45. HET WEZEN DER AANTREKKINGSKRACHT.

Men zou denken, dat Newton, toen hij zijn werk bekend maakte,

dadelijk van alle zijden met instemming en bewondering begroet werd.

Maar dat was niet het geval. Alleen onder zijn eigen landgenooten

vond zijn "nieuwe filosofie" aanhang, en hier werd hij weldra

geprezen en geëerd als een sieraad van zijn land; maar in het

overige Europa bleef zij nog bijna een halve eeuw lang onopgemerkt.

Men kende zijn theorie wel, maar begreep haar groote beteekenis

niet. De groote natuuronderzoekers op het vasteland waardeerden wel

de scherpzinnige berekeningen en gevolgtrekkingen van Newton, en

twijfelden er ook niet aan dat zij goed en juist waren. Maar zijn

geheele manier van denken, het grondkarakter van zijn werk, was hun

ongewoon en vreemd. Christiaan Huygens schreef in een aanhangsel,

dat hij aan zijn geschrift "Over de oorzaak van de zwaarte"

toevoegde: "Ik had ook niet zoozeer aan die regelmatige afname van

de zwaarte gedacht, namelijk, dat zij omgekeerd evenredig is met het

vierkant van den afstand; dat is een nieuwe en hoogst merkwaardige

eigenschap van de zwaarte, waarvan de oorzaak op te sporen zeer de

moeite waard is..." Deze uiting toont duidelijk, dat voor hem door

de ontdekking van Newton _de oorzaak van de planetenbeweging ook

niet in 't minst verklaard werd_.

Hier blijkt, hoe Newton's theorie bij haar verschijnen een algemeene

denkwijze aantrof, die voor haar begrip hoogst ongunstig was. De

natuuronderzoekers, die toen de wijsgeeren meteen waren, trachtten

in de eerste plaats de wereld, de natuur uit haar grondprincipes te

begrijpen. Daarvoor was wel de ervaring een onontbeerlijk

hulpmiddel, maar volgens de "rationalistische" opvatting was het

toch vooral de taak der menschelijke rede, deze principes te vinden.

Naar de denkbeelden van den beroemden natuurfilosoof _Descartes_,

die in de 2de helft van de 17de eeuw in Frankrijk, het geestelijke

centrum van het vasteland, algemeen aangehangen werden, was het

heelal gevuld met een zeer dunne vloeistof, die om de zon draaide en

de planeten in cirkelbanen om de zon meesleepte. Deze opvatting,

waaruit Huygens dan nog nader een verklaring van de aardsche zwaarte

wist af te leiden, gaf voor de beweging der planeten een dadelijk

voor iedereen begrijpelijke verklaring. Iedereen had wel eens

gezien, hoe schepen door stroomend water, bladeren door den wind

meegevoerd werden; de waterdeeltjes drukken tegen het schip, de

luchtdeeltjes tegen de bladeren, en zoo duwen ook de bewegende

deeltjes van den wervelenden wereldaether de planeten voort. Wat bij

Newton als gevolg van de aantrekkingskracht optreedt, is dus een

uitwerking van dezen druk; Newtons's ontdekking over de afname van

de aantrekking met den afstand was belangrijk, om nader uitsluitsel

over dien druk en die wereldvloeistof te krijgen, maar meer ook

niet. En Newton's opvatting, dat alle kleinste stofdeeltjes, ook die

diep in het binnenste der aarde zitten, elkaar aantrekken, lijkt

Huygens geheel absurd toe, want hij "gelooft duidelijk te zien, dat

de oorzaak van zulk een aantrekking in het geheel niet verklaarbaar

is door eenig principe der mechanika of door de wetten der

beweging." Hij kan ook niet gelooven, dat Newton de zwaarte voor een

grondeigenschap der materie wil verklaren: "Iets anders is het,

wanneer wij de gravitatie als een innerlijke (inherente) eigenschap

van de stoffelijke materie zouden beschouwen. Maar ik geloof niet,

dat Newton dit wil, daar toch een dergelijke onderstelling ons ver

van de wiskundige en mechanische principes zou verwijderen." En nog

duidelijker drukte zich Leibniz in een brief aan Huygens uit: "Het

schijnt, dat de zwaarte volgens hem (Newton) niets dan een zeker

onstoffelijk en onverklaarbaar vermogen (vertu) is, terwijl gij haar

daarentegen zeer goed door de wetten der mechanika verklaart."

