28. DE AARDE ALS PLANEET.

Langs een langen weg zijn wij van ons eerste wereldbeeld, over

meerdere tusschenstations, nu tot deze nieuwe opvatting der wereld

gekomen, die zoo geheel en al van het uiterlijk aspekt der

hemelverschijnselen afwijkt. Laten wij op dezen weg nog een

oogenblik terugzien.

De onmiddellijke ervaring toonde ons, dat de zon, evenals ook de

maan en de sterren, in scheefliggende cirkels om ons loopt, opstijgt

en ondergaat en zoo de wisseling van dag en nacht bewerkt. Van deze

ervaring kwamen wij tot de voorstelling van een reusachtigen

hemelbol, die dagelijks om de hemelas wentelt en de zon en de

sterren meeneemt. Wij leerden onze eigen aarde als een bol in het

midden van dezen hemel kennen; wij bemerkten, dat de scheeve stand

van de hemelas slechts een toevallige eigenschap van onze woonplaats

op deze aarde is, en konden zoo onze gedachten van deze

bijzonderheid vrij maken. Boven en onder, scheef en recht zijn

woorden, die voor den hemel geen bepaalden zin meer hebben; het

eenige wat aan hem bepaald is, is de richting van de as. Doordat wij

ten slotte tot het inzicht kwamen, dat de draaiing van den hemel

slechts schijn is, en wij deze draaiing op de aarde overbrachten,

werd de hemelbol met zijn sterren stilgezet. Daarmee is de hemelbol

zelf overbodig geworden; wanneer elke ster toch stil op haar plaats

in de wereld blijft staan, hebben ze geen verbinding met elkaar meer

noodig. Midden in deze wereld draait de aarde in 24 uren om haar as,

en iedere plaats op aarde heeft daardoor beurtelings dag en nacht.

De ervaring had ons ook geleerd, dat de zon, de maan en de planeten

geen vaste plaatsen aan den hemelbol innemen, maar zich langs den

hemel in banen bewegen. Nu de hemel stilgezet en de hemelbol

verdwenen is, blijven deze banen als eenige beweging der

hemellichamen over. In een jaar loopt de zon in een cirkel om de

aarde heen; deze cirkel, de ekliptika, ligt scheef ten opzichte van

de aardas.

[Illustratie]

Teekenen wij de aardas in onze figuur rechtop, dan staat de zon in

Juni aan den eenen kant boven en verlicht zoo de Noordpool der

aarde, terwijl de Zuidpool in duister blijft; door de aswenteling

komen alle plaatsen op het Noordelijk halfrond het grootste deel van

den dag in de lichthelft, het kleinste deel in de schaduwhelft van

de aarde, terwijl het voor het Zuidelijk halfrond juist omgekeerd

is. Staat de zon een half jaar later aan den anderen kant beneden,

dan wordt omgekeerd de Zuidpool verlicht en ligt de Noordpool in de

schaduw. Zoo worden de jaargetijden verklaard als gevolg van den

scheeven stand der ekliptika ten opzichte van de aardas. Wij kunnen

dit echter evengoed een scheeven stand van de aardas ten opzichte

van de ekliptika noemen; daar de banen van alle planeten in de buurt

van de ekliptika liggen, is het veel gepaster, deze ekliptika als

grondvlak te nemen. Wij draaien dus liever de eerste figuur een

weinig om en teekenen haar zóó als deze tweede figuur, met de aardas

scheef ten opzichte van ons grondvlak.

[Illustratie]

Nu zijn wij ten slotte door ons onderzoek van de planetenbeweging

tot het inzicht gekomen, dat de zon in het midden staat, en dat de

aarde in een jaarlijkschen kring om haar heenloopt. Teekenen we de

figuur nu daarmee overeenkomstig, dan zien wij, dat ook in deze

nieuwe voorstelling de _jaargetijden ontstaan door den scheeven

stand van de aardas ten opzichte van de ekliptika_.

[Illustratie]

Maar wat bij de rustende aarde vanzelfsprekend was, moet nu, als

iets bijzonders, extra genoemd en onderstreept worden: _bij de

jaarlijksche wandeling om de zon behoudt de aardas altijd dezelfde

schuine richting en blijft steeds naar hetzelfde punt van den hemel

gericht_.

Daarin ligt nu ook niets wonderbaarlijks. Wij weten, dat een snel

ronddraaiend voorwerp tracht zooveel mogelijk zijn as in dezelfde

richting te houden, en zelfs weerstand biedt aan een kracht, die

zijn stand tracht te veranderen; iedereen heeft wel eens gezien, hoe

een tol door zijn snelle ronddraaiing verhinderd wordt te vallen.

