Langs een langen weg zijn wij van ons eerste wereldbeeld, over
meerdere tusschenstations, nu tot deze nieuwe opvatting der wereld
gekomen, die zoo geheel en al van het uiterlijk aspekt der
hemelverschijnselen afwijkt. Laten wij op dezen weg nog een
oogenblik terugzien.
De onmiddellijke ervaring toonde ons, dat de zon, evenals ook de
maan en de sterren, in scheefliggende cirkels om ons loopt, opstijgt
en ondergaat en zoo de wisseling van dag en nacht bewerkt. Van deze
ervaring kwamen wij tot de voorstelling van een reusachtigen
hemelbol, die dagelijks om de hemelas wentelt en de zon en de
sterren meeneemt. Wij leerden onze eigen aarde als een bol in het
midden van dezen hemel kennen; wij bemerkten, dat de scheeve stand
van de hemelas slechts een toevallige eigenschap van onze woonplaats
op deze aarde is, en konden zoo onze gedachten van deze
bijzonderheid vrij maken. Boven en onder, scheef en recht zijn
woorden, die voor den hemel geen bepaalden zin meer hebben; het
eenige wat aan hem bepaald is, is de richting van de as. Doordat wij
ten slotte tot het inzicht kwamen, dat de draaiing van den hemel
slechts schijn is, en wij deze draaiing op de aarde overbrachten,
werd de hemelbol met zijn sterren stilgezet. Daarmee is de hemelbol
zelf overbodig geworden; wanneer elke ster toch stil op haar plaats
in de wereld blijft staan, hebben ze geen verbinding met elkaar meer
noodig. Midden in deze wereld draait de aarde in 24 uren om haar as,
en iedere plaats op aarde heeft daardoor beurtelings dag en nacht.
De ervaring had ons ook geleerd, dat de zon, de maan en de planeten
geen vaste plaatsen aan den hemelbol innemen, maar zich langs den
hemel in banen bewegen. Nu de hemel stilgezet en de hemelbol
verdwenen is, blijven deze banen als eenige beweging der
hemellichamen over. In een jaar loopt de zon in een cirkel om de
aarde heen; deze cirkel, de ekliptika, ligt scheef ten opzichte van
de aardas.
[Illustratie]
Teekenen wij de aardas in onze figuur rechtop, dan staat de zon in
Juni aan den eenen kant boven en verlicht zoo de Noordpool der
aarde, terwijl de Zuidpool in duister blijft; door de aswenteling
komen alle plaatsen op het Noordelijk halfrond het grootste deel van
den dag in de lichthelft, het kleinste deel in de schaduwhelft van
de aarde, terwijl het voor het Zuidelijk halfrond juist omgekeerd
is. Staat de zon een half jaar later aan den anderen kant beneden,
dan wordt omgekeerd de Zuidpool verlicht en ligt de Noordpool in de
schaduw. Zoo worden de jaargetijden verklaard als gevolg van den
scheeven stand der ekliptika ten opzichte van de aardas. Wij kunnen
dit echter evengoed een scheeven stand van de aardas ten opzichte
van de ekliptika noemen; daar de banen van alle planeten in de buurt
van de ekliptika liggen, is het veel gepaster, deze ekliptika als
grondvlak te nemen. Wij draaien dus liever de eerste figuur een
weinig om en teekenen haar zóó als deze tweede figuur, met de aardas
scheef ten opzichte van ons grondvlak.
[Illustratie]
Nu zijn wij ten slotte door ons onderzoek van de planetenbeweging
tot het inzicht gekomen, dat de zon in het midden staat, en dat de
aarde in een jaarlijkschen kring om haar heenloopt. Teekenen we de
figuur nu daarmee overeenkomstig, dan zien wij, dat ook in deze
nieuwe voorstelling de _jaargetijden ontstaan door den scheeven
stand van de aardas ten opzichte van de ekliptika_.
[Illustratie]
Maar wat bij de rustende aarde vanzelfsprekend was, moet nu, als
iets bijzonders, extra genoemd en onderstreept worden: _bij de
jaarlijksche wandeling om de zon behoudt de aardas altijd dezelfde
schuine richting en blijft steeds naar hetzelfde punt van den hemel
gericht_.
Daarin ligt nu ook niets wonderbaarlijks. Wij weten, dat een snel
ronddraaiend voorwerp tracht zooveel mogelijk zijn as in dezelfde
richting te houden, en zelfs weerstand biedt aan een kracht, die
zijn stand tracht te veranderen; iedereen heeft wel eens gezien, hoe
een tol door zijn snelle ronddraaiing verhinderd wordt te vallen.