Een geheel andere geestesrichting dan dit rationalisme heerschte in

Engeland. In dit land, dat door den bloei van zijn handel

langzamerhand aan de spits der ekonomische ontwikkeling kwam te

staan en meer dan andere landen een onbegrensde toekomst voor zich

zag, was de geest der menschen bovenal op de praktijk, op de

werkelijkheid gericht. Hier heerschte filosofisch de van alle

abstrakte bespiegeling afkeerige empiristische richting. De

Engelschen lieten zich door geen spekulatief systeem verhinderen de

praktijk tot leidster van hun filosofische denkwijze te maken, en

zoo werden zij tot baanbrekers van een nieuwe wetenschappelijke

beschouwingswijze. Zij konden met de theorie van Newton praktisch

werken; zij konden daarmee de banen der hemellichamen juist en

nauwkeurig berekenen, en dat bewees haar waarheid. Aan de geleerden

op het vasteland gaf Newton's leer geen antwoord op de vragen, die

hen bezighielden; want wanneer wij weten, volgens welke wet de

aantrekking van de zon of de aarde werkt, zijn wij nog even ver van

het inzicht verwijderd, waar deze kracht vandaan komt en wat

eigenlijk haar wezen is. Daarentegen werden de Engelsche geleerden

door zulke zorgen niet gekweld. "De oorzaak van deze eigenschappen

der aantrekkingskracht" schreef Newton aan het slot van zijn werk,

"kon ik echter niet uit de verschijnselen afleiden, en hypothesen

verzin ik niet. Want een hypothese is dat, wat uit de verschijnselen

niet kan gevonden worden; en hypothesen, hetzij metaphysische of

physische, hetzij met behulp van verborgen eigenschappen of

mechanische, behooren in de proefondervindelijke wijsbegeerte niet

te huis."

Dat ten slotte de filosofische hindernissen in andere landen

overwonnen werden, lag niet enkel aan de overtuigingskracht, die van

de juistheid der op Newton's theorie berustende berekeningen

uitging. Er kwam bij, dat in de l8de eeuw in Frankrijk met de

opkomende oppositie en kritiek der politieke en maatschappelijke

toestanden een geestestoestand ontstond, die Engeland bewonderde en

tot voorbeeld nam en de Engelsche empiristische denkwijze in zich

opnam. Voltaire maakte zijn landgenooten met de nieuwe Engelsche

filosofie bekend, die nu een veel gunstiger bodem vond. Een reeks

van schitterende wiskundigen bouwden voort op Newton's werk, en

berekenden volgens zijn aantrekkingswet de beweging van de planeten

en de maan met steeds grooter nauwkeurigheid; toen zonken de oude

wervelkringen, die tot zoo iets niet in staat waren, in de

vergetelheid weg. En toen in het laatst van die eeuw Laplace het

geheele zonnestelsel als een groot mechanisme, een machine

beschreef, waar alle bewegingen tot in de kleinste bijzonderheden

berekend werden als een puur wiskundig vraagstuk, toen was de triomf

van Newton's theorie volkomen.

En nu trad ook een volkomen ommekeer in de gronddenkbeelden voor den

dag. Terwijl Newton zelf, blijkens zijn boven aangehaalde woorden,

over de "oorzaak" van de aantrekkingswet gesproken had als iets,

waarover men alleen vermoedens kon opperen, die in de strenge

wetenschap niet thuis behoorden, vond men nu zulk een oorzaak niet

meer noodig; als een verschijnsel tot een uit de verte werkende

aantrekkingskracht teruggebracht was, achtte men het volkomen

verklaard en alle raadsels opgelost. Het doel der wetenschap, met

name der mechanika, was nu, alle verschijnselen en bewegingen uit de

krachten te verklaren, die ze bewerken. Een aantrekkingskracht, die

van uit de verte door een leege ruimte heen op de lichamen werkte,

scheen aan de geleerden in het begin der 19de eeuw zoo eenvoudig,

begrijpelijk en natuurlijk toe, dat zij ook andere verschijnselen,

b.v. de elektrische en magnetische werkingen door zulke van verre

werkende krachten zochten te verklaren. En toen Gruithuisen, een

door allerlei zonderlinge ideeën bekende Beiersche professor, eens

verklaarde, dat aantrekking van verre een onding was en dat een

aantrekkende kracht zonder verbindende touwen of stangen niet

denkbaar was, moest hij zich wegens dit gebrek aan begrip menige

spotternij laten welgevallen.

En toch had hij niet zoo heelemaal ongelijk; mettertijd lieten zich

steeds meer stemmen hooren, die er op wezen, dat het woord "kracht"

toch eigenlijk niets is dan een woord, dat juist van pas komt, als

men iets niet weet te verklaren. Wanneer wij de oorzaak van het

vallen van de steenen "zwaartekracht" noemen, weten wij er dan iets

meer van dan te voren? Neen, het verschijnsel, dat een steen vanzelf

naar de aarde valt, is er even geheimzinnig door gebleven. En

wanneer wij met Newton de oorzaak van de planetenbeweging in een

aantrekkingskracht zoeken, die dezelfde natuur heeft als de aardsche

zwaartekracht, geven wij ons dan niet aan het zelfbedrog over, dat

wij iets onbekends meenen te kunnen verklaren door iets, dat even

onbekend is? Hadden dus, welbeschouwd, Leibniz en Huygens niet

gelijk, toen zij vroegen, wat de wet van Newton hen nu eigenlijk in

het begrijpen van de wereld verder gebracht had?

