Slechts op het eerste gezicht schijnt de beweging der planeten
geheel regelloos en onregelmatig. Zoodra men ze opmerkzaam en
aanhoudend begint waar te nemen, treedt toch in hun beweging
gaandeweg een bepaalde orde en regelmaat voor den dag, die ons den
weg naar de verrassendste inzichten in den wonderbouw van het heelal
opent. Daarom ligt er zulk een bijzondere bekoring in om van dag tot
dag, van week tot week, den stand der planeten tusschen de sterren
te volgen, op dezelfde wijze als voor duizenden jaren de eerste
waarnemers in Babylon en Griekenland dat deden. Daarvoor moet juist
de kaart van den dierenriem achter in dit boek dienen, waarop de
sterren, die voor het bloote oog duidelijk zichtbaar zijn, alle
ingeteekend zijn. Tusschen deze sterren kan men eenvoudig op het oog
de plaats der planeten, zoo dikwijls men wil, inteekenen en dan
naderhand desgewenscht met behulp van de deelstrepen hun lengte en
breedte in graden aflezen. Of wij ons daarbij met het uiterlijke
beeld der planetenbanen tevredenstellen, of deze in de getallenmaat
van lengte en breedte uitdrukken -- in ieder geval verschaffen ons
deze waarnemingen een eigenhandig ervaringsmateriaal, dat ons in
staat stelt ons een volkomener inzicht in den bouw van het heelal te
verschaffen. Tegelijk wordt daarbij de sterrenhemel voor ons een
schouwtooneel vol afwisseling en leven, waar de heldere,
verschillend gekleurde dwaalsterren heen en weer trekken, terwijl ze
nu eens helderder, dan weer kleiner worden, elkaar ontmoeten,
verrassende konstellaties en groepen vormen, die van dag tot dag er
anders uitzien en dan uit elkaar gaan, altijd anders en altijd
nieuw, nooit zich precies herhalend -- en toch blijkt weldra deze
rijke en ordelooze veelvuldigheid uit de schoonste orde en regelmaat
voort te komen.
De eerste regel, dien wij hierbij als grondslag van alle orde der
hemelsche bewegingen vinden, is deze: _de verschijnselen der
planeten herhalen zich in bepaalde perioden steeds weer op nagenoeg
dezelfde wijze_. Het grondprincipe van hun beweging is regelmaat; al
beweegt de planeet zich binnen een periode ook onregelmatig heen en
weer, zoo herhaalt zich toch ditzelfde spel in elke nieuwe periode.
Daardoor wordt het onderzoek der planetenbeweging op eens veel
eenvoudiger; men behoeft nu slechts de periode te kennen en de
beweging gedurende een enkele periode.
Laten wij beginnen met bij de planeet Saturnus den kringloop van
verschijnselen na te gaan, die begint, wanneer de planeet aan den
morgenhemel zichtbaar wordt en die ongeveer een jaar later met zijn
verdwijnen in de westelijke avondschemering afsluit.
[Illustratie: De baan van Saturnus 1911 tot 1913.]
In het midden van dezen kringloop ligt het tijdstip, waarop Saturnus
aan den hemel juist tegenover de zon staat of, zooals de vakterm
luidt, _in oppositie met de zon is_; hij komt dan des avonds op,
staat den geheelen nacht aan den hemel en gaat 's morgens onder. In
den loop van deze periode zien wij de planeet eerst -- dus wanneer
hij in den nanacht boven den horizon is -- een eind tusschen de
sterren vooruitbewegen, dus in oostelijke richting gaan; gaandeweg
wordt zijn beweging langzamer, dan staat hij stil en begint langzaam
terug te loopen, 10 weken voor de oppositie. Deze terugloopende
beweging behoudt hij tot 10 weken na de oppositie, dus juist in de 4
à 5 maanden, dat hij nagenoeg den ganschen nacht zichtbaar is;
gedurende dezen tijd loopt hij in 't geheel 7 graden aan den hemel
terug; zooveel wordt dus zijn lengte in de ekliptika kleiner. Dan
komt opnieuw een stilstand, de beweging gaat weer voorwaarts en deze
"rechtloopende" beweging behoudt Saturnus, totdat hij in de
avondschemering verdwijnt. Dat hij ook gedurende de volgende maanden
van onzichtbaarheid, wanneer de zon hem passeert -- deze ontmoeting
heet de _konjunktie_ met de zon -- de rechtloopende beweging
behoudt, blijkt wanneer hij des morgens weer zichtbaar wordt: hij is
dan weer een heel eindje verder oostelijk gekomen. Ook staat hij dan
verder oostelijk, dan toen hij een jaar geleden bij het begin van
den vorigen kringloop voor 't eerst zichtbaar werd; de totale
beweging vooruit overtreft de terugloopende beweging, en na elke
periode is hij 12 2/3 graad, ongeveer 1/28 van den omtrek des hemels
gevorderd. Daarom haalt de zon hem elk jaar ook iets later in en
duurt zijn periode ongeveer 13 dagen langer dan een jaar. Zoo
wandelt Saturnus langzaam door den dierenriem voort; elk jaar
schuift hij, door een teruggang onderbroken, 1/28 van den
hemelomtrek verder, en na 28 zulke perioden, die te zamen 29 jaren
duren, is hij de geheele ekliptika rond geweest en komt hij nagenoeg
op de oude plaats terug. Als langzaamste onder de planeten, die de
grootste tijdsruimte afmeet, was hij voor de volken der oudheid een
beeld van den langzaam en gestadig voortschrijdenden tijd; daarom
was hij aan den god der eeuwigheid en des doods gewijd en werd hij
tot de booze, "zwarte" ster, die den menschen ongeluk voorspelde.
Bij _Jupiter_ vinden wij dezelfde verschijnselen, alleen met
eenigszins andere getallenwaarden.
[Illustratie: De baan van Jupiter 1910 tot 1912.]
Ook hier wisselt in iedere periode een kortere teruggang met een
langere rechtloopende beweging af, en de oppositie ligt ook midden
in den tijd van teruggang. De teruggang duurt bij hem juist 4
maanden (121 dagen), waarin de lengte van de planeet 10 graden
vermindert. In elke periode komt hij in 't geheel 33 graden vooruit;
hij staat dus bij elke volgende oppositie in het volgende beeld van
den dierenriem; en de periode, waarin de verschijnselen terugkeeren,
duurt hier 33 dagen langer dan een jaar. Daar 33 graden iets meer
dan 1/11 van den omtrek des hemels is, doorloopt hij in nagenoeg 11
van deze perioden, dus 12 jaren den geheelen dierenriem. Door zijn
helderen steeds gelijkblijvenden glans, die, in tegenstelling tot de
opvallende wisselingen in het licht van Venus en Mars, denzelfden
indruk van rust en majesteit maakt als zijn statig voortschrijdende
beweging, is deze planeet van oudsher met den koning der goden in
verbinding gebracht.
De beweging van _Mars_ draagt wel in het algemeen hetzelfde
karakter, maar door zijn snellere beweging zijn de verschijnselen
eenigszins anders. Terwijl de beide vorige planeten in den loop van
een periode in dezelfde streek van den hemel blijven, is dat bij
Mars niet het geval. Wanneer hij in de morgenschemering als een
kleine, roode ster zichtbaar geworden is, loopt hij in de volgende
maanden door de sterrebeelden achter de zon aan; daar hij slechts
half zoo snel als de zon loopt, blijft hij steeds meer bij haar
achter, en komt dus steeds vroeger op, maar in mindere mate dan de
sterren elken dag vroeger komen.
[Illustratie: De baan van Mars gedurende de oppositie 1913--1914.]
Op die manier duurt het een vol jaar, voordat de tijd van oppositie
nadert; eerst wanneer de zon den geheelen hemel rondgeloopen heeft en
Mars den halven hemelomtrek, komen zij tegenover elkaar te staan. Dan
houdt zijn snelle beweging op en gaat hij gedurende 2 1/2 maand --
gemiddeld, want het is niet altijd precies hetzelfde -- terugloopen.
Ondertusschen is hij van het kleine sterretje aan den morgenhemel
tot een schitterende vuurster geworden, die soms zelfs Jupiter
overtreft. Na de oppositie houdt de terugloopende beweging weer op,
nadat de lengte van de planeet ongeveer 16 graden verminderd is. Aan
den avondhemel tracht hij nu door zijn snelle oostelijke beweging de
van het Westen naderende zon te ontloopen; terwijl de sterrebeelden
achtereenvolgens in de westelijke schemering verdwijnen, rept hij
zich, nu weer een kleine roode ster, door den dierenriem, en eerst
een jaar na de oppositie wordt hij eindelijk dicht bij de plaats,
waar hij twee jaren vroeger zichtbaar werd, door de zon ingehaald.
De geheele periode van deze verschijnselen bedraagt gemiddeld 2 jaar
49 dagen; de planeet loopt in dien tijd eenmaal den hemel rond en
bovendien nog 49 graden, 1/7 van den hemelomtrek, terwijl de zon,
behalve dit laatste stuk, twee maal rondgeloopen is. Bij iedere
volgende oppositie is de planeet dus 1/7 van den hemelomtrek verder
in den dierenriem gevorderd; na 7 zulke perioden, die te zamen 15
jaren duren en waarin de planeet 8 maal rondloopt, komen de
verschijnselen weer in dezelfde streek van den hemel terug.
Bij al deze planeten zien wij dus duidelijk hetzelfde karakter in de
beweging optreden; wij kunnen het in de volgende regels samen
vatten:
Ten eerste: _iedere periode bestaat uit een kortere terugloopende en
een langere rechtloopende beweging_.
Ten tweede: _het tijdstip van oppositie met de zon ligt midden in de
terugloopende beweging; de onzichtbaarheid door de konjunktie met de
zon ligt midden in de rechtloopende beweging_.
Bij Venus duurt de kringloop der verschijnselen 19 maanden (583
dagen); de eene helft van deze periode is zij avondster, de andere
helft morgenster. Wanneer zij voor het eerst in de schemering na
zonsondergang zichtbaar geworden is, verwijdert zij zich langzaam
steeds verder van de zon -- voordat zij zichtbaar werd, moet zij dus
de zon gepasseerd hebben, -- gaat steeds later na de zon onder en
wordt steeds helderder. Ongeveer een half jaar, nadat zij zichtbaar
werd, bereikt zij haar grootsten afstand of, zooals men meest zegt,
haar _grootste digressie_ of _elongatie_ (uitwijking) van de zon,
waarbij zij de zon 46 graden in lengte vooruit is. Dan keert zij,
terwijl haar glans eerst nog toeneemt, eerst langzaam en dan steeds
sneller tot de zon terug en verdwijnt na 2 maanden. Spoedig duikt
zij dan -- nadat zij blijkbaar de zon snel voorbijgerend is -- aan
den morgenhemel op, vlamt snel op tot haar grootste helderheid en
bereikt in 2 maanden haar grootste elongatie, nu rechts, westelijk
van de zon. Langzaam keert zij dan in een half jaar naar de zon
terug, verdwijnt in haar stralen en wordt weer avondster. _Venus
slingert dus regelmatig links en rechts van de zon heen en weer;
naar rechts is de beweging snel en duurt slechts 143 dagen, terwijl
de langzame beweging naar links 440 dagen duurt_.
Dit is dus haar beweging ten opzichte van de zon; maar hoe beweegt
zij zich ten opzichte van de sterren? De zon wandelt gelijkmatig van
het Westen naar het Oosten tusschen de sterren voort, en zij wordt
daarbij door Venus begeleid, die nu eens voor haar uitloopt, dan
weer bij haar achterblijft, maar gemiddeld in denzelfden tijd, dus
in een jaar den geheelen hemel rondloopt. In de 440 dagen, die zij
eerst als morgenster en dan als avondster gebruikt om naar links,
naar het Oosten te slingeren, loopt zij sneller dan de zon tusschen
de sterren door naar het Oosten, haalt haar in en loopt haar aan den
avondhemel steeds meer vooruit. Ook in de grootste elongatie en nog
eenigen tijd daarna, terwijl zij alweer bezig is naar de zon terug
te keeren, blijft zij zich ten opzichte van de sterren nog steeds
oostelijk bewegen, zij het ook aldoor langzamer. Dan echter keert
haar beweging ook ten opzichte van de sterren om. Zij wordt
terugloopend, en zon en planeet passeeren elkaar dan met groote
snelheid, doordat zij zich aan den hemel in tegengestelde richting
bewegen. Als morgenster houdt zij dan weldra met de terugloopende
beweging op en loopt zij, eerst langzaam, dan steeds sneller weer
achter de zon aan. De beweging van Venus tusschen de sterren heeft
_hetzelfde karakter_ als die der andere planeten: _in iedere periode
wisselt een korte terugloopende met een lange rechtloopende beweging
af_. Zij verschilt echter hierin van de andere planeten, dat _zoowel
in het midden van de terugloopende als van de rechtloopende beweging
een konjunktie ligt, een ontmoeting met de zon, waarbij de planeet
onzichtbaar is_.