Daarom moet ook de aarde, terwijl zij door de ruimte zweeft, door

haar snelle aswenteling steeds denzelfden stand der as behouden. Men

kan zich niets eenvoudigers en natuurlijkers voorstellen: een

wereldbol, die snel om zijn scheefstaande as draait en zoo bij zijn

cirkelbeweging om het centrum der wereld steeds zijn as in dezelfde

richting houdt. En daardoor worden niet alleen alle dagelijksche en

jaarlijksche wisselingen in de hemelverschijnselen evengoed

verklaard als bij onze vroegere opvattingen, maar bovendien worden

de ingewikkelde planetenbewegingen op de eenvoudigst denkbare manier

begrijpelijk gemaakt. Maar welk een tegenstelling tusschen deze

werkelijkheid en onzen eersten zinsindruk! Terwijl de menschen op

grond van hun dagelijksche, maar oppervlakkige ervaring den grond

onder hun voeten voor den onwankelbaarsten en meest vaststaanden

grondslag der dingen houden -- in ons dagelijksch leven bevredigt

ons die voorstelling ook volkomen -- heeft de studie der

hemelverschijnselen ons genoodzaakt, aan dezen aardbodem een dubbele

beweging toe te kennen, de wenteling om de aardas en den

jaarlijkschen kringloop om de zon.

Copernicus was niet de eerste, die op de gedachte kwam om de

hemelverschijnselen door een beweging van de aarde te verklaren. Wij

hebben er reeds op gewezen, dat het in het geheel niet in den geest

van zijn tijd lag, het gezag van de oude wereld te willen aantasten.

Juist omgekeerd bestaat de groote geestelijke beweging van dien tijd

in een "renaissance", een wederopleven van de antieke kunst en

wetenschap; en voor elke nieuwe leer zocht men naar klassieke

voorgangers, op wier eerwaardige namen men zich zou kunnen beroepen.

Daarom wees ook Copernicus er op, dat niet alle denkers der oudheid

het wereldstelsel van Ptolemaeus hadden aangehangen. In zijn

opdracht aan den paus voor in zijn werk vermeldt hij, dat

_Philolaus_, de Pythagoreër, en andere filosofen der oudheid een

beweging der aarde geleerd hadden. Daarom werd in de diskussies in

de 16de eeuw het stelsel van Copernicus, om op een erkende oude

autoriteit te steunen, steeds als het "Pythagoreïsche" wereldstelsel

tegenover het Ptolemaeïsche gesteld. In werkelijkheid was de

bedoelde leer van den Pythagoreër Philolaus, een tijdgenoot van

Sokrates, heel iets anders; hij nam, om de dagelijksche draaiing van

den hemel te verklaren, aan, dat de aarde eens per dag om een

centraalvuur rondliep, dat zich, voor ons onzichtbaar, aan de andere

zijde der aarde bevond.

Daarentegen heeft een ander, de reeds vermelde _Aristarchus_ van

Samos, die een eeuw na Aristoteles leefde, wel de beweging van de

aarde om de zon aangenomen. Wij weten dit niet uit eigen geschriften

van hem, maar alleen uit toevallige mededeelingen van latere

schrijvers. Zoo zegt de beroemde wiskundige Archimedes in zijn

"Zandrekening" -- een werkje, waarin hij uitrekent hoeveel

zandkorrels het heelal zouden kunnen vullen: "Aristarchus van Samos

heeft nu een boek met zekere hypothesen uitgegeven, waarin zijn

onderstellingen tot de uitkomst leiden, dat het heelal vele malen

grooter is dan wat ik zooeven gezegd heb. Hij neemt aan, dat de

vaste sterren en de zon onbeweeglijk zijn; dat de aarde zich in een

cirkel om de zon beweegt, die in het middelpunt van haar baan staat;