De tegenstrijdigheid tusschen zulke twijfelingen en de zekerheid,

die wij desondanks gevoelen, dat wij in Newton's aantrekkingswet

toch een verklaring van de hemelsche bewegingen bezitten, wordt

opgelost door het inzicht, wat eigenlijk wetenschappelijk verklaren

beteekent. In de laatste halve eeuw is dit inzicht in de kennisleer

zooveel helderder geworden, dat nu voor geheimzinnigheid en mystiek

in de leer der wetenschap geen plaats meer is.

Wetenschap doet niets anders, dan systeem en orde in de menschelijke

ervaring brengen. De verwarrende veelheid der verschijnselen kan in

onze hersens geen plaats vinden; daarom vatten wij datgene, wat

telkens en overal terugkomt, het algemeene, het gemeenschappelijke

in een groep van verschijnselen theoretisch in een begrip samen. "De

wetenschap," aldus Mach, "heeft de ekonomische taak, ervaringen te

sparen en de feiten met het kleinst mogelijke gebruik van gedachten

weer te geven." "Het is de taak der mechanika," had Kirchhoff reeds

vroeger gezegd, "om de bewegingen in de natuur zoo eenvoudig en

volledig mogelijk te beschrijven." "De menschelijke geest," aldus

Dietzgen, "is het orgaan van het algemeene; het wetenschappelijke

oorzaakbegrip wil niets anders, dan het algemeene der verschijnselen

uitdrukken." Zoo is in het begrip "zwaartekracht" het

gemeenschappelijke samengevat van alle verschijnselen van vallende

of voortgeworpen steenen, weggeschoten kogels, van een drijvende

kurk en een opstijgenden luchtballon, een schommelenden slinger, van

neervallenden regen, van golven op zee en stroomende rivieren. Al

deze verschijnselen verschillen door de bijzondere omstandigheden en

de verschillende eigenschappen der stoffen; wat hun echter gemeen

is, wordt door het begrip en de wet van de zwaartekracht

weergegeven. Wij behoeven nu niet meer elk bijzonder geval van een

weggeworpen steen of een vallend lichaam te onthouden en evenmin al

deze verschillende soorten van verschijnselen; in de "zwaartekracht"

hebben wij ze alle als het ware in een korte formule samengevat;

door de theorie, de wet der zwaartekracht weten wij precies wat in

elk dergelijk geval van een beweging op aarde gebeurt.

Het is zinloos, daarbij nog naar een verborgen "wezen" der kracht te

vragen. Wat alleen werkelijk voorhanden is, is de totaliteit van

alle verschijnselen. _Een zwaartekracht als iets aparts bestaat

alleen in ons hoofd, als begrip, en nergens anders_. De vraag naar

het wezen der zwaartekracht is de vraag naar het wezen van alle

abstrakte begrippen, en het antwoord luidt, dat zij het algemeene

uit de konkrete verschijnselen uitdrukken. Maar daarmee is niet

gezegd, dat er verder niets te vragen overblijft. Het begrip

"zwaartekracht" is uit een bepaalde groep van verschijnselen

gevormd; daarnaast bestaan tallooze andere verschijnselen -- bv. het

kaatsen van biljartballen, het op- en ondergaan van de zon, bliksem

en donder, het lichtgeven van een kaars -- die er niets mee te maken

hebben. Gelukt het nu echter een samenhang met zulke verschijnselen

te vinden, dus in deze veel grootere groep van verschijnselen iets

gemeenschappelijks te vinden, dat dan nog algemeener is dan de

zwaartekracht, zoodat de zwaartekracht als bijzonder geval, als

uitvloeisel van dit nog algemeenere begrip optreedt, dan wordt de

ekonomie van het denken nog hooger opgevoerd, de beschrijving van de

wereld nog eenvoudiger gemaakt, ons inzicht in de wereld grooter en

volkomener, onze wetenschap rijker en geslotener.

Het mooiste voorbeeld van zulk een vervolmaking der wetenschap is nu

juist de theorie van Newton; en omgekeerd toont ons deze exkursie op

het terrein der kennisleer, waarin de groote beteekenis van de leer

van Newton ligt, die wij tot dusver slechts instinktief voelden.

