Het beslag, dat de Bulgaren gelegd hebben op den spoorweg door
Oost-Roemelië, brengt allerlei belangen in gevaar; vooral duitsche
en oostenrijksche maatschappijen worden erdoor getroffen. Die
Oriënt-spoorweg is als een ruggegraat van alle verbindingen op het
Balkan-schiereiland en speelt dus in het europeesche verkeerswezen
een groote rol.
Het personenvervoer op deze lijn is zóó geregeld, dat éénmaal per
dag de zoogenaamde Conventietrein rijdt en driemaal 's weeks de
veelgenoemde Oriënt-express. Het voornaamste verschil tusschen beide
treinen is, dat de Oriënt-express langzaam, maar de Conventietrein
nog langzamer gaat.
Voor den 655 K.M. bedragenden afstand van Konstantinopel tot Sofia
heeft de Oriënt-express 17 uren noodig, zoodat de trein per uur
nog geen 40 K. M. doet. De Conventietrein heeft echter nog vijf
uren meer noodig. Het langzame tempo brengt dit voordeel mee, dat
de wagens bijzonder zacht rijden en zoo weinig schokken, als zelden
op spoorwegen het geval is. Ook moet erkend, dat de wagens op deze
oostersche lijnen goed en sierlijk zijn ingericht. Alleen in zulke
rijtuigen is het dan ook mogelijk, zulke groote afstanden als van
Konstantinopel naar Parijs in éénen door in drie-en-een-halven dag
af te leggen.
In den regel is het gezelschap, dat men er ontmoet, deftig en verbazend
internationaal, en de treinen zijn veelal vol. Eigenaardig is het,
hoeveel Duitsch men hoort en ziet in den trein op den langen rit;
de opschriften in de rijtuigen zijn duitsch voor een groot deel,
en het spoorwegpersoneel, zoowel als de bulgaarsche en Servische
tolbeambten, spreken die taal.
Het bestuur over den spoorweg, die Europa met Konstantinopel
verbindend, langs hun voornaamste steden Sofia en Philippopel gaat,
is een zaak van wezenlijk belang voor de Bulgaren. Toen vooral door de
werkzaamheid van den oostenrijkschen baron Hirsch de spoorlijn werd
aangelegd, waren de Bulgaren nog gebogen onder het turksche juk en
eerst nadien hebben ze zich door de welwillende gezindheid der groote
mogendheden en door het verstandige bestuur van den Battenberger en
vorst Ferdinand opgeheven tot een zelfstandigheid, die hen nu tot
het in beslag nemen van den spoorweg heeft geleid.
Voor ons Europeanen is die spoorweg ook uit toeristisch oogpunt van
belang, want hij voert door een met landschappelijk schoon rijk
gezegend deel van het Balkanschiereiland. Bij Belgrado heeft de
reiziger reeds den drempel van het Oosten betreden, want hoe modern
Belgrado er ook uitziet, onder het oppervlakkige vernis is duidelijk
het Oosten verborgen, en boven de parken en nieuwerwetsche gebouwen
verrijst de oude vesting, zooals de halve maan op de moskeeën staat
naast het kruis op de nieuwere christelijke kerken.
Doch de spoorweg werkt krachtig tot de beschaving van Servië mee,
en zoo is o. a. ook Nisch thans een stad geworden met breede straten,
waarin de turksche bevolking in de laatste tientallen van jaren zich
heeft teruggetrokken in een klein stadsgedeelte rondom de moskeeën,
en de konak van den pacha wordt nu door den servischen koning bij
zijn bezoeken aan Nisch als residentie gebruikt.
Het bergland ten zuiden van Nisch is historisch gebied. Daar streden
in de veertiende eeuw de Turken en behaalden hun zegepralen, die
het schiereiland in hun handen deden overgaan; daar ziet men nu de
ruïnen van burchten en kasteelen, kloosters en kapellen. Pirot is het
Servische grensstation, een stadje, waar Serviërs en Bulgaren nog in
1885 vijandig tegenover elkander stonden, want hier overwon vorst
Alexander van Battenberg het servische leger, dat bij den aftocht
het slot in de lucht liet springen.
Tsaribrod is het bulgaarsche grensstation, gelegen midden in
een wondermooie streek. Vanaf den hoogen Dragomanpas reeds op
bulgaarsch grondgebied, heeft men een verrukkelijk uitzicht op het
Balkanbergland, dat rondom de hoofdstad Sofia zich uitbreidt. De trein
vliegt haast al te vlug door naar Sofia op de door bergreuzen omgeven
hoogvlakte. Langs dezen zelfden weg trok eenmaal keizer Trajanus naar
Sofia, en keizer Constantijn de Groote had er zelfs een tijdlang
zijn residentie. Niemand, die tegenwoordig in Sofia komt en er al
het moderne opmerkt, zou gelooven, dat de geschiedenis van de stad
tot in de eerste jaren na Christus' geboorte opklimt.
