aan de spoorwegmaatschappij

behoorende gedeelten; maar men kan niets zekers vernemen over de

resultaten.

Het gezelschap verspreidde zich, omdat ieder op een hem of haar goed

lijkende plaats ging zoeken, terwijl de dokter met twee metgezellen

verder ging, om een paal en bord in den grond te slaan, waar ze wilden

prospecteeren. Tegen betaling van 63 mark krijgt men namelijk van de

Kolonialgesellschaft het recht, zich een kring van twee kilometer

middellijn uit te zoeken, waar men dan, na opstelling van een

aanwijzing, de zoogenaamde Schürftafel, mag zoeken naar diamanten voor

den duur van een halfjaar. Blijken de gekozen plaatsen voordeelig, dan

moet men voor het exploiteeren van een veld van vijftig vierkante meter

216 mark betalen. Als zij wil, kan echter de maatschappij in plaats van

die som ook wel 2.25 procent eischen van de bruto opbrengst per jaar.

De onderneming is niet zoo heel eenvoudig. Daar namelijk de plaats van

den paal minstens twee kilometer van dien van een buurman verwijderd

moet zijn, moet er geducht opgepast, om een reeds geschonken

claim niet over het hoofd te zien. De dokter met de twee gezellen

verspreidden zich met een afstand van ongeveer 1 tot 1½ kilometer

en gingen exploreeren. Van tijd tot tijd werd de omgeving eens met

den kijker afgezocht; reeds meende men een geschikte plaats te hebben

ontdekt, daar verkondigt een nauwelijks zichtbare witte vlek ter halver

hoogte op een klip, dat ze reeds over vreemden grond liepen. Dus maar

weer verder.

Het werd warmer en warmer, en de mantels, de proviand-tasschen en de

paal met bord begonnen zwaar te drukken op de vermoeide leden. Maar

ze wilden niet rusten, eer ten minste de helft van hun taak was

afgeloopen. Daar is weer een veelbelovend dal met grof, blinkend

kiezel en blauwgrijze grond, maar ook al weer in de verte de paal en

het bord! Terwijl het drietal aan het beraadslagen was, of ze deze

of wel die richting zouden inslaan, bemerkten ze in een laagte achter

een paar rotsblokken een tent. Spoedig was men ter plaatse. Het waren

drie Amerikanen, geoefende prospectors, die al in de Kaapkolonie hun

knapheid hebben getoond, en die nu in opdracht van een grondbezitter

uit Lüderitzbucht diens grond onderzochten.

De manier, waarop men daarbij te werk gaat, is hoogst eenvoudig;

met een houweel wordt de grond losgemaakt, in een groote zeef wordt

die van het fijne zand en stof bevrijd, dan doorgespoeld met water,

dat per muildier uit Lüderitzbucht moet worden aangevoerd, en het

grove kiezel wordt dan op een houten tafel doorzocht. De buit is nog

niet bijzonder groot, ongeveer acht tot twaalf kleine diamanten per

dag, dingetjes van de grootte eener erwt en van zeer verschillenden

vorm en kleur. Enkele zoo regelmatig, alsof ze reeds geslepen waren,

andere kantig en onregelmatig en nog weer andere schijnbaar van een

grooteren diamant afgesprongen.

Op de vraag van den dokter kwam als antwoord, dat vóór hen alles al

bezet was, en dat alleen aan den overkant van de klippenreeks nog kans

bestond op niet bezette velden. Dus weer vooruit! Na drie kwartier

van moeilijk klimmen was men aan de overzij, en daar was na zorgvuldig

zoeken geen teeken van inbezitneming door anderen te zien. Vlug dus den

eersten paal in den grond geslagen. Die staat er gelukkig. Een blik

op het horloge, half elf, wat op het bord moet worden aangeteekend,

zegt hun echter dadelijk, dat er maar een kwartiertje overschiet voor

het ontbijt, als ze den trein nog willen halen.

Waar ze stonden, gingen ze languit op den grond liggen, rustten uit

en versterkten zich met broodjes, een koude côtelet, hardgekookte

eieren en een flesch Harzer Sauerbrunnen. Daarna werd de plek met de

omgeving gephotografeerd, opdat geen ongeroepene den paal zou kunnen

verzetten, en verder gaat het met veel lichter bagage langs de reeks

klippen in een wijden boog weer naar het station.

Op den terugweg werden nog vier andere palen opgesteld. Toen de dokter

bij den laatsten op mechanische wijze het zand tusschen de vingers

liet doorvloeien, terwijl de anderen aan het photografeeren waren,

blonk er plotseling hem iets in de oogen. Hij nam het blinkende

voorwerp voorzichtig eruit en, hoera! het was een diamant. Als een

flinke groote erwt, bijzonder regelmatig, deed de vondst zich voor

en riep bij de begeleiders van den dokter kreten van bewondering op

om de mooie heldere kleur. Dus hadden ze toch nog een vondst op dien

dag! En daarna ging het met versnelden pas terug, want als ze den trein

misten, moest er zeventien kilometer door het zand worden gebaggerd,

en wat dat wil zeggen, weet alleen hij, die in Zuidwest-Afrika of

aan het strand groote tochten te voet heeft gedaan.

De zon brandde, en de voeten zonken diep in het losse zand, dat

kurkdroog was geworden. Eindelijk, eindelijk kwamen ze over een

kleinen kam en zagen aan het eind der vóór hen liggende vlakte het

kleine stationsgebouw, schijnbaar slechts tien minuten ver. Maar

de lucht is in Zuid-Afrika zoo zuiver, dat men voortdurend de

afstanden onderschat. Nog drie kwartier van moeilijk marcheeren

door het zand was er noodig, eer de heeren het vurig verlangde doel

bereikten. In de schaduw van het gebouwtje lagen reeds de anderen

van het reisgezelschap. Onder de tien menschen werd de conversatie in

niet minder dan drie verschillende talen gevoerd, Duitsch, Engelsch en

Kaap-hollandsch. Er was dien dag niet veel gevonden in tegenstelling

met den vorigen dag, toen bijna ieder deelnemer de een of andere

mooie vondst had gedaan, eenige robijnen en een topaas, zoo groot als

een hazelnoot. Den eenigen diamant had de dokter gevonden. Maar er

waren in de voorafgegane weken in het geheel ongeveer 1200 diamanten

buitgemaakt, en alles doet vermoeden, dat voor het Zuiden van de

kolonie Duitsch Zuidwest-Afrika een nieuwe bron van inkomsten is

gevonden. Mocht de wensch van dokter Meltzer vervuld worden, dat men

met behulp der regeering tot een rationeele exploitatie overging!

Op den Uitkijk, Jaargang 1909 Bijblad bij De Aarde en haar Volken · 第 10 / 353 题