Vóór den tijd van Newton waren de bewegingen op aarde en de

bewegingen in de wereldruimte twee geheel verschillende groepen van

verschijnselen, die niets met elkaar te maken hadden. De eerste

groep werd door Galilei's wetten der zwaartekracht, de tweede groep

door Kepler's wetten der planetenbeweging samengevat. Newton

vereenigde ze tot één geheel, door de planetenbeweging tot een

algemeene aantrekkingskracht terug te brengen, waarvan de aardsche

zwaartekracht slechts een bijzonder geval is. Meer nog: niet alleen

de wetten van Kepler zelf, maar ook de afwijkingen van die wetten

werden door zijn theorie weergegeven. De onregelmatigheden in de

maanbeweging, de getijden in de oceanen, de zwakke aantrekking door

aardsche gewichtblokken, de gedaante van het aardoppervlak, de

verandering van den sterrenhemel door den teruggang der

nachteveningen -- al deze verschijnselen werden in het begrip

"aantrekkingskracht" samengevat en door een eenvoudige wet

uitgedrukt. Doordat zij gelijksoortig blijken te zijn met de ons van

ouds bekende valverschijnselen op aarde, verliezen zij voor ons al

wat er vreemd, onbekend en geheimzinnig aan was. _In een paar

eenvoudige stellingen wordt een onafzienbaar gebied van de meest

verschillende verschijnselen, op aarde en aan den hemel, in verleden

en toekomst, eenvoudig en volledig beschreven, in orde en systeem

gebracht_. Daarin ligt de buitengewone belangrijkheid van Newton's

ontdekking.

Wanneer dus naar een verdere verklaring van het wezen of de oorzaak

der aantrekkingskracht gevraagd wordt, komt dat meestal neer op een

gebrek aan inzicht in het wezen van alle wetenschappelijke

verklaring. In de 19de eeuw zijn een groot aantal "verklaringen" van

de aantrekkingskracht uitgedacht, waarbij deze kracht nu eens uit

het stooten van rondvliegende kleine deeltjes, dan weer uit de

drukking van een de wereldruimte vullende vloeistof afgeleid werd.

Voorzoover die verklaringen van de grondgedachte uitgaan, dat druk

en stoot iets zonder meer natuurlijks en begrijpelijks, aantrekking

iets vreemds en onbegrijpelijks is, berusten zij op een misvatting.

Omgekeerd zijn er natuurkundigen geweest, die de verschijnselen van

botsing en vloeistofdruk uit de werkingen van kleine stofdeeltjes

afleidden, die elkaar niet onmiddellijk aanraken maar van op een

afstand aantrekken of afstooten. Voor het eene is evenveel te zeggen

als voor het andere, in zooverre daarbij druk, stoot en aantrekking,

die ons alle uit het dagelijksch leven bekend zijn, met elkaar in

samenhang worden gebracht. Wanneer het gelukte, door samenvatting

van de aantrekkingskracht en die andere groepen van verschijnselen

een eenvoudiger beeld van dit geheele gebied te krijgen, dan zou men

inderdaad van een "verklaring" van de aantrekkingskracht mogen

spreken. Maar bij al deze theorieën zijn zooveel gekunstelde

onderstellingen noodig, dat zij geen van alle aan dien eisch

voldoen; een vereenvoudiging van ons wereldbeeld hebben zij niet

gegeven.

Huygens had iets dergelijks gewild; maar voor hem lag de zaak nog

eenigszins anders. Dat hij de aardsche zwaarte uit de wervelkringen

zocht te verklaren, die de planeten rondsleepten, lag voor hem

hierom zoo voor de hand, omdat hij uit geheel andere verschijnselen

de overtuiging gekregen had, dat de wereldruimte niet ledig maar met

een of andere stof, _een wereldaether_ gevuld moest zijn. Naar de

door hem opgestelde _theorie van het licht_ brengen de heete,

lichtgevende voorwerpen dezen aether in fijne snelle trillingen, die

zich dan als golvingen naar alle kanten met de bekende reusachtige

snelheid van bijna 300000 KM. per sekonde uitbreiden en in ons oog

treden. Newton had daartegenover de theorie opgesteld, dat het licht

uit kleine deeltjes bestaat, die door de gloeiende voorwerpen

weggeslingerd worden en met groote vaart door de ledige wereldruimte

vliegen; en deze theorie vond in de 18de eeuw den meesten aanhang.

In het begin van de 19de eeuw werden echter lichtverschijnselen

ontdekt en nader onderzocht, die alleen uit golvingen en trillingen

te verklaren waren; hier bleek Huygens dus gelijk te hebben gehad.

En aan deze lichttheorie van Huygens knoopte in de 19de eeuw een

nieuwe richting der wetenschap aan.