De stad lijkt meer op Omaha of Denver en die als uit den grond
gestampte steden in de Vereenigde Staten, zoo ruim en grootsch is de
aanleg, door den Battenberger ontworpen. Maar de bevolking is daarmee
niet in overeenstemming. In de mooie straten met electrisch licht,
waterleiding en nette trottoirs zou men deftige équipages verwachten,
maar er rijden zware boerenkarren met veevoeder of brandhout, getrokken
door ossen of zwarte buffels. Onder de boomen vóór de moderne café's
zitten geen elegante dames en heeren, maar op de stoelen aan de kleine
tafeltjes hebben stoere Walachen plaats genomen met de broekspijpen
in hooge laarzen en bonten mutsen op de ruwe baardige hoofden. In de
huizen van drie en vier verdiepingen zou men winkels met spiegelruiten
verwachten, waar men de dure waren uit West Europa zou kunnen koopen,
terwijl er daarentegen niet anders dan goedkoope kermisartikelen te
krijgen zijn. Zonder de menschen is Sofia een luxe stad; zonder zijn
huizen is het een slovakisch dorp.
Men kan zich haast niet voorstellen, dat het tot voor weinig jaren de
hoofdstad was van een groote turksche provincie en dat het 500 jaar
lang zulk een plaats heeft ingenomen. Thans is er van het turksche
en de Turken niets overgebleven; van de 80.000 inwoners zijn niet
meer dan vijfhonderd Turken.
En binnen hoe korten tijd is al dat turksche verdwenen! Toen generaal
Goerko den 4den Januari als de bevrijder van Bulgarije aan de spits
van de russische overwinnaars er binnen reed, was Sofia nog een
turksche stad. Dadelijk ging men aan het opruimen; duizend huizen
werden verwoest; de moskeeën gesloopt of voor practische doeleinden
ingericht; andere moskeeën, die al vóór den turkschen tijd kerken waren
van de Christenen, werden hergeven aan die leer. Bij vele honderden
verlieten de Turken de stad, en toen in het volgend jaar de nieuwe
vorst, Alexander van Battenberg, zijn intocht hield, was Sofia nog
niet veel beter dan een veld van puinhoopen. Met krachtige energie
heeft de nieuwe regeering de moderne stad in het leven geroepen,
maar het zal nog lang duren, eer de boeren van het groote land in de
voor hen gemaakte lijst passen. De spoorweg en de vrijheid hebben hen
nog weinig veranderd, en elken Vrijdagmorgen kan men zich overtuigen,
hoe weinig ze nog overeenkomen met hun mooie stad. Nog in Juni komen
ze in schaapsvachten gehuld de veemarkt bezoeken met hun producten uit
de rijke en vruchtbare streek. Op die markt kan men zich verbeelden
in een groote roomsche stad in den carnevalstijd te wezen, zoo bont
en verscheiden zijn de kleederdrachten. Er komen dan ook Albaneezen,
Armeniërs, Serviërs, Roemenen, Grieken, en Turken en in grooten
getale Joden en Zigeuners. De Joden, die een tiende deel der bevolking
van Sofia vormen, zijn afstammelingen van de uit Spanje verdrevenen
en spreken tegenwoordig nog een spaansch dialect naast hun joodsche
taal. De Bulgaren zijn traag en missen ondernemingsgeest, en zoo hebben
de Joden den handel aan zich getrokken en zijn er rijk bij geworden.
De drie duizend Zigeuners zijn sjouwers, paardenkooplui, zadelmakers en
bezembinders, terwijl ze als metselaars wel de helft van de stad hebben
gebouwd en als wasschers wel de helft van alle wasschen bezorgen; maar
daarbij is het een verrassend feit, dat de vrouwen, niet de mannen,
de huizen bouwen, en dat de mannen, niet de vrouwen, de wasch bezorgen.
De vorstelijke residentie is intusschen het vroegere paleis van
den turkschen wali. En in die buurt vindt men den schouwburg, het
postkantoor, het officierscasino, de gezantschappen en ministeries
en de vergaderzaal van het Sobranje, het Huis van afgevaardigden.
Na Sofia volgt nog een heerlijk berglandschap, dat de trein doorsnijdt,
om daarna het dal der Maritza te volgen tot voorbij Adrianopel. Bij
Sarambey wisselde vroeger de bulgaarsche spoorwegdienst met den
turkschen, want daar komt de lijn in Oost-Roemelië. Na de hoofdstad
van die provincie, Philippopel, waar de Turken ook geheel door
de Bulgaren verdrongen zijn, wordt het landschap eentonig; langs
Mustapha Pacha en het oude Adrianopel wordt dan eindelijk Stamboel
bereikt door het vlakke land, waar de groote legers werden uitgerust,
die in de 15de en 16de eeuw een groot deel van het christelijke Europa
veroverden. Nog altijd is het Westen bezig, den toen wassenden stroom
van het Turkendom terug te dringen in zijn bedding, die in Azië ligt,
en de oostersche spoorweg is een wapen in dien strijd.