Daarom moet ook de aarde, terwijl zij door de ruimte zweeft, door
haar snelle aswenteling steeds denzelfden stand der as behouden. Men
kan zich niets eenvoudigers en natuurlijkers voorstellen: een
wereldbol, die snel om zijn scheefstaande as draait en zoo bij zijn
cirkelbeweging om het centrum der wereld steeds zijn as in dezelfde
richting houdt. En daardoor worden niet alleen alle dagelijksche en
jaarlijksche wisselingen in de hemelverschijnselen evengoed
verklaard als bij onze vroegere opvattingen, maar bovendien worden
de ingewikkelde planetenbewegingen op de eenvoudigst denkbare manier
begrijpelijk gemaakt. Maar welk een tegenstelling tusschen deze
werkelijkheid en onzen eersten zinsindruk! Terwijl de menschen op
grond van hun dagelijksche, maar oppervlakkige ervaring den grond
onder hun voeten voor den onwankelbaarsten en meest vaststaanden
grondslag der dingen houden -- in ons dagelijksch leven bevredigt
ons die voorstelling ook volkomen -- heeft de studie der
hemelverschijnselen ons genoodzaakt, aan dezen aardbodem een dubbele
beweging toe te kennen, de wenteling om de aardas en den
jaarlijkschen kringloop om de zon.
Copernicus was niet de eerste, die op de gedachte kwam om de
hemelverschijnselen door een beweging van de aarde te verklaren. Wij
hebben er reeds op gewezen, dat het in het geheel niet in den geest
van zijn tijd lag, het gezag van de oude wereld te willen aantasten.
Juist omgekeerd bestaat de groote geestelijke beweging van dien tijd
in een "renaissance", een wederopleven van de antieke kunst en
wetenschap; en voor elke nieuwe leer zocht men naar klassieke
voorgangers, op wier eerwaardige namen men zich zou kunnen beroepen.
Daarom wees ook Copernicus er op, dat niet alle denkers der oudheid
het wereldstelsel van Ptolemaeus hadden aangehangen. In zijn
opdracht aan den paus voor in zijn werk vermeldt hij, dat
_Philolaus_, de Pythagoreër, en andere filosofen der oudheid een
beweging der aarde geleerd hadden. Daarom werd in de diskussies in
de 16de eeuw het stelsel van Copernicus, om op een erkende oude
autoriteit te steunen, steeds als het "Pythagoreïsche" wereldstelsel
tegenover het Ptolemaeïsche gesteld. In werkelijkheid was de
bedoelde leer van den Pythagoreër Philolaus, een tijdgenoot van
Sokrates, heel iets anders; hij nam, om de dagelijksche draaiing van
den hemel te verklaren, aan, dat de aarde eens per dag om een
centraalvuur rondliep, dat zich, voor ons onzichtbaar, aan de andere
zijde der aarde bevond.
Daarentegen heeft een ander, de reeds vermelde _Aristarchus_ van
Samos, die een eeuw na Aristoteles leefde, wel de beweging van de
aarde om de zon aangenomen. Wij weten dit niet uit eigen geschriften
van hem, maar alleen uit toevallige mededeelingen van latere
schrijvers. Zoo zegt de beroemde wiskundige Archimedes in zijn
"Zandrekening" -- een werkje, waarin hij uitrekent hoeveel
zandkorrels het heelal zouden kunnen vullen: "Aristarchus van Samos
heeft nu een boek met zekere hypothesen uitgegeven, waarin zijn
onderstellingen tot de uitkomst leiden, dat het heelal vele malen
grooter is dan wat ik zooeven gezegd heb. Hij neemt aan, dat de
vaste sterren en de zon onbeweeglijk zijn; dat de aarde zich in een
cirkel om de zon beweegt, die in het middelpunt van haar baan staat;
en dat de sfeer der vaste sterren om hetzelfde middelpunt zoo groot
is dat de cirkel, dien hij de aarde laat doorloopen, zich tot den
afstand der vaste sterren zoo verhoudt als het middelpunt van een
bol tot zijn oppervlak." 1) En evenzoo vermeldt later Plutarchus van
hem, dat hij "om de verschijnselen te verklaren, aannam, dat de
hemel stilstond en de aarde zich in een schuinen cirkel bewoog,
terwijl zij tegelijk om haar as draaide." Wij weten dus ook niet,
welke gronden hem tot zijn opvatting gebracht hebben. Waarschijnlijk
hangen ze samen met zijn reeds vroeger vermelde vernuftige bepaling
van den afstand der zon. Hij vond, dat de zon 19 maal verder dan de
maan van ons verwijderd is, dus ook 19 maal grooter in middellijn
moet zijn; daar de maanmiddellijn 4 maal kleiner dan die van de
aarde is, moet de zon de aarde in middellijn ongeveer 5 maal, dus in
inhoud wel 100 maal te boven gaan. Daarom is het hem
waarschijnlijker voorgekomen, dat de groote zon en niet de kleine
aarde het middelpunt der wereld innam. Nadat te voren reeds
Herakleides en de sterrekundigen van Alexandrië de planeten Venus en
Mercurius om de zon lieten loopen, was het niet zoo heel vreemd, dat
een later, nog verder ziend denker de zon tot middelpunt van alle
bewegingen maakte.