De stoot voor dezen ommekeer in de gronddenkbeelden der natuurkunde

kwam weer uit Engeland. Terwijl Duitsche professoren de aantrekking

uit de verte omgekeerd evenredig met het vierkant van den afstand

tot filosofisch principe der natuur proklameerden, en haar tot

verklaring der elektrische verschijnselen gebruikten, kwam een

Engelsch onderzoeker, de apothekersbediende _Michael Faraday_, door

zich enkel door de proefnemingen zelf te laten leiden, tot geheel

andere opvattingen. Zijn geestesoog zag tusschen de elektrisch

geladen lichamen en stroomgeleiders een onzichtbare middenstof, die

gespannen, gedrukt, getrokken en gedraaid werd en daardoor de

bewegingen veroorzaakte, die zich aan ons als elektrische afstooting

en aantrekking vertoonen. Zijn denkbeelden stonden zoo geheel vreemd

tegenover de heerschende theoretische opvattingen, dat zij eerst

veel later eenigermate begrepen werden, toen Maxwell ze in

wiskundigen vorm uitdrukte. Toen vonden zij in de tweede helft der

19de eeuw, tegen de remmende macht der ingewortelde traditie, steeds

meer bijval, eerst in Engeland, daarna op het vasteland. Want zij

had op de oude theorieën dit voor, dat zij uit de wetten der

elektriciteit tegelijk alle verschijnselen van het licht wist te

verklaren, en aldus twee tot nog toe geheel gescheiden groepen van

verschijnselen tot één theorie terugbracht. Die alom tegenwoordige

substantie van Faraday, die door haar spanning en beweging de

elektrische en magnetische verschijnselen bewerkt, is niets anders

dan de wereldaether, dien Huygens voor de verklaring van het licht

had aangenomen. De juistheid van de theorie van Maxwell, waarvan de

draadlooze telegrafie een direkte toepassing is, wordt thans door

iedereen erkend.

Het lag nu voor de hand om te beproeven, of ook de algemeene

aantrekkingskracht niet evengoed als de elektrische krachten met

behulp van deze overal aanwezige middenstof, den wereldaether,

verklaard kon warden. Deze pogingen zijn echter niet gelukt; en het

is naderhand gebleken, dat op deze wijze het probleem te beperkt

gesteld was. Voor de wetenschap komt het er niet op aan, een

antwoord juist in de richting te vinden, die men verwacht; haar doel

wordt bereikt door de aantrekkingskracht op een of andere wijze in

samenhang met de andere natuurverschijnselen te brengen, en zoo tot

een dieper inzicht in haar wezen, tot een grootere eenheid in de

natuurleer te komen. En in dezen zin is juist in de laatste jaren

een belangrijke schrede op den weg der "verklaring" van de

gravitatie gedaan.

Wij hebben in onze beschouwingen over beweging en rust uiteengezet,

dat het onmogelijk is om in de wereldruimte van absolute beweging of

rust te spreken. Alle lichamen bewegen zich ten opzichte van elkaar,

en alleen deze relatieve bewegingen kunnen wij leeren kennen. Wij

mogen voor het gemak, om de verschijnselen eenvoudig uit te drukken,

nu eens de aarde, dan weer de zon als rustend aannemen; maar weten

doen wij het niet. Of liever, er is in het geheel niet over te

spreken, of een of ander punt in rust is, daar dit een zinledig

woord is. Dit was de grondslag van de ontwikkeling der mechanika in

de 17de eeuw. Maar gaat dat alles nu nog wel op? De natuurkunde van

de 19de eeuw leert, dat de geheele wereldruimte gevuld is met den

wereldaether, het voertuig der lichtverschijnselen. Het ligt nu voor

de hand om alle bewegingen ten opzichte van dezen aether te

beschouwen; en dan kan men wel van absolute beweging en rust

spreken. In absolute rust is de wereldaether en elk ding, dat zich

ten opzichte van den wereldaether niet beweegt.

Het was nu van belang om de beweging van de aarde in absoluten zin,

dus t.o.v. den wereldaether te vinden. De aether doordringt alle

stoffen, vult de tusschenruimte tusschen alle atomen, en wanneer dus

de lichamen, waarmee wij werken, en hun atomen met groote snelheid

(b.v. van 27 KM per sekonde, de snelheid van de aarde in haar baan)

door den aether heen vliegen, moet dat in bepaalde optische en

elektrische verschijnselen voor den dag komen. Men heeft deze

proeven herhaaldelijk gedaan, maar de verwachte verschijnselen

bleven uit. Van een invloed der snelle beweging van de aarde t.o.v.

den aether was niets te bespeuren. Op alle vragen, die men haar

omtrent onze absolute beweging stelde, bleef de natuur stom. Het was

alsof ze zeide: uw vragen zijn zinloos. Men heeft allerlei

onderstellingen gemaakt om het uitblijven van de verwachte

verschijnselen te verklaren, tot _Albert Einstein_ in 1906 in zijn

_relativiteitstheorie_ het principe formuleerde, volgens hetwelk dit

uitblijven natuurlijk en vanzelfsprekend was. _Niet alleen de

hemelsche bewegingen, maar ook alle natuurkundige verschijnselen,

die wij waarnemen, vinden zóó plaats, dat daarbij van geen absolute

maar alleen van relatieve bewegingen sprake is_. Wij mogen in de

wereld als rustend of bewegend aannemen, wat wij willen: alle wetten

en verschijnselen moeten er dezelfde om blijven. Het is alsof er in

het geheel geen wereldaether is, en vele natuurkundigen, ook

Einstein zelf, laten de onderstelling dat er een wereldaether

bestaat, als een soort stoffelijke substantie, die alle werkingen in

de ruimte voortplant, geheel vervallen. Daarvoor in plaats treedt

dan echter het feit, dat de snelheid van het licht een bepalende rol

in alle bewegingsverschijnselen speelt; want alle kennis, die een

waarnemer van de gebeurtenissen in de wereld heeft, en die hij in

wetten uitdrukt, wordt hem naar zijn rustend of beweeglijk gedachte

standplaats overgebracht door voortplanting van lichtverschijnselen.

De lichtsnelheid is de bovenste grens van alle mogelijke bewegingen.

Niet alleen is het onmogelijk en zelfs ondenkbaar, dat ooit een

voorwerp deze snelheid overtreft of zelfs bereikt, maar elke

werkelijke beweging voelt ook het bestaan van die grens als het ware

als een soort druk van boven, die haar wijzigt, zij het ook in een

zoo geringe mate, als zij gering is in verhouding tot de

lichtsnelheid.

Nu verschijnt de algemeene aantrekkingskracht ook in een nieuw

licht. Zij is onder alle natuurkrachten een zeer bijzondere, of nog

juister gezegd: alle andere (b.v. de elektrische) krachten zijn

bijzonder en hangen van bijzondere toestanden af; maar de gravitatie

is algemeen en wordt bepaald door dezelfde massa, die in alle

bewegingen een rol speelt. Het is zelfs de vraag of men haar wel een

aparte kracht mag noemen. Want men kan haar door wijziging van onze

onderstellingen omtrent rust en beweging geheel laten verdwijnen.

Wij hebben bij onze beschouwingen over de middelpuntvliedende kracht

al gezien, hoe een bewegingstoestand zich als kracht kan openbaren.

Was de aarde steeds met een ondoorzichtige wolkenlaag bedekt, zoodat

de menschen nooit iets van de sterren hadden bemerkt, dus ook nooit

op het idee van een aswenteling waren gekomen, dan zouden zij uit

nauwkeurige waarnemingen gevonden hebben, dat de aantrekkingskracht

op een bepaalde manier van de plaats op aarde afhangt, en zoo hadden

ze alle bekende feiten evengoed weergegeven als wij door onze leer

van de aswenteling doen. Een ander voorbeeld kunnen wij vinden in

het projektiel, dat Jules Verne naar de maan liet schieten; de

menschen daar binnen in konden niets van zwaarte ondervinden, omdat

zij met alle voorwerpen om hen heen even snel als het projektiel

zelf naar de aarde toe vielen (d.w.z. hun vaart naar boven in

dezelfde mate vertraagden). In al hun bewegingen t.o.v. elkaar en de

wanden was de zwaartekracht afwezig, opgeheven door hun

gemeenschappelijke beweging. Wij kunnen ons nu in plaats van dit

projectiel een kamer, duizenden malen grooter voorstellen, met

dezelfde beweging; dan kunnen wij alle bewegingen en verschijnselen

daar binnen t.o.v. de kamer voorstellen, alsof deze in rust is. Daar

gelden alle wetten van de mechanika en de natuurkunde; er is geen

aantrekkingskracht, alles is gewichtloos en heeft enkel massa, alle

bewegingen vinden eenparig plaats, en een kogel, die er horizontaal

doorheen vliegt, loopt volkomen rechtlijnig. Beschouwen wij echter

alles t.o.v. de vaste aarde beneden, dan gelden ook nu nog dezelfde

natuurwetten alle, maar nu zijn de bewegingen naar beneden versneld,

de kogel beschrijft een gekromde baan, de voorwerpen oefenen een

druk naar beneden uit, en wij zeggen, dat er een aantrekkingskracht

werkt.

Nu zou men kunnen opmerken, dat de laatste manier van beschouwen dan

toch de meer natuurlijke en juiste is, terwijl de eerste alleen maar

een oogenblik als gefantaseerd geval gedacht wordt. Maar volgens het

beginsel van de relativiteit zijn beide manieren van opvatting even

goed en even juist; men kan alleen dit onderscheid maken, dat de een

voor ons praktischer en doelmatiger kan zijn dan de andere, omdat ze

eenvoudiger formules geeft of ruimer gebieden omvat. Maar daaraan,

wat voor ons doelmatig is, kan de natuur zich niet storen; zij mag

niet van onze willekeur afhankelijk zijn, en de natuurwetten moeten

in beide gevallen op dezelfde manier gelden. De natuurwetten mogen

dus nooit zóó geformuleerd worden, dat er een onderstelling in ligt

omtrent rust of absolute beweging; want dan zijn ze zeker niet

precies goed. Nu zijn uit de waarnemingsgegevens dikwijls eenvoudige

natuurwetten afgeleid, waarvan nu blijkt, dat ze niet aan dezen

eisch voldoen van onveranderd te blijven gelden, wat wij ook over

onze beweging of rust willen aannemen. Zij moeten dus eenigszins

gewijzigd worden, maar daar dit maar uiterst weinig is -- omdat de

snelheden ten opzichte van de lichtsnelheid uiterst klein zijn --

zal het verschil in de praktijk meestal absoluut onmerkbaar zijn.

