DE EENE DIEF VANGT DEN ANDEREN.

De naam van mijn volgenden meester was, zoo mogelijk, weidscher en

hoogdravender dan die van hem, dien ik pas had verlaten.

Ik werd nu lijfknecht van den HoogWelgeboren heer Algernon Percy

Deuceace, jongsten en vijfden zoon van den graaf van Crabs.

Algernon was advokaat – dat is te zeggen, hij woonde in Pump-court, in

het Temple, eene gemeene buurt, die misschien aan mijne lezers niet

bekend is. Het zij genoeg hun te zeggen, dat het op de grenzen van de

City en de uitverkorene woonplaats der regtsgeleerden van deze

hoofdstad is.

Indien ik zeg, dat mijnheer Deuceace advokaat was, bedoel ik volstrekt

niet, dat hij de zittingen van de hoven bijwoonde, of dat hij pleitte,

of naar praktijk uitzag; maar hij had kamers in Pump-court en wachtte

op een commissariaat, of eene regtersplaats, of eenig ander ambt, dat

de Whig-regering hem wilde geven. Zijn vader was een Whig-pair, gelijk

de waschvrouw mij vertelde, en was vroeger Tory geweest. De waarheid

is, dat zijne heerlijkheid zoo arm was, dat hij, om zijne kinderen te

verzorgen en voor zich zelven een inkomen te krijgen, tot alles gereed

was.

Ik geloof, dat hij Algernon twee honderd pond ’s jaars gaf, en deze had

er best van kunnen leven, ware het niet geweest, dat de oude heer ze

hem nooit uitbetaalde.

Intusschen was en bleef de jonge heer een zeer fatsoenlijk man, hij

ontving de belofte van zijn jaargeld zeer geregeld, en gaf het ook uit

op de fatsoenlijkste en eervolste wijze. Hij hield rijtuig, hij ging

naar Almacks’ en naar Crockford’s – hij bevond zich in de meest

uitgezochte kringen – en bemoeide zich zeer weinig met de wetboeken;

dat is zeker. Zulke fatsoenlijke lieden hebben middeltjes, om geld te

verdienen, die het gemeene volk niet begrijpt.

Hoewel hij slechts eene derde verdieping in Pump-court bewoonde, leefde

hij als of hij de rijkdommen van Crassus bezat. De banknoten waren er

even menigvuldig als de dubbeltjes – Bordeaux en Champagne even gemeen

als jenever; en men kan er op aan, dat ik zeer blijde was – valet de

chambre te zijn van een echten spruit van den hoogen adel.

Deuceace had op zijne kamer eene groote teekening – op papier: een’

boom voorstellende, die uit het lijf groeide van een man in eene

wapenrusting gedost, en op kleine schilden, tusschen de takken

opgehangen, stonden namen te lezen. De schilderij vertelde, dat het

geslacht der Deuceace’s naar Engeland was overgekomen in het jaar 1066,

met Willem den Veroveraar. Mijnheer noemde het zijn stamboom. Ik geloof

dat het was, omdat hij die schilderij bezat, en omdat hij de Hoog

Welgeboren heer Deuceace was, dat het hem gelukte, zóó te leven als hij

het deed. Indien hij iemand uit den minderen stand ware geweest, dan

zoude men hem niets anders dan eenen gemeenen opligter hebben kunnen

noemen. Alleen aan hoogen stand en geboorte kunnen die zonderlingheden

worden veroorloofd, waarin mijnheer uitmuntte.

Want het baat niets, om er een geheim van te maken: de heer Deuceace

was een speler van beroep. Voor iemand van lagen stand is deze de

slechtst mogelijke kostwinning – voor iemand, die maar half eerlijk man

is, zou zulk een beroep onmogelijk zijn; maar voor een echten edelman,

die door en door edelman is, kan men geen gemakkelijker en

winstgevender levenswijze bedenken.

Het moge misschien vreemd schijnen, dat een fatsoenlijk man in het

Temple woonde, maar men moet zich herinneren, dat niet alleen advokaten

in de zoogenaamde Inns of Court wonen.