Men heeft er zich dikwijls over verwonderd en het bejammerd, dat de
oudheid, nadat zij zoo het ware wereldstelsel gevonden had, toch
weer in de dwaling terugviel en zich op den valschen weg der
epicykeltheorie begaf. Wie zoo spreekt, heeft echter ongelijk. De
tijd was toen voor de theorie van de zon als centrum nog niet rijp;
deze theorie was nog niet een noodzakelijkheid en beteekende niet
meer dan een vernuftige fantasie. Om de verschijnselen der planeten
voor te stellen, was zij niet beter en niet slechter dan de
epicykeltheorie, terwijl in andere opzichten de epicykeltheorie
boven haar de voorkeur verdiende. Ten eerste stond de
epicykeltheorie dichter bij de onmiddellijke aanschouwing; zij
ontbond het heen en weer schuiven der planeten aan den hemel
onmiddellijk in twee eenvoudige cirkelbewegingen. Toen dus in de
oude wereld --vooral sinds de stichting van de bibliotheek in
Alexandrië -- een regelmatige beoefening der sterrekunde in den vorm
van opzettelijke waarnemingen opkwam, en het er om te doen was, in
plaats van over vernuftige wereldtheorieën te fantaseeren, de
verschijnselen goed weer te geven, toen moest een theorie, die de
waargenomen bewegingen op de eenvoudigste manier wiskundig weergaf,
stellig de voorkeur verdienen. Daarom was ook, zooals boven reeds
uitgelegd werd, de epicykeltheorie de werkelijke konsekwentie der
Alexandrijnsche verklaring van de beweging van Venus en Mercurius.
Daarom was het werk van Hipparchus en Ptolemaeus geen achteruitgang,
maar lag het op den weg der natuurlijke ontwikkeling; eerst op den
grondslag eener volkomen opgebouwde epicykeltheorie kon de leer van
de beweging der aarde als een nog betere theorie opgroeien.
In de tweede plaats was de leer van de beweging der aarde, die als
uitdrukking der verschijnselen niet meer opleverde dan de
epicykeltheorie, in tegenspraak met de algemeen geldende natuurkunde
van Aristoteles. Dat gold ook nog voor den tijd van Copernicus zelf;
daarom kon ook toen de nieuwe leer nog niet veel meer dan een
eenvoudige wiskundige voorstelling der planetenbewegingen zijn. En
waarschijnlijk zou het Copernicus niet veel beter gegaan zijn dan
Aristarchus, wanneer niet zijn werk in een tijdperk van geweldige
maatschappelijke ontwikkeling verschenen was, in het begin van een
reusachtig snellen, door ontdekkingsreizen, technische uitvindingen
en ekonomische veranderingen voortgestuwden opbloei van het
natuuronderzoek. Daardoor werd de leer van Copernicus tot iets meer
dan een wiskundige theorie, die alleen de sterrekundigen
interesseerde, en speelde zij spoedig een belangrijke rol in den
geestesstrijd en de geweldige geestelijke beweging van dien tijd.
Want zij voert tot _een geheel nieuwe wereldbeschouwing_. De oude
tegenstelling tusschen de vaste stoffelijke donkere aarde, waar
alles wisselt en vergankelijk is, en den aetherischen hemel met zijn
vurige onvergankelijke gesternten bestaat nu niet meer. De aarde is
een planeet geworden, van dezelfde natuur als de schitterende
dwaalsterren, die wij aan den hemel zien bewegen. De dwaalsterren
zijn gelijkwaardig, dus zeker ook wel gelijksoortig met de aarde:
_de planeten zijn ook aardbollen_, donker en stoffelijk als de aarde
zelf. De aarde is niet meer het centrum en het hoofdlichaam van het
heelal; kunnen de menschen, die op deze aarde wonen, nu nog langer
gelooven, dat zij het doel van de geheele schepping zijn en dat deze
er alleen voor hen is? De aarde is een ondergeschikt lichaam in het
zonnestelsel geworden; andere gelijkwaardige wereldlichamen bevinden
zich naast haar, die misschien wel evenzeer door levende en denkende
wezens bewoond zijn. Ook de vaste bolschaal van den hemel is
verdwenen, die ais een pantser de wereld omsloot; vrij en
zelfstandig staan de sterren in de eindelooze wereldruimte. En deze
duizenden ver verwijderde, zelf lichtgevende sterren, zijn zij niet
misschien óók zonnen, die alleen door den reusachtigen afstand zoo
klein lijken? Worden zij misschien ook niet door donkere planeten
omcirkeld, die ook aan levende wezens tot woonplaats strekken?
