30. PARALLAXE EN ABERRATIE.

Zoo overtuigend de ontdekkingen van Galilei ten gunste van het

stelsel van Copernicus spraken, een direkt en afdoend bewijs voor de

beweging van de aarde om de zon leverden ze toch niet. Wie nu

eenmaal van de nieuwe leer niets wilde weten, kon er zich nog altijd

op beroepen -- en dat gebeurde ook inderdaad -- dat zulke werkelijke

bewijzen ontbraken. Hoe was zulk een bewijs te vinden? Het

eenvoudigste en afdoendste zou de ontdekking van een schijnbare

jaarlijksche beweging bij de vaste sterren zijn. Evenals in de soms

terugloopende beweging der planeten -- een heen en weer schommelen

om de werkelijke plaats -- de loopbaan van de aarde om de zon zich

als het ware spiegelt, evenzoo moet deze zich ook in een schijnbare

beweging der vaste sterren spiegelen; het moet zijn, alsof iedere

ster jaarlijks een baan, een epicykeltje, om haar werkelijke plaats

beschrijft, en van hier gezien afwisselend naar verschillende zijden

van deze plaats afwijkt. Deze afwijking, die _jaarlijksche

parallaxe_ heet, is des te kleiner, naarmate de ster verder van ons

verwijderd is. Jupiter schommelt 22, Saturnus 12 graden heen en

weer; waren de vaste sterren 12 maal verder dan Saturnus van ons

verwijderd, dan zouden zij in den loop van een jaar één graad heen

en weer moeten schommelen. Daarvan was nu niets te bespeuren. De

sterren bleven onbeweeglijk op hun plaats staan. Dit kon tweeërlei

oorzaak hebben; òf de aarde bevond zich in rust en Copernicus had

ongelijk, òf de sterren waren, zooals Copernicus zelf al gezegd had,

zoo ver weg en hun parallaxe was zoo klein, dat wij er niets van

konden bemerken.

Natuurlijk was deze toestand voor de sterrekundigen niet aangenaam,

en ze deden in de 17de eeuw ook al hun best, door nauwkeurige

waarnemingen een parallaxe bij de vaste sterren te ontdekken. Maar

altijd tevergeefs. De waarnemingen waren tot op een paar minuten

nauwkeurig (een minuut is, naar wij ons herinneren, het 60ste deel

van een graad en wordt zelf weer in 60 sekunden verdeeld), dus kon

de parallaxe niet grooter dan een minuut zijn, anders had men ze

moeten bemerken. Dit beteekent, dat hun afstand minstens 3400 maal

grooter moet zijn dan de afstand van de zon tot de aarde. Veel

verder dan dit zou men ook niet gekomen zijn, als niet het nieuwe

hulpmiddel der verrekijkers hier nieuwe wegen ontsloten had.

Een verrekijker vergroot alle afstanden en maten aan den hemel. De

plaats van een ster kan dus in een kijker in dezelfde mate

nauwkeuriger opgemerkt en vastgesteld worden, als hij vergroot. Men

behoeft nu den kijker alleen nog maar met hulpmiddelen te voorzien,

om zijn plaats uiterst fijn en nauwkeurig te stellen en af te lezen

-- dat geschiedde door den vooruitgang in de fijne

instrumentmakerskunst -- om een werktuig te krijgen, waarmee alle

metingen aan den hemel een vroeger ondenkbare en steeds toenemende

nauwkeurigheid kregen. In de 18de eeuw daalde de onzekerheid der

metingen tot op weinige sekunden, in de 19de eeuw zelfs tot

onderdeelen van sekunden. Dit gebruik van den kijker als

meetinstrument heeft, nog veel meer dan zijn gebruik als

kijkinstrument, de geweldige ontwikkeling der sterrekundige

wetenschap in de laatste eeuwen bewerkt. En het heeft ook den wensch

naar direkte bewijzen voor de beweging der aarde bevredigd.

In de eerste helft van de 18de eeuw trachtte een Engelsch

sterrekundige, _James Bradley_, met een langen, loodrecht hangenden

kijker een ster, die dagelijks door het toppunt des hemels ging, zoo

nauwkeurig waar te nemen, dat hij ook een zeer geringe verandering

van haar plaats in den loop van een jaar moest ontdekken. En

inderdaad vond hij in 1728 zulk een verandering; in den loop van een

jaar beschreef de ster een kringetje van 40 sekunden middellijn --

wat dus met een afstand 10.000 maal grooter dan die van de zon zou

overeenkomen. Maar ongelukkigerwijze doorliep de ster dat kringetje

in geheel niet op de goede manier; zij stond steeds op de plaats,

waar ze drie maanden vroeger had moeten staan. Deze beweging kon dus

geen echte parallaxe zijn; het moest een ander verschijnsel van

onbekenden oorsprong zijn. Om de oorzaak te vinden moeten wij ons

eerst duidelijk maken, wat de ster eigenlijk deed.

[Illustratie]

Stellen wij ons voor, dat wij met een wagen om een plein heenrijden,

terwijl hoog boven het midden van het plein een ballon zweeft.