Vele ongetrouwde heeren, welke niets met de regtsgeleerdheid te, doen

hebben, huren daar kamers; en vele zich noemende advokaten, welke geen

tweemaal in hun leven bef en toga hebben omgedaan, bewonen het Temple,

in plaats van de Bond-street, of Picadilly, of andere fatsoenlijke

plaatsen. Bij voorbeeld op onze verdieping (zoo noemt men daar altijd

de huizen) waren acht woningen en niet meer dan slechts drie

regtsgeleerden te huur. Deze waren, op de onderste verdieping,

Screwson, Hewson en Jewson, procureurs; op de eerste verdieping

mijnheer Flabber, regter; tegenover zijne deur, mijnheer Bruffy,

advokaat; op de tweede verdieping woonde de heer Haggerstone, een

Iersch regtsgeleerde, die veel krimineele praktijk aan de Old-Bailey

had en tevens was hetgeen men snelschrijver noemt voor de Morning Post.

Tegenover zijne deur stond geschreven:

Mr. Richard Blewitt;

en op de derde verdieping woonde mijn heer en een zekere heer Dawkins.

Deze jonge heer was pas in het Temple gekomen – tot zijn ongeluk –

beter was het geweest, indien hij nooit geboren ware – want volgens

mijne inzigten rigtte het Temple hem te grond, – dat wil zeggen, met de

hulp van mijn heer en den heer Richard Blewitt, gelijk men straks zal

vernemen.

Mijnheer Dawkins, gelijk ik van zijn bediende vernam, had juist de

hoogeschool te Oxford verlaten, en bezat een aardig fortuintje, een

duizend pond of zes, in de fondsen. Hij was ook juist meerderjarig

geworden, en een wees die zijn vader en moeder had verloren. Daar hij

zich aan de hoogeschool onderscheiden en verscheidene medaljes behaald

had, was hij naar Londen verhuisd, om vooruit te komen en het

advokaten-beroep te aanvaarden.

Daar hij zelf niet van hooge afkomst was – ik heb zelfs hooren

vertellen, dat zijn vader kaaskooper was, of iets van dien aard – deed

het Dawkins veel genoegen, zijn ouden academie-kennis, den heer

Blewitt, den jongsten zoon van den rijken landeigenaar Blewitt in

Leicestershire, weder te zien, en kamers in zijne nabijheid te kunnen

huren.

Nu dan; hoewel tusschen mij en den knecht van den heer Blewitt eene

zeer naauwe vriendschap bestond, was dit niet het geval tusschen onze

meesters – daar de mijne een te groot aristokraat was, om zich met

iemand van Blewitt’s stand op te houden. Blewitt was hetgeen men „a

betting man” noemt; hij ging geregeld naar Tattersall’s, reed op een

hit, droeg een witten hoed, eene blaauwe, bonte das en een rijrok. In

zijne manieren was hij juist het tegenovergestelde van mijn meester.

Deze was een ligt gebouwd, elegant mensch – in den hoogsten graad – hij

had bijzonder witte handen, eene eenigzins gele gelaatskleur, met

doordringende, donkere oogen, en een kleinen, keurig onderhouden

bakkebaard, die zoo zwart als schoensmeer was – hij sprak zeer zacht en

zoetjes – hij scheen altijd de menschen, met welke hij sprak,

naauwkeurig op te nemen, en hij vleide de geheele wereld. Wat Blewitt

betreft, die was van een geheel anderen aard. Hij was onophoudelijk aan

het vloeken en aan het zingen, sloeg iedereen op den rug, en scheen de

opregtste en vertrouwelijkste mensch op aarde. Hij deed zich voor als

iemand van vrolijken, onbezorgden, eerlijken aard, een man aan wien men

bloed en goed kon toevertrouwen.

Dit was ook de meening van Dawkins; die, hoewel hij een stil jong

mensch was, die van boeken, romans, Byron’s gedichten, fluitspelen en

diergelijke wetenschappelijke tijdkortingen hield, een boezemvriend

werd van den eerlijken Richard Blewitt, en kort daarop ook van mijn

meester, den HoogWelgeboren heer Algernon. Die arme Dawkins! hij

verbeeldde zich, dat hij fatsoenlijke kennissen en ware vrienden had

gevonden – hij was in aanraking gekomen met twee der schandelijkste

opligters, die ooit geleefd hebben.

Vóór de komst van den heer Dawkins in ons huis, had zich de heer

Deuceace naauwelijks verwaardigd met den heer Blewitt te spreken: maar,

omstreeks ééne maand na deze gebeurtenis, werd mijn meester plotseling

buitengewoon vriendelijk jegens hem.

De oorzaak er van was dood eenvoudig: Deuceace had hem noodig. Dawkins

was geen uur in gezelschap van mijn heer geweest, of hij begreep, dat

hij een vogeltje gevonden had, waaraan iets te plukken viel.

Blewitt wist dit ook; en daar hij zelf er veel van hield, wilde hij dit

vogeltje voor zich alleen houden.

Het was aardig te zien, welke kunstgrepen de heer Algernon aanwendde,

om het ongelukkige slagtoffer uit de klaauwen van Blewitt te rukken,

die zich verbeeldde, dat hij het vast hield. Hij had ook, juist om die

reden, Dawkins naar deze kamers gebragt, waar hij dacht, hem in

veiligheid te hebben en hem op zijn gemak tot zijn buit te kunnen

maken. Mijnheer ontdekte weldra het spel van den heer Blewitt. Spelers

kennen spelers, zoo niet intiem, ten minste bij naam; en hoewel de heer

Blewitt in een veel minderen kring zich bewoog, dan de heer Deuceace,

waren zij beiden zeer goed van elkanders handelwijze en karakter

onderrigt.

„Karel, jou lummel,” zeide op zekeren dag Deuceace tot mij (hij sprak

mij altijd op deze vriendelijke wijze aan): „wie is toch die mensch,

welke de kamers over onze deur heeft gehuurd, en die zoo vlijtig op de

fluit blaast?”

„Het is een mijnheer Dawkins, een rijke jonge heer, van Oxford gekomen,

en een groote vriend van den heer Blewitt, mijnheer,” antwoordde ik,

„zij schijnen den geheelen dag bij elkander te zijn.”

Mijnheer zeide niets, maar hij grijnsde, o heer, wat grijnsde hij! De

duivel zelf kon niet zoo satanisch grijnzen als hij!

Ik wist nu, wat hij in het schild voerde:

1e. Een man, die op de fluit speelt, is een stommerik.

2e. De heer Blewitt is een schoft.

3e. Als een stommerik en een schoft den geheelen dag bij elkander zijn,

en als de stommerik bovendien een rijk man is, dan kan men wel raden,

wat er van groeijen moet.

Ik was maar een jongen in die dagen, maar ik was op de hoogte der zaken

even zoo goed als mijnheer: het zijn niet alleen de heeren, die van

alles afweten. O hemel neen!

Wij waren met ons vieren in dat huis; vier der aardigste jonge lieden,

die men ooit heeft gezien: mijnheer Bruffy had een jongen man in zijne

dienst, en de heer Dawkins had er een, en de heer Blewitt ook, en ik

kwam er bij – wij wisten, wat onze heeren begonnen, even goed als zij

het zelve wisten.

Bij voorbeeld, wat mij aangaat, ik verklaar, dat er geen papiertje in

den lessenaar of in de laden van Deuceace was, geene rekening, briefje

of aanteekening, die ik niet, even zoo goed als hij zelf, had gelezen.

Bij den heer Blewitt was dit ook het geval – ik en zijn jongen hadden

inzage in alles. Er werd geen flesch wijn opengetrokken, of wij kregen

er een glas vol uit; er werd geen pond suiker opgedaan, of wij hadden

er een klontje of wat van. Wij hadden sleutels van al de kasten – wij

keken in al de brieven, die aankwamen of weggezonden werden – wij

gingen alle rekeningen en kwitanties na – wij hadden de beste stukjes

van het eten, de levers uit de kippen, de balletjes uit de soep, de

eijeren van de salade. Wat de steenkolen en kaarsen betrof, die lieten

wij aan de schoonmaaksters over.

Men moge dit stelen noemen – gekheid – het zijn alleen onze regten. –

De voordeeltjes, aan de betrekking van bediende verbonden, zijn even

heilig, als de wetten van Engeland. Maar om kort te gaan – de heer

Richard Blewitt verkeerde in de volgende omstandigheden. Hij had een

jaarlijksch inkomen van drie honderd pond van zijn vader. Daaruit had

hij honderd negentig pond ’s jaars af te doen, voor geld, dat hij

opgenomen had, terwijl hij aan de academie was; voor kamerhuur betaalde

hij zeventig pond ’s jaars; zijn paard kostte hem nog zeventig pond;

zijn knecht, die zijn eigen kost moest vinden, tachtig pond in de

twaalf maanden, en eene afzonderlijke huishouding in het Regents’-park

kostte hem omstreeks drie honderd en vijftig pond in het jaar; daar

kwam zijn zakgeld bij, dat om de honderd pond beliep; zijn eten,

drinken, en wijnhandelaars-rekening bedroegen ongeveer twee honderd

pond meer. Men ziet alzoo, dat hij een aardig sommetje over had aan het

einde van het jaar.

Met mijn heer was het anders gesteld; en daar hij een man van veel

hoogeren stand was dan de heer Blewitt, is het natuurlijk, dat hij veel

meer geld schuldig was.

Er was in de eerste plaats: p. st. s. d.

Debet bij Crockford: 3711 0 0

Wissels en acceptaties: (de meeste van deze

laatste betaalde hij niet) 4963 0 0

21 kleedermakers-rekeningen, in het geheel: 1306 11 9

2 paardenkoopers idem: 402 0 0

2 rijtuigmakers idem: 506 0 0

Rekeningen te Cambridge gemaakt: 2193 6 8

Allerlei: 987 10 0

-------------

14069 8 5

Ik geef dit als iets zeldzaams; de menschen weten niet, over het

algemeen, hoe, in vele gevallen, eene fatsoenlijke levenswijze wordt

ingerigt; en het is reeds leerzaam en aangenaam tevens, als men weet

hoe veel een regt fatsoenlijk man schuldig kan zijn.

Maar om mijn verhaal weêr op te vatten.

Juist den dag nadat mijnheer die inlichtingen omtrent den heer Dawkins

gevraagd had, van welke ik reeds melding heb gemaakt, ontmoette hij den

heer Blewitt op den trap, en het was verwonderlijk te zien, hoe deze

heer, dien hij zich tot nu toe naauwelijks verwaardigd had te groeten,

nu door hem werd ontvangen. Een van de zoetste glimlachjes, die ik ooit

had gezien, was nu op het gelaat van den heer Deuceace zigtbaar. Hij

strekte zijne hand, met een wit glacé handschoen bedekt, uit, en, met

de vriendelijkste stem mogelijk, zeide hij tot hem: „Wel, mijnheer

Blewitt! ’t is wel eene eeuw sedert wij elkander ontmoet hebben. ’t Is

waarachtig schande, dat buren elkander zoo weinig zouden zien!”

De heer Blewitt stond aan de deur van zijne kamer met een sigaar in den

mond, in een licht groen chamber-cloak gekleed, en bezig om een

jagtlied te neuriën. Eerst keek hij verwonderd op, toen scheen hij zich

gevleid te voelen, daarop begon hij argwaan te vatten.

„Wel... ja...” zeide hij, „’t is lang geleden sedert wij elkander

gezien hebben, mijnheer Deuceace.”

„Ik geloof haast, niet sedert wij zamen bij Sir George Hockey aten – à

propos! dat was toch een vrolijke avond; niet waar, mijnheer Blewitt?

Uitstekende wijn! heerlijke liederen! Ik herinner mij nog uw lied van

„den Meimorgen”; waarachtig, het aardigste, komiekste lied, dat ik van

mijn leven gehoord heb. Ik sprak er gisteren avond nog over, met den

hertog van Doncaster. Gij kent toch den hertog, niet waar?”

De heer Blewitt antwoordde, zoo knorrig mogelijk: „Neen, ik ken hem

niet.”

„Wat, gij kent hem niet!” riep mijnheer uit, „wel, waarachtig, Blewitt!

hij kent u, – iedereen, die in Engeland renpaarden houdt, kent u,

gelijk ik mij verbeeld. Kom, man, uwe aardigheden zijn te Newmarket in

ieders mond.”