Ook de eenvoudige aantrekkingswet, die Newton had afgeleid, kan nu

niet meer precies goed zijn; de gravitatie moet nog op zeer

ingewikkelde wijze van de snelheden af hangen. Bij zijn berekeningen

bleek het in 1915 aan Einstein, dat de wijzigingen, die daardoor in

de planetenbeweging ontstaan, zoo klein zijn, dat zij voor onze

beste waarnemingen geheel onmerkbaar blijven -- met één

uitzondering: de groote as van de Mercuriusbaan moet door dezen

invloed 43 sekonden per eeuw van richting veranderen. Nu was echter

juist (zie blz. 275) het eenige punt, waarin de waarnemingen en de

berekening volgens de wet van Newton niet overeenstemden, dat de

groote as van de Mercurius-baan per eeuw 43 seconden te veel

draaide. Zonder dat dus eenige verdere onderstelling noodig was, gaf

de relativiteitstheorie ineens een ongezochte verklaring van het

eenige feit in de planetenbeweging, dat door de zuivere wet van

Newton niet verklaard kon worden. Dit was een triomf van de nieuwe

theorie, die bewees, dat het door Einstein vooropgestelde

relativiteitsbeginsel geen theoretische fantasie was, maar in de

werkelijkheid van de natuur wortelt.

In het voorbeeld van Jules Verne's projektiel bleek, dat de

verschijnselen daar binnenin op twee manieren beschouwd en verklaard

konden worden: de eene plaats vindende in een ruimte zonder

gravitatie, de andere in een ruimte met gravitatie. Deze beide

manieren van beschouwing verschillen alleen, doordat de ruimten in

beide gevallen op een bepaalde manier ten opzichte van elkaar

bewegen; de gravitatie is dus geheel gelijkwaardig met betrekkingen

tusschen de eene ruimte en de andere, die niets met lichamen, maar

alleen met meetkundige eigenschappen van de ruimte en met tijd te

maken hebben. De gravitatie is niet een bijzondere kracht, die op

een lichaam werkt, dat zich ergens in de ruimte bevindt; zij is een

eigenschap van die ruimte zelf; zij is als het ware een verandering,

een vervorming van de meetkundige eigenschappen van de ruimte (en

daarbij ingesloten de tijd) waarin zij werkt, en dit maakt, dat de

beweging van de lichamen daarin niet meer eenparig rechtlijnig kan

zijn. Een eeuw geleden hadden Laplace en Poisson de gravitatie ook

al, in plaats van als kracht tusschen twee lichamen, opgevat als een

grootheid, die op elk punt van de ruimte een bepaalde waarde heeft,

bepaald door de naaste (ledige of met stof gevulde) omgeving, en die

zich dus van plaats tot plaats voortplanten moet; deze grootheid

bepaalt, wat er met de beweging van een lichaam gebeurt, dat zich in

dat punt bevindt. Wat voor hen een wiskundige grootheid was geweest,

alleen ten dienste van de berekeningen, heeft nu echter een dieperen

zin gekregen. Want de relativiteitstheorie, die de gravitatie tot

een meetkundige eigenschap van de ruimte maakt, brengt vanzelf mee,

dat alle natuurkundige verschijnselen in deze ruimte daarvan den

invloed ondervinden, d.w.z. naar het ons voorkomt, onderworpen zijn

aan de aantrekkingskracht. Evenals een voortgeschoten kogel loopt

ook een horizontale lichtstraal door onze bovenonderstelde

projektielkamer rechtlijnig voort. Maar dan moet ten opzichte van de

aarde deze lichtstraal evengoed als de kogel een gebogen baan

beschrijven. Een lichtstraal -- dat volgt dus uit het

relativiteitsbeginsel -- is aan de zwaarte onderworpen en gedraagt

zich als een voorwerp, dat met een snelheid van 300000 K.M. per

sekonde voortvliegt. Ook deze gevolgtrekking heeft men op de proef

kunnen stellen. Een lichtstraal, die van een ster achter de zon komt

en langs haar rand strijkt, zal door de aantrekking van de zon 1 3/4

sekonde van haar richting worden afgebogen; de fotografieën, die bij

de totale zoneklips van 29 Mei 1919 werden opgenomen, hebben deze

voorspelling geheel bevestigd.

Zoo heeft de leer van de gravitatie in de 20ste eeuw een grooten

sprong voorwaarts gedaan -- de grootste vooruitgang sinds Newton --

maar in geheel andere richting dan in de 19e eeuw verwacht werd. Men

had gehoopt, de aantrekkingskracht uit haar isolement te kunnen

bevrijden door haar terug te brengen tot denzelfden wereldaether,

die de natuurkunde als drager van alle elektrische verschijnselen en

van de voortplanting van het licht had opgesteld. Maar de samenhang

van deze verschillende gebieden is omgekeerd tot stand gebracht door

alle natuurkundige verschijnselen aan de gravitatie te onderwerpen.