Bij _Mercurius_ kan men van verschijnselen eigenlijk nauwelijks
spreken, omdat men al blij moet zijn, wanneer men hem maar even te
zien krijgt. Dat gebeurt alleen, wanneer hij zich zoo ver mogelijk
van de zon heeft verwijderd, en ook dan nog niet altijd.
[Illustratie: Mercurius in de voorjaarsavondschemering.]
In het voorjaar staat 's avonds de ekliptika vrij steil op den
westelijken horizon, omdat dan juist de noordelijkst gelegen
sterrebeelden, waar de zon 's zomers doorheen loopt, in het Zuiden
staan. De planeten, die zich in den dierenriem, ten Oosten van de
zon bevinden, staan dan tamelijk recht boven de zon, en wanneer zij,
zooals Mercurius, niet ver van de zon verwijderd zijn, staan zij in
de schemering toch nog vrij hoog boven den horizon. Daarentegen ligt
in den herfst de ekliptika 's avonds zeer vlak; in het Zuiden staan
de sterren van den dierenriem laag aan den hemel en ook een planeet,
die vrij ver van de zon verwijderd is, verheft zich in de schemering
slechts weinig boven den horizon. In de beide afbeeldingen is dit
verschil duidelijk te zien; bij deze afbeeldingen is te bedenken,
dat in de werkelijkheid het schemerlicht veel helderder en dus de
planeet veel minder goed zichtbaar is dan het hier schijnt. In den
herfst vertoont de morgenhemel hetzelfde beeld als in het voorjaar
de avondhemel, en omgekeerd. Daarom is een planeet als Mercurius,
die altijd dicht in de buurt van de zon blijft, _alleen in het
voorjaar als avondster en alleen in den herfst als morgenster
zichtbaar_.
[Illustratie: Mercurius in de herfstavondschemering.]
Natuurlijk kan er dan geen sprake van zijn, dat wij zijn plaats
tusschen de sterren in een kaart teekenen, want de omgevende sterren
zijn door het heldere schemerlicht alle onzichtbaar. In zuidelijker
landen, waar alle kringloopen en ook de ekliptika steiler op den
oostelijken en westelijken horizon staan, zijn de omstandigheden
gunstiger; daarom konden de Babyloniërs en de Grieken veel beter tot
zekere uitkomsten komen. Zij vonden, dat de verschijnselen, die in
een periode van 4 maanden (116 dagen) terugkeeren, in hoofdzaak met
die van Venus overeenkomen. Ook Mercurius slingert beurtelings naar
het Westen en naar het Oosten om de zon heen en weer, waarbij hij
zich 23 graden van haar verwijdert; en zijn beweging tusschen de
sterren is ook beurtelings rechtloopend en terugloopend. Maar bij
Mercurius vertoont de beweging toch aanmerkelijke onregelmatigheden;
de periode is nu eens wat langer, dan weer wat korter; de grootste
elongatie is den eenen keer grooter dan den anderen, en ook
verwijdert Mercurius zich verder dan andere planeten van de
ekliptika.
De perioden van de planeten zijn natuurlijk des te nauwkeuriger te
vinden, naarmate de waarnemingen zich over langeren tijd
uitstrekken. Door hun eeuwenlange waarnemingen van den hemel waren
de Babyloniërs in staat ze zeer nauwkeurig te bepalen; uit
spijkerinschriften op tegeltjes uit de derde eeuw v. C., die door
Kugler ontcijferd zijn, weten wij, dat zij toen den loop der
planeten zeer nauwkeurig vooruit wisten te berekenen. Van de
Babyloniërs zijn waarschijnlijk de getallen afkomstig, die
Ptolemaeus in zijn groote werk voor de perioden der planeten
opgeeft, en die hij aan zijn voorganger Hipparchus ontleend had.
Deze getallen zijn: