25. DE PERIODEN EN DE BANEN DER PLANETEN.

Slechts op het eerste gezicht schijnt de beweging der planeten

geheel regelloos en onregelmatig. Zoodra men ze opmerkzaam en

aanhoudend begint waar te nemen, treedt toch in hun beweging

gaandeweg een bepaalde orde en regelmaat voor den dag, die ons den

weg naar de verrassendste inzichten in den wonderbouw van het heelal

opent. Daarom ligt er zulk een bijzondere bekoring in om van dag tot

dag, van week tot week, den stand der planeten tusschen de sterren

te volgen, op dezelfde wijze als voor duizenden jaren de eerste

waarnemers in Babylon en Griekenland dat deden. Daarvoor moet juist

de kaart van den dierenriem achter in dit boek dienen, waarop de

sterren, die voor het bloote oog duidelijk zichtbaar zijn, alle

ingeteekend zijn. Tusschen deze sterren kan men eenvoudig op het oog

de plaats der planeten, zoo dikwijls men wil, inteekenen en dan

naderhand desgewenscht met behulp van de deelstrepen hun lengte en

breedte in graden aflezen. Of wij ons daarbij met het uiterlijke

beeld der planetenbanen tevredenstellen, of deze in de getallenmaat

van lengte en breedte uitdrukken -- in ieder geval verschaffen ons

deze waarnemingen een eigenhandig ervaringsmateriaal, dat ons in

staat stelt ons een volkomener inzicht in den bouw van het heelal te

verschaffen. Tegelijk wordt daarbij de sterrenhemel voor ons een

schouwtooneel vol afwisseling en leven, waar de heldere,

verschillend gekleurde dwaalsterren heen en weer trekken, terwijl ze

nu eens helderder, dan weer kleiner worden, elkaar ontmoeten,

verrassende konstellaties en groepen vormen, die van dag tot dag er

anders uitzien en dan uit elkaar gaan, altijd anders en altijd

nieuw, nooit zich precies herhalend -- en toch blijkt weldra deze

rijke en ordelooze veelvuldigheid uit de schoonste orde en regelmaat

voort te komen.

De eerste regel, dien wij hierbij als grondslag van alle orde der

hemelsche bewegingen vinden, is deze: _de verschijnselen der

planeten herhalen zich in bepaalde perioden steeds weer op nagenoeg

dezelfde wijze_. Het grondprincipe van hun beweging is regelmaat; al

beweegt de planeet zich binnen een periode ook onregelmatig heen en

weer, zoo herhaalt zich toch ditzelfde spel in elke nieuwe periode.

Daardoor wordt het onderzoek der planetenbeweging op eens veel

eenvoudiger; men behoeft nu slechts de periode te kennen en de

beweging gedurende een enkele periode.

Laten wij beginnen met bij de planeet Saturnus den kringloop van

verschijnselen na te gaan, die begint, wanneer de planeet aan den

morgenhemel zichtbaar wordt en die ongeveer een jaar later met zijn

verdwijnen in de westelijke avondschemering afsluit.

[Illustratie: De baan van Saturnus 1911 tot 1913.]

In het midden van dezen kringloop ligt het tijdstip, waarop Saturnus

aan den hemel juist tegenover de zon staat of, zooals de vakterm

luidt, _in oppositie met de zon is_; hij komt dan des avonds op,

staat den geheelen nacht aan den hemel en gaat 's morgens onder. In

den loop van deze periode zien wij de planeet eerst -- dus wanneer

hij in den nanacht boven den horizon is -- een eind tusschen de

sterren vooruitbewegen, dus in oostelijke richting gaan; gaandeweg

wordt zijn beweging langzamer, dan staat hij stil en begint langzaam

terug te loopen, 10 weken voor de oppositie. Deze terugloopende

beweging behoudt hij tot 10 weken na de oppositie, dus juist in de 4

à 5 maanden, dat hij nagenoeg den ganschen nacht zichtbaar is;

gedurende dezen tijd loopt hij in 't geheel 7 graden aan den hemel

terug; zooveel wordt dus zijn lengte in de ekliptika kleiner. Dan

komt opnieuw een stilstand, de beweging gaat weer voorwaarts en deze

"rechtloopende" beweging behoudt Saturnus, totdat hij in de

avondschemering verdwijnt. Dat hij ook gedurende de volgende maanden

van onzichtbaarheid, wanneer de zon hem passeert -- deze ontmoeting

heet de _konjunktie_ met de zon -- de rechtloopende beweging

behoudt, blijkt wanneer hij des morgens weer zichtbaar wordt: hij is

dan weer een heel eindje verder oostelijk gekomen. Ook staat hij dan

verder oostelijk, dan toen hij een jaar geleden bij het begin van

den vorigen kringloop voor 't eerst zichtbaar werd; de totale

beweging vooruit overtreft de terugloopende beweging, en na elke

periode is hij 12 2/3 graad, ongeveer 1/28 van den omtrek des hemels

gevorderd. Daarom haalt de zon hem elk jaar ook iets later in en

duurt zijn periode ongeveer 13 dagen langer dan een jaar. Zoo

wandelt Saturnus langzaam door den dierenriem voort; elk jaar

schuift hij, door een teruggang onderbroken, 1/28 van den

hemelomtrek verder, en na 28 zulke perioden, die te zamen 29 jaren

duren, is hij de geheele ekliptika rond geweest en komt hij nagenoeg

op de oude plaats terug. Als langzaamste onder de planeten, die de

grootste tijdsruimte afmeet, was hij voor de volken der oudheid een

beeld van den langzaam en gestadig voortschrijdenden tijd; daarom

was hij aan den god der eeuwigheid en des doods gewijd en werd hij

tot de booze, "zwarte" ster, die den menschen ongeluk voorspelde.

Bij _Jupiter_ vinden wij dezelfde verschijnselen, alleen met

eenigszins andere getallenwaarden.

[Illustratie: De baan van Jupiter 1910 tot 1912.]

Ook hier wisselt in iedere periode een kortere teruggang met een

langere rechtloopende beweging af, en de oppositie ligt ook midden

in den tijd van teruggang. De teruggang duurt bij hem juist 4

maanden (121 dagen), waarin de lengte van de planeet 10 graden

vermindert. In elke periode komt hij in 't geheel 33 graden vooruit;

hij staat dus bij elke volgende oppositie in het volgende beeld van

den dierenriem; en de periode, waarin de verschijnselen terugkeeren,

duurt hier 33 dagen langer dan een jaar. Daar 33 graden iets meer

dan 1/11 van den omtrek des hemels is, doorloopt hij in nagenoeg 11

van deze perioden, dus 12 jaren den geheelen dierenriem. Door zijn

helderen steeds gelijkblijvenden glans, die, in tegenstelling tot de

opvallende wisselingen in het licht van Venus en Mars, denzelfden

indruk van rust en majesteit maakt als zijn statig voortschrijdende

beweging, is deze planeet van oudsher met den koning der goden in

verbinding gebracht.

De beweging van _Mars_ draagt wel in het algemeen hetzelfde

karakter, maar door zijn snellere beweging zijn de verschijnselen

eenigszins anders. Terwijl de beide vorige planeten in den loop van

een periode in dezelfde streek van den hemel blijