26. HET WERELDSTELSEL VAN PTOLEMAEUS.

In het Grieksche wereldbeeld van Aristoteles stond de bolvormige

aarde in het midden van het heelal, terwijl aan den buitenkant de

met sterren bezaaide hemelbol ronddraaide, Welke plaats moesten hier

de planeten innemen?

De planeten behoorden, evenals zon en maan, tot het hemelgebied;

maar zij zaten niet aan den hemelbol vast. Zij hadden hun eigen

banen, die bij de planeten alleen maar veel ingewikkelder waren dan

bij zon en maan. Aristoteles nam aan, dat al deze hemellichamen aan

doorschijnende kristallen sferen of bolschalen vastzaten, die door

den buitensten hemelbol in zijn dagelijksche draaiing meegesleept

werden en daarenboven nog hun bijzondere bewegingen hadden. De

wiskundige _Eudoxus_ had een vernuftige theorie opgesteld, hoe door

een samenstel van meerdere bolschalen, die alle regelmatig in elkaar

draaien, de afwisseling van rechtloopende en terugloopende beweging

bij de planeten kon ontstaan; en deze verklaring werd door

Aristoteles overgenomen. Bevredigend was zij echter niet. Volgens

deze leer van de kristalsferen moest een planeet altijd evenver van

het middelpunt der wereld afblijven.

[Illustratie: Cirkel van Venus om de zon.]

Maar aan de sterke wisselingen in helderheid van Mars en Venus zien

wij, dat deze planeten niet altijd evenver van ons verwijderd kunnen

zijn. Tallooze malen hebben wij waargenomen, dat een licht des te

kleiner en zwakker wordt, naarmate het verder van ons verwijderd is.

Daar Mars in de oppositie veel schitterender is dan in andere deelen

van zijn baan, moet hij dan veel dichter bij de aarde zijn.

De eigenaardige natuur van de beweging van Mercurius en Venus leidde

vanzelf tot een betere verklaring. Deze beide planeten schommelen

altijd aan beide kanten van de zon heen en weer, en staan dus

ongetwijfeld in nauwe betrekking tot de zon. Daarom lag hier de

gedachte voor de hand, dat niet de aarde, maar de zon het middelpunt

van hun beweging is. Nemen wij nu aan, _dat Venus een cirkel om de

zon beschrijft_, dan worden op eens alle eigenaardigheden van haar

beweging op eenvoudige wijze verklaard. De grootte van dezen cirkel

moet zoo zijn, dat in de grootste elongatie Venus aan den hemel 46

graden van de zon verwijderd is; dat komt uit, wanneer de straal van

den cirkel tusschen 1/3 en 1/4 kleiner is dan de afstand van de zon

tot de aarde. Het tijdstip van de grootste elongatie ligt dan,

zooals men in de figuur dadelijk ziet, niet midden tusschen de beide

tijdstippen, waarop de planeet achter en voor de zon staat, maar

veel dichter bij het laatste. Doorloopt Venus haar cirkel met

gelijkmatige snelheid, dan moet zij drie maal zooveel tijd besteden

om uit het verste, achter de zon gelegen punt van haar baan in de

grootste elongatie te komen, dan zij noodig heeft om vandaar uit

vóór de zon te verdwijnen -- juist zooals het werkelijk gebeurt.

Wanneer Venus avondster wordt, komt zij dus van achter de zon weg;

omdat zij dan geleidelijk dichter bij ons komt, wordt zij steeds

schitterender; na haar grootste elongatie aan den avondhemel rent

zij in 2 maanden naar de zon terug en met dezelfde vaart aan den

morgenhemel weer van haar weg, omdat zij dan tusschen de aarde en de

zon doorloopt.

Dit inzicht, dat Venus en Mercurius zich in cirkels om de zon

bewegen, wordt door latere schrijvers aan denzelfden Herakleides

toegeschreven, dien wij reeds als verkondiger van de aswenteling der

aarde leerden kennen; en ook bij de sterrekundigen in Alexandrië

schijnt deze leer aanhang gevonden te hebben. Uit haar moest zich

dan vanzelf een gelijksoortige verklaring voor de andere planeten

ontwikkelen. Want de baan van Venus tusschen de sterren vertoont

precies hetzelfde karakter als de banen der andere planeten,

dezelfde wisseling van een langere rechtloopende en een kortere

terugloopende beweging. Deze baan ontstaat, doordat de zon in haar

jaarlijksche beweging om de aarde den loopkring van Venus met de

planeet zelf meeneemt. En zoo verklaart ook de _epicykel-theorie_,

die door _Apollonius_ (200 v. C.), en _Hipparchus_ 150 v. C. (2

eeuwen na Aristoteles) opgesteld en door _Ptolemaeus_ (weer 3 eeuwen

later) in details uitgewerkt werd, de _onregelmatigheid der

planetenbeweging eenvoudig uit de kombinatie van twee

cirkelbewegingen_.

[Illustratie: De epicykelbeweging der planeten.]

Wanneer wij aan den omtrek van een rad een pen inslaan en dan op die

pen als as een kleiner rad zetten, dan kan een balletje ergens aan

den omtrek van het kleine rad een planeet voorstellen, waarvan wij

de beweging met dit model gemakkelijk kunnen nabootsen. Wij laten

beide raderen draaien, en wel het kleine sneller dan het groote,

Welken weg het balletje daarbij doorloopt, is uit de figuur

duidelijk te zien. Terwijl het kleine rad eenmaal ronddraait,

beweegt de pen, zijn middelpunt, zich regelmatig van a1 tot a7; de

tusschenliggende punten in de figuur, a2, a3 enz. stellen de plaats

van de pen telkens na 1/6 omloop van het kleine rad voor, en de

punten 1, 2 enz. tot 7 de gelijktijdige plaatsen van het balletje.

De baan van het balletje blijkt hier uit een reeks van langgestrekte

bogen en lussen te bestaan. Zit nu een klein wezentje in het

middelpunt van het groote rad, dan moet het van daaruit het balletje

beurtelings snel voorwaarts en dan langzaam een eindje terug zien

gaan, juist zooals wij bij de planeten aan den hemel zien. De lussen

zelf zou het niet kunnen zien; het zou alleen bemerken, dat de

planeet vóór het terugloopen naar hem toekomt en na het terugloopen

weer van hem weggaat -- evenals wij bij Mars zien, die vóór het

terugloopen sterk in glans toeneemt en naderhand weer veel kleiner

wordt.

Aan dit model is duidelijk te zien, _hoe de onregelmatige beweging

van een planeet uit twee eenvoudige regelmatige cirkelbewegingen

ontstaat_ en daarin dus ook weer te ontbinden is. Stond het groote

rad stil, dan zou de waarnemer in het middelpunt de planeet

eenvoudig om de pen heen en weer zien schommelen. Door de draaiing

van het groote rad beweegt zich echter de pen tegelijk naar links

voort, en daarom gaat de planeet beurtelings lang en snel naar

links, en kort en langzaam naar rechts. Wanneer de pen van ons

model, het middelpunt van den kleinen cirkel, aan den hemel door een

zichtbaar merkteeken aangegeven was, zouden wij de planeet

beurtelings links en rechts van dit merk heen en weer zien

schommelen, nu eens vooruitloopend en dan weer er bij

achterblijvend. Bij de bewegingen van Venus en Mercurius is de zon

dit merk, en daarom was hier de natuur van hun beweging zooveel

gemakkelijker te onderkennen.

In de werkelijkheid, in de wereldruimte, is natuurlijk van zulke

raderen niets te vinden. De zon en de maan bewegen zich ook in

cirkels om het middelpunt der wereld zonder aan raderen vast te

zitten; volgens de oude wereldleer is de cirkelbeweging om een

middelpunt de natuurlijke beweging voor een hemellichaam. Terwijl

echter zon en maan ieder aan één cirkel genoeg hebben, heeft iedere

planeet twee cirkels noodig: zij beweegt zich in een cirkel, die

zelf weer op een anderen, een leidcirkel, vastzit (vandaar de naam

epicykel, letterlijk opcirkel). Het middelpunt van haar loopkring

ligt niet in het wereldmiddelpunt, maar loopt in een kring om dit

centrum heen, zonder dat daarbij aan een mechanische verbinding

gedacht moet worden. Den astronomen uit den tijd van Hipparchus en

Ptolemaeus was het er niet om te doen over de oorzaak van de

hemelsche bewegingen en over het mechanisme, waardoor zij

voortgebracht werden, te filosofeeren; zij wilden ze alleen maar in

wiskundigen vorm weergeven door een theorie, die veroorloofde deze

bewegingen vooruit te berekenen. Daarom zeggen Hipparchus en

Ptolemaeus ook niet, dat Venus en Mercurius cirkels om de zon

beschrijven; zij maken geen onderscheid tusschen de verschillende

planeten, en voor Venus en Mercurius voegen zij er alleen bij, dat

het middelpunt van hun epicykels samen met de zon de ekliptika

doorloopt en dezelfde lengte heeft, dus zich in dezelfde richting

bevindt als de zon.

Omdat het middelpunt van den epicykel niet door een zichtbaar merk

aan den hemel aangegeven wordt, kunnen wij ook niet onmiddellijk aan

den hemel zien, hoever de planeet zich er links of rechts van

verwijdert. Maar wij weten, dat in het midden van de terugloopende

beweging, in de oppositie, het middelpunt van den epicykel juist

achter de planeet staat; en daar wij ook weten, dat het regelmatig

langs den hemel voortwandelt, kunnen wij afleiden waar het op elken

anderen tijd staat; wij zien het als het ware met ons geestesoog

langs de ekliptika schuiven. Vergelijken wij daarmee de plaats, waar

wij de planeet zelf zien staan, dan vinden wij gemakkelijk, hoever

de planeet zich naar beide zijden op zijn hoogst van dit middelpunt

verwijdert. Bij Saturnus vinden wij daarvoor 6 graden, bij Jupiter

11, bij Mars 41 graden, en daaruit kunnen wij, evenals bij Venus uit

de grootste elongatie, de verhouding tusschen den epicykel en den

leidcirkel berekenen. Wij vinden dan voor den epicykel bij Saturnus

1/9 bij Jupiter 1/5 en bij Mars 2/3 van den leidcirkel (Ptolemaeus

geeft daarvoor de nauwkeuriger getallen 0,109, 0,192 en 0,658),

terwijl deze verhouding bij Venus 0,720 en bij Mercurius 0,375

bedraagt.

Wij hebben tot nog toe bij onze beschouwing van de

planetenbewegingen niet nader gelet op de kleine afwijkingen

noordelijk en zuidelijk van de ekliptika. Door die afwijkingen in

breedte bestaat de beweging van een planeet aan den hemel niet in

een eenvoudig heen en weer schuiven, maar buigt zij zich in

slingeringen nu eens wat naar boven, dan naar beneden; en soms

vertoont haar baan een lus, zooals in onze figuur van de

Mars-oppositie 1913--'14 te zien is. Deze schommelingen op en neer

laten zich moeilijk beschrijven: de epicykeltheorie kon ze echter

gemakkelijk verklaren door de beide cirkels scheef ten opzichte van

elkander en van de ekliptika aan te nemen. Zetten wij in ons

modelletje het kleine rad iets scheef op het groote, dan ziet de

waarnemer in het middelpunt de lus schuin van onderen, en zij wordt

hem dus, zij het ook in sterk samengedrukten vorm, als lus

zichtbaar.

De Wonderbouw der Wereld · 第 41 / 64 题