en dat de sfeer der vaste sterren om hetzelfde middelpunt zoo groot

is dat de cirkel, dien hij de aarde laat doorloopen, zich tot den

afstand der vaste sterren zoo verhoudt als het middelpunt van een

bol tot zijn oppervlak." 1) En evenzoo vermeldt later Plutarchus van

hem, dat hij "om de verschijnselen te verklaren, aannam, dat de

hemel stilstond en de aarde zich in een schuinen cirkel bewoog,

terwijl zij tegelijk om haar as draaide." Wij weten dus ook niet,

welke gronden hem tot zijn opvatting gebracht hebben. Waarschijnlijk

hangen ze samen met zijn reeds vroeger vermelde vernuftige bepaling

van den afstand der zon. Hij vond, dat de zon 19 maal verder dan de

maan van ons verwijderd is, dus ook 19 maal grooter in middellijn

moet zijn; daar de maanmiddellijn 4 maal kleiner dan die van de

aarde is, moet de zon de aarde in middellijn ongeveer 5 maal, dus in

inhoud wel 100 maal te boven gaan. Daarom is het hem

waarschijnlijker voorgekomen, dat de groote zon en niet de kleine

aarde het middelpunt der wereld innam. Nadat te voren reeds

Herakleides en de sterrekundigen van Alexandrië de planeten Venus en

Mercurius om de zon lieten loopen, was het niet zoo heel vreemd, dat

een later, nog verder ziend denker de zon tot middelpunt van alle

bewegingen maakte.

Men heeft er zich dikwijls over verwonderd en het bejammerd, dat de

oudheid, nadat zij zoo het ware wereldstelsel gevonden had, toch

weer in de dwaling terugviel en zich op den valschen weg der

epicykeltheorie begaf. Wie zoo spreekt, heeft echter ongelijk. De

tijd was toen voor de theorie van de zon als centrum nog niet rijp;

deze theorie was nog niet een noodzakelijkheid en beteekende niet

meer dan een vernuftige fantasie. Om de verschijnselen der planeten

voor te stellen, was zij niet beter en niet slechter dan de

epicykeltheorie, terwijl in andere opzichten de epicykeltheorie

boven haar de voorkeur verdiende. Ten eerste stond de

epicykeltheorie dichter bij de onmiddellijke aanschouwing; zij

ontbond het heen en weer schuiven der planeten aan den hemel

onmiddellijk in twee eenvoudige cirkelbewegingen. Toen dus in de

oude wereld --vooral sinds de stichting van de bibliotheek in

Alexandrië -- een regelmatige beoefening der sterrekunde in den vorm

van opzettelijke waarnemingen opkwam, en het er om te doen was, in

plaats van over vernuftige wereldtheorieën te fantaseeren, de

verschijnselen goed weer te geven, toen moest een theorie, die de

waargenomen bewegingen op de eenvoudigste manier wiskundig weergaf,

stellig de voorkeur verdienen. Daarom was ook, zooals boven reeds

uitgelegd werd, de epicykeltheorie de werkelijke konsekwentie der

Alexandrijnsche verklaring van de beweging van Venus en Mercurius.

Daarom was het werk van Hipparchus en Ptolemaeus geen achteruitgang,

maar lag het op den weg der natuurlijke ontwikkeling; eerst op den

grondslag eener volkomen opgebouwde epicykeltheorie kon de leer van

de beweging der aarde als een nog betere theorie opgroeien.

In de tweede plaats was de leer van de beweging der aarde, die als

uitdrukking der verschijnselen niet meer opleverde dan de

epicykeltheorie, in tegenspraak met de algemeen geldende natuurkunde

van Aristoteles. Dat gold ook nog voor den tijd van Copernicus zelf;

daarom kon ook toen de nieuwe leer nog niet veel meer dan een

eenvoudige wiskundige voorstelling der planetenbewegingen zijn. En

waarschijnlijk zou het Copernicus niet veel beter gegaan zijn dan

Aristarchus, wanneer niet zijn werk in een tijdperk van geweldige

maatschappelijke ontwikkeling verschenen was, in het begin van een

reusachtig snellen, door ontdekkingsreizen, technische uitvindingen

en ekonomische veranderingen voortgestuwden opbloei van het

natuuronderzoek. Daardoor werd de leer van Copernicus tot iets meer

dan een wiskundige theorie, die alleen de sterrekundigen

interesseerde, en speelde zij spoedig een belangrijke rol in den

geestesstrijd en de geweldige geestelijke beweging van dien tijd.

Want zij voert tot _een geheel nieuwe wereldbeschouwing_. De oude

tegenstelling tusschen de vaste stoffelijke donkere aarde, waar

alles wisselt en vergankelijk is, en den aetherischen hemel met zijn

vurige onvergankelijke gesternten bestaat nu niet meer. De aarde is

een planeet geworden, van dezelfde natuur als de schitterende

dwaalsterren, die wij aan den hemel zien bewegen. De dwaalsterren

zijn gelijkwaardig, dus zeker ook wel gelijksoortig met de aarde:

_de planeten zijn ook aardbollen_, donker en stoffelijk als de aarde

zelf. De aarde is niet meer het centrum en het hoofdlichaam van het

heelal; kunnen de menschen, die op deze aarde wonen, nu nog langer

gelooven, dat zij het doel van de geheele schepping zijn en dat deze

er alleen voor hen is? De aarde is een ondergeschikt lichaam in het

zonnestelsel geworden; andere gelijkwaardige wereldlichamen bevinden

zich naast haar, die misschien wel evenzeer door levende en denkende

wezens bewoond zijn. Ook de vaste bolschaal van den hemel is

verdwenen, die ais een pantser de wereld omsloot; vrij en

zelfstandig staan de sterren in de eindelooze wereldruimte. En deze

duizenden ver verwijderde, zelf lichtgevende sterren, zijn zij niet

misschien óók zonnen, die alleen door den reusachtigen afstand zoo

klein lijken? Worden zij misschien ook niet door donkere planeten

omcirkeld, die ook aan levende wezens tot woonplaats strekken?

Toen deze gevolgtrekkingen langzamerhand duidelijk werden, was het

onvermijdelijk, dat de heerschende geestelijke macht, de kerk, tegen

de nieuwe leer optrad. In het begin was er van zulk een vijandschap

geen sprake geweest, noch bij de katholieken, noch bij de nieuwe

protestantsche kerk; de leer van Copernicus werd eenvoudig als een

nieuwe en belangrijke wiskundige theorie beschouwd, die alleen de

geleerden aanging. Mochten ook Luther en Melanchton als bijbelvaste

theologen niets van haar willen weten, zoo was het juist een jong

geleerde uit Wittenberg, Rhaeticus, die als eerste geestdriftige

aanhanger en verkondiger van het nieuwe wereldsysteem optrad,

terwijl een ander Wittenberger Erasmus Reinhold, het werk van

Copernicus tot grondslag van zijn nieuwe planetentafels maakte. Ook

is bekend, hoe Copernicus door de hoogste prelaten van de katholieke

kerk aangemoedigd werd, in het belang der wetenschap zijn werk uit

te geven, dat hij aan den paus opdroeg. De kerk was gedurende de

middeleeuwen de draagster van alle geestelijke cultuur geweest, en

in het tijdvak der renaissance beschermden en bevorderden de hooge

geestelijken de ontwakende kunst en wetenschap, die aan de pas

ontsloten kultuur der antieke wereld aanknoopte, met groote

toewijding. Maar deze houding der kerk moest veranderen, toen de

scheuring der kerk, de hervorming der 16de eeuw, haar dwong zich

steviger te organiseeren om strijdend haar macht te verdedigen. Meer

dan vroeger was nu een scherpe geestelijke discipline noodig, en

onverbiddelijk moest zij voortaan op alles letten, wat aan de

vastgestelde geloofsleer afbreuk zou kunnen doen. Daarom moest zij

ook in strijd met het Copernicaansche wereldstelsel komen, zoodra

het duidelijk werd, welke met haar leer strijdige konsekwenties

daaruit afgeleid werden. Dat ondervond Giordano Bruno, die als

geestdriftig apostel der nieuwe leer door Europa trok, met groote

durf en fantasie de vèrststrekkende gevolgtrekkingen uit haar

afleidde en de oneindigheid der wereld leerde, waarin overal

bewoonbare planeten om ver verwijderde zonnen rondloopen; hij werd

in Italië gegrepen en om zijn filosofische leerstellingen in 1600 te

Rome als ketter verbrand. Maar reeds een paar jaar later werd de

strijd ten gunste van de nieuwe leer beslist.

In de 16de eeuw waren er nog maar weinige geleerden, die het met het

wereldstelsel van Copernicus hielden; de meesten wilden er niet van

weten. Twee moeilijkheden stonden haar algemeene aanneming in den

weg en gaven tegenover haar onbetwistbare wiskundige eenvoudigheid

den doorslag. Ten eerste was de beweging der aarde in tegenspraak

met de primitieve ervaringen, die in de overgeleverde en

vastgewortelde natuurkunde van Aristoteles hun theoretische

uitdrukking vonden. Ten tweede streed de gelijkstelling van de

planeten met de aarde tegen de grondslagen der godsdienstleer,

volgens welke de mensch en zijn eeuwig heil doel en bestemming van

het geheele bestaan der wereld was. Hoe de eerste moeilijkheid door

de proeven en onderzoekingen van Galilei uit den weg geruimd werd,

is al vroeger bij de behandeling van de aswenteling der aarde

uiteengezet. Het andere vooroordeel werd eveneens door Galilei

overwonnen door zijn ontdekkingen met den verrekijker.

1) Dat beteekent natuurlijk, dat de baan van de aarde onmerkbaar

klein is in verhouding tot den hemelbol.

De Wonderbouw der Wereld · 第 43 / 64 题