Houden wij dan een kijker op den ballon gericht, dan moet deze

kijker niet rechtop en niet steeds in dezelfde richting gehouden

worden. Hij moet iets naar het midden van het plein toe hellen,

zoodat hij achtereenvolgens naar alle richtingen helt: naar het

Oosten, als wij ons aan den westkant, naar het Noorden, als wij ons

aan den zuidkant bevinden, enz. Deze wagen verbeeldt de aarde, de

ballon een ster, de verandering in de richting van den kijker is de

parallaxe. In de figuur geeft A deze veranderingen weer. Bradley

moest echter zijn kijker anders stellen; wel hellend, maar naar den

kant, waar het midden van het plein een vierde van den omloop

vroeger lag, zooals in B. Dat wil dus zeggen: naar den kant, waar de

wagen zich juist heen beweegt. Om zijn kijker op de ster gericht te

houden, moest Bradley hem niet in de richting houden, waar de ster

zich van uit het middelpunt der aardbaan vertoont, maar wat

voorover, naar den kant, waar de aarde zich heen beweegt.

Is daar nu een reden voor te vinden, waarom de kijker naar de

richting van onze beweging moet overhellen? Wij kunnen ons een

dergelijk geval voorstellen, als wij in den regen rijden en wij

willen de regendruppels recht door een lange pijp laten vallen. Bij

een rechtopstaande pijp zouden ze achter tegen den wand spatten.

Alleen als wij de pijp schuin voorover houden, zullen de druppels,

die door de bovenste opening vallen, onder uit de pijp uitkomen; hoe

sneller wij rijden, des te schuiner moet de pijp gehouden worden.

Hier hebben we een geval, dat dadelijk op de waarneming van Bradley

past; in plaats van regendruppels, die door een open buis, zijn het

de lichtstralen, die door den kijker vallen. Mogen we dus aannemen,

dat het licht niet oogenblikkelijk overal is, maar een zekeren tijd

noodig heeft om een bepaalden weg af te leggen, dan is het door

Bradley waargenomen verschijnsel dadelijk verklaard.

[Illustratie]

Terwijl de lichtstralen den kijker van A naar B doorloopen, beweegt

de kijker met de aarde van C naar B voort; zij moeten dus, zullen

zij den kijker precies in 't midden doorloopen, het oogglas in B

vinden, dat toen zij boven in A intraden, nog een eindje terug, in C

was. Terwijl de ster werkelijk in de richting van B naar A staat,

moet de kijker voorover hellen en in de richting van C naar A staan.

Naar Bradley's waarnemingen was dit voorover hellen 1/10000 van de

lengte van den kijker, want de ster week 20 secunden van haar juiste

plaats af. Dit beduidt dus, dat in den tijd, dat het licht den

kijker doorloopt, de kijker zelf zich over een 10000 maal kleineren

afstand verplaatst: dat dus de snelheid van de aarde 10000 maal

kleiner is dan de snelheid van het licht.

Nu was de snelheid van het licht kort te voren opgemerkt en gemeten.

De manen van Jupiter treden bij hun omloop telkens met regelmatige

tusschentijden in en uit de schaduw van Jupiter; deze

verduisteringen bleken echter, wanneer Jupiter dicht bij zijn

oppositie was -- dus op zijn dichtst bij de aarde -- te vroeg te

komen, en omgekeerd te laat, wanneer Jupiter zich aan den anderen

kant van de zon, ver van de aarde bevond. De Deensche sterrekundige

Olaus Römer gaf voor dit verschil in 1675 de verklaring, dat het

licht langer tijd noodig heeft om grootere afstanden te doorloopen;

zoo vond hij, dat 8 1/3 minuut noodig zijn, om den afstand van de

zon tot de aarde af te leggen. Hoeveel tijd zou de aarde aan zulk

een afstand besteden? In 365 1/4 dag doorloopt zij den omtrek van

haar baan, die in de verhouding van 44 tot 7 tot den straal, den

afstand van de zon tot de aarde staat; deze laatste zou dus in 58

dagen of 84000 minuten doorloopen worden. De aarde beweegt zich dus

10000 maal langzamer dan het licht; daarmee bevond zich Bradley's

uitkomst inderdaad in de allerschoonste overeenstemming.

Door deze overeenstemming in getallenwaarde was aan deze verklaring

van het door Bradley ontdekte verschijnsel, dat de _aberratie van

het licht_ heet, niet meer te twijfelen. Het werd dan ook weldra bij

alle sterren, overal tot hetzelfde bedrag, opgemerkt. Maar daarmee

was dan ook gevonden, wat men zoo lang gezocht had, zij het ook op

andere wijze; _de aberratie is een direkt en ontwijfelbaar bewijs

voor de beweging van de aarde om de zon_ -- overigens was zulk een

bewijs toen al niet meer noodig, daar intusschen de verdere

ontwikkeling der sterrekunde deze beweging boven elken twijfel had

verheven.

Het was daarom ook niet meer noodig, voor dit doel naar parallaxen

der sterren te zoeken. Wel werd er verder naar gezocht, maar nu met

een ander doel: om den werkelijken afstand van de sterren te weten

te komen. Eerst in de 19de eeuw werd dit doel bereikt; de

allernaaste vaste ster bleek een parallaxe van 3/4 sekunde te

bezitten, dus ongeveer 300000 maal verder dan de zon van ons

verwijderd te zijn; en de anderen staan alle nog veel verder.

Copernicus had dus volkomen gelijk gehad, toen hij de reusachtige

afstanden der vaste sterren als oorzaak noemde, waardoor wij bij hen

geen schijnbare jaarlijksche beweging der aarde bemerken.

De Wonderbouw der Wereld · 第 45 / 64 题