En op deze wijze ging mijnheer voort, den heer Blewitt te streelen. In

den beginne antwoordde die heer kortaf en knorrig; maar na een weinig

meer, vleijerij werd hij zoo beleefd mogelijk; hij liet zich door de

schoone woorden van Deuceace foppen, en geloofde al zijne leugens.

Eindelijk werd de deur toegedaan, en beiden traden in de kamer van den

heer Blewitt.

Natuurlijk is het niet in mijne magt, om hetgeen daar gebeurde over te

vertellen; maar na verloop van ongeveer een uur, kwam mijnheer, zoo

geel als mosterd, naar zijne eigene kamer terug, eene akelige

tabakslucht mede brengende. Nooit van mijn leven heb ik een arm mensch

zoo zien lijden, als hij nu deed. Hij had waarachtig bij den heer

Blewitt sigaren gerookt.

Ik zeide natuurlijk niets, hoewel ik dikwijls gehoord had, hoe hij zijn

afkeer van den tabak lucht gaf, en zeer goed wist, dat hij even gaarne

vergift als tabaksrook zoude inslikken. Maar hij was geen mensch om

iets zonder bepaalde redenen te doen, en indien hij gerookt had, dan

was het ook met het een of ander doel geschied; daarvan was ik

overtuigd.

Ik had dan het gesprek tusschen de beide heeren niet vernomen, maar de

bediende van den heer Blewitt wel; het was als volgt: „Wel, mijnheer

Blewitt, welke heerlijke sigaren! Hebt gij er niet een van over, voor

een vriend?” (De oude vos; ’t was niet alleen de sigaar, dien hij

inpalmen wilde!)

„Kom binnen,” zeide mijnheer Blewitt, en zij raakten met elkander aan

het praten; mijnheer steeds zeer nieuwsgierig omtrent den jongen heer,

die pas in onze buurt was komen wonen, den heer Dawkins, en altijd op

dat punt terugkeerende; aanmerkende, dat menschen, die hetzelfde huis

bewoonden, op een vriendschappelijken voet met elkander moesten leven;

hoe aangenaam het hem zijn zoude, met den heer Richard Blewitt en zijne

vrienden, wie ze ook waren, nader bekend te worden, en zoo voort. De

heer Richard evenwel scheen den strik op te merken, dien men voor hem

spande.

„Waarachtig,” zeide hij, „ik ken dezen Dawkins niet; hij is de zoon,

gelijk ik hoor, van een kaaskooper, en, hoewel ik hem eene

contra-visite heb gebragt, ben ik niet geneigd verder kennis met hem te

maken, daar ik niet wensch, met zulke menschen om te gaan.”

En op deze wijze gingen zij voort; mijn heer steeds aan het

uitvisschen, en de heer Blewitt geenszins geneigd aan den hengel te

bijten, wat het ook kostte.

„De drommel haal den gemeenen schoft!” bromde mijnheer, nadat hij

mislijk was geweest. „Hij heeft mij met zijn vervloekten tabak

vergeven, en mij toch teleurgesteld. Die verd..... schurk, die boer!

hij heeft voor, dien armen kaaskooper te grond te rigten; maar ik zal

naar hem toegaan en hem waarschuwen.”

Ik dacht, dat ik het uitproesten zoude van lagchen, toen ik hem op deze

wijze hoorde spreken. Ik wist, wat zijne waarschuwing beteekende: – zoo

veel als de staldeur toesluiten, maar eerst het paard stelen.

Den volgenden dag werd zijn plan ten uitvoer gebragt, om met den heer

Dawkins in kennis te komen; het was een aardige zet.

Ik moet u dan verhalen, dat de heer Dawkins, behalve de poëzij en het

fluitspelen, ook andere liefhebberijen had; – hij hield namelijk zeer

veel van lekker eten en drinken.

Na den geheelen dag over zijne muzijk en zijne boeken gehangen te

hebben, ging de jonge heer gewoonlijk des avonds uit, om hier of daar

deftig te dineren en met zijn vriend, den heer Blewitt, allerhande

fijne wijnen te drinken. In den beginne was hij een rustig jong mensch,

maar het was de heer Blewitt, die hem, voor zijn eigen doel, aan deze

levenswijze had gewend. Nu behoef ik niet te zeggen, dat hij, die ’s

middags lekker eet en ’s nachts te veel wijn drinkt, ’s morgens eene

flesch soda-water en misschien eene kotelette daarbij lust. Dit was het

geval met den heer Dawkins, en geregeld, klokslag twaalf uur, kwam de

oppasser van Dick’s koffijhuis onzen trap op, met het warme ontbijt van

den heer Dawkins.

Niemand voorwaar zoude iets hebben kunnen ontdekken, wat hem in eene

zoo onbelangrijke omstandigheid van dienst kon zijn, maar met mijnheer

was het anders: hij viel er op aan, als eene kip op een graankorrel.

Hij zond mij naar Picadilly, om een Straatsburger paté – in het Fransch

paté de foie gras – te halen. Hij nam een kaartje, spijkerde het er

boven op, (de patés komen gewoonlijk in ronde houten trommeltjes) – en

wat denkt de lezer, dat hij er op schreef?

Hij schreef het volgende:

„Aan den hoog welgeboren heer Algernon Percy Deuceace, enz. enz. enz.

Met vriendelijken groet van Prins Talleyrand.”

„Met vriendelijken groet van Prins Talleyrand” waarachtig! Ik moet nog

lagchen als ik er aan denk, de lepe vent, waarachtig! – hij was een

lepe vent, die Deuceace.

Nu gebeurde het, zeer ongelukkig, den volgenden dag, juist op het

oogenblik, dat het ontbijt van den heer Dawkins den trap opkwam, dat de

heer Algernon Percy Deuceace den trap afging. Hij was vrolijk als een

leeuwerik, hij neuriede een operadeuntje en speelde met zijn

wandelstok, die voorzien was van een zwaren gouden knop.

Hij liep den trap af zoo snel hij kon, en, op de toevalligste en

ongelukkigste wijze der wereld, sloeg hij met zijn stok tegen het blad,

dat de oppasser naar boven bragt, en weg was de kotelette, de

Cayenne-peper, de saus en het soda-water van den heer Dawkins! Ik kan

niet begrijpen, hoe mijnheer zoo juist het oogenblik had kunnen

treffen; maar het is waar, dat zijn venster het uitzigt had op de

plaats, en dat hij iedereen kon waarnemen, die de deur binnen kwam.

Zoodra het ongeluk gebeurd was, werd mijnheer zoo woedend, dat ik zijn

weêrga daarin niet gezien heb; hij vloekte tegen den knecht, dreigde

hem met zijn stok, en kwam eerst een weinig tot bedaren, toen hij

bemerkte, dat de oppasser een veel sterker man was, dan hij.

Hij keerde naar zijne kamers terug, en Jan de oppasser draafde weg, om

een ander ontbijt te halen, van Dick’s koffijhuis.

„Dit is een allerongelukkigst geval, waarachtig, Karel,” zeide

mijnheer, na een kort stilzwijgen, gedurende hetwelk hij een briefje

had geschreven, in een couvert gedaan en met zijn groot zegel, met het

wapen daarop, toegelakt. „Maar zie eens, – daar komt mij iets in de

gedachten – breng dit briefje bij den heer Dawkins, met de paté, die

gij gisteren gehaald hebt, en hoor eens, vriendje, als gij vertelt,

waar het van daan komt, dan sla ik u alle botten stuk!”

Daar ik wist, dat deze soort van belofte onder de weinige behoorde,

waaraan hij gewoonlijk voldeed, en daar ik grooten prijs op mijne

botten stelde, bragt ik het briefje weg en verklapte niets. Na eenige

oogenblikken in de kamers van den heer Dawkins te hebben gewacht,

keerde ik, met zijn antwoord, naar mijn heer terug.

Het zal misschien niet ongepast zijn, om deze beide stukken mede te

deelen, daar ik van beiden afschriften gemaakt heb.

Gedenkschriften van den heer Yellowplush · 第 10 / 42 题