En deze gravitatie zelf staat onaantastbaarder en geheimzinniger

voor ons door haar identiteit met de meest fundamenteele meetkundige

eigenschappen van ruimte en tijd. Men had gehoopt, de hypothesen,

die Newton niet had willen verzinnen, en die de aantrekking uit

bekende en begrijpelijke inwerkingen van lichamen op elkaar moest

verklaren, te kunnen vinden door tot de grondgedachte van Huygens

terug te keeren, in modernen, hooger ontwikkelden vorm, door den

toestand op elk punt van de ruimte aan een overal tegenwoordige

substantie met bepaalde eigenschappen toe te schrijven. Maar op het

voetspoor van Newton maakt Einstein de ruimte weer ledig, vraagt

niet hoe men zich de werkingen moet voorstellen, doch beperkt zich

tot het opstellen van formules, waarmee de verschijnselen juist

berekend kunnen worden. Als men dan let op de fundamenteele

beteekenis van de lichtsnelheid, waarmee zich de werkingen door de

wereldruimte voortplanten, dan is het duidelijk, dat deze

onderzoekingen van Einstein de ontwikkeling van de leer der

gravitatie tot een steeds grootere eenheid in het wetenschappelijk

natuurbeeld niet afgesloten, maar haar veeleer nieuwe banen geopend

hebben.

[Illustratie: Kaart van den Dierenriem (Noordelijke Helft)]

[Illustratie: Kaart van den Dierenriem (Zuidelijke Helft)]

[Transcriber's Notes:

De volgende zetfouten zijn gecorrigeerd:

[zich van het Noorwesten] ->

[zich van het Noordwesten]

[de kracht der zonnestaling] ->

[de kracht der zonnestraling]

[Zuiden haar grootste hoogste.] ->

[Zuiden haar grootste hoogte.]

[het middenpunt van dien cirkel] ->

[het middelpunt van dien cirkel]

[precies 365 dagen 6 uur] ->

[precies 365 dagen en 6 uur]

[als flauwe rinpeling zien] ->

[als flauwe rimpeling zien]

[knnnen blijven] ->

[kunnen blijven]

[de volmaakste lichaamsvorm] ->

[de volmaaktste lichaamsvorm]

[de volmaakste figuur] ->

[de volmaaktste figuur]

[gedeeltijk in de oudheid] ->

[gedeeltelijk in de oudheid]

[in orde wes gebracht] ->

[in orde was gebracht]

[die ten Zuidcn] ->

[die ten Zuiden]

[plaatsen op het Noordeljjk] ->

[plaatsen op het Noordelijk]

[over hnn ware] ->

[over hun ware]

[wij ook blz. 181] ->

[wij ook op blz. 181]

[dle het vallen] ->

[die het vallen]

[goed kunnen beprijpen.] ->

[goed kunnen begrijpen.]

[rond geslingerd werdt] ->

[rond geslingerd werd]

[bij punten spreken] ->

[van punten spreken]

[zoo grooten triumf] ->

[zoo grooten triomf]

[Hei is nu gemakkelijk] ->

[Het is nu gemakkelijk]

[duizende schepen] ->

[duizenden schepen]

[nauwlijks hooger dan] ->

[nauwelijks hooger dan]

[zooals de figunr aangeeft] ->

[zooals de figuur aangeeft]

[19e eeuw] / [19de eeuw]: beide schrijfwijzen komen meerdere

keren voor, maar de laatste het meest (ook voor andere eeuwen)

Dit is niet gecorrigeerd.

[sekonden] / [seconden] / [sekunden]: deze drie schrijfwijzen

komen allen meerdere keren voor. De eerste twee zijn reguliere

Nederlandse schrijfwijzen, de derde is dat niet: waarschijnlijk

is dit een onvertaald Duits woord. Dit is niet gecorrigeerd.

De papieren versie gebruikt voornamelijk gespatieerde tekst

en vetgedrukte tekst om fragmenten te benadrukken. Deze opmaak

is in de HTML-versie overgenomen maar kan toch op

tekst-fragmenten doorzocht worden alsof er van spatiëring geen

sprake is. De 'platte tekst'-versie simuleert met [~] de

vetgedrukte en met [_] de gespatieerde fragmenten.

Als u de spatiëring in de HTML-versie niet prettig vindt lezen,

kunt u dit eenvoudig aanpassen door de CSS-tag [expand_spacing]

in het <style>-gedeelte een andere opmaak te geven.

In de HTML-versie staan paginanummers: onderaan de pagina's.

Ze zijn wel zichtbaar, maar niet op te zoeken of te selecteren.

Dat geldt ook voor afbreekstreepjes die soms aan het einde van een

pagina voor komen. Het voordeel daarvan is dat de lezer kan zoeken

op tekstfragmenten zonder zich zorgen te hoeven maken over daarin

aanwezige paginanummers en afbreekstreepjes.

]

De Wonderbouw der Wereld · 第 63 / 64 题