Toen deze gevolgtrekkingen langzamerhand duidelijk werden, was het
onvermijdelijk, dat de heerschende geestelijke macht, de kerk, tegen
de nieuwe leer optrad. In het begin was er van zulk een vijandschap
geen sprake geweest, noch bij de katholieken, noch bij de nieuwe
protestantsche kerk; de leer van Copernicus werd eenvoudig als een
nieuwe en belangrijke wiskundige theorie beschouwd, die alleen de
geleerden aanging. Mochten ook Luther en Melanchton als bijbelvaste
theologen niets van haar willen weten, zoo was het juist een jong
geleerde uit Wittenberg, Rhaeticus, die als eerste geestdriftige
aanhanger en verkondiger van het nieuwe wereldsysteem optrad,
terwijl een ander Wittenberger Erasmus Reinhold, het werk van
Copernicus tot grondslag van zijn nieuwe planetentafels maakte. Ook
is bekend, hoe Copernicus door de hoogste prelaten van de katholieke
kerk aangemoedigd werd, in het belang der wetenschap zijn werk uit
te geven, dat hij aan den paus opdroeg. De kerk was gedurende de
middeleeuwen de draagster van alle geestelijke cultuur geweest, en
in het tijdvak der renaissance beschermden en bevorderden de hooge
geestelijken de ontwakende kunst en wetenschap, die aan de pas
ontsloten kultuur der antieke wereld aanknoopte, met groote
toewijding. Maar deze houding der kerk moest veranderen, toen de
scheuring der kerk, de hervorming der 16de eeuw, haar dwong zich
steviger te organiseeren om strijdend haar macht te verdedigen. Meer
dan vroeger was nu een scherpe geestelijke discipline noodig, en
onverbiddelijk moest zij voortaan op alles letten, wat aan de
vastgestelde geloofsleer afbreuk zou kunnen doen. Daarom moest zij
ook in strijd met het Copernicaansche wereldstelsel komen, zoodra
het duidelijk werd, welke met haar leer strijdige konsekwenties
daaruit afgeleid werden. Dat ondervond Giordano Bruno, die als
geestdriftig apostel der nieuwe leer door Europa trok, met groote
durf en fantasie de vèrststrekkende gevolgtrekkingen uit haar
afleidde en de oneindigheid der wereld leerde, waarin overal
bewoonbare planeten om ver verwijderde zonnen rondloopen; hij werd
in Italië gegrepen en om zijn filosofische leerstellingen in 1600 te
Rome als ketter verbrand. Maar reeds een paar jaar later werd de
strijd ten gunste van de nieuwe leer beslist.
In de 16de eeuw waren er nog maar weinige geleerden, die het met het
wereldstelsel van Copernicus hielden; de meesten wilden er niet van
weten. Twee moeilijkheden stonden haar algemeene aanneming in den
weg en gaven tegenover haar onbetwistbare wiskundige eenvoudigheid
den doorslag. Ten eerste was de beweging der aarde in tegenspraak
met de primitieve ervaringen, die in de overgeleverde en
vastgewortelde natuurkunde van Aristoteles hun theoretische
uitdrukking vonden. Ten tweede streed de gelijkstelling van de
planeten met de aarde tegen de grondslagen der godsdienstleer,
volgens welke de mensch en zijn eeuwig heil doel en bestemming van
het geheele bestaan der wereld was. Hoe de eerste moeilijkheid door
de proeven en onderzoekingen van Galilei uit den weg geruimd werd,
is al vroeger bij de behandeling van de aswenteling der aarde
uiteengezet. Het andere vooroordeel werd eveneens door Galilei
overwonnen door zijn ontdekkingen met den verrekijker.
1) Dat beteekent natuurlijk, dat de baan van de aarde onmerkbaar
klein is in verhouding tot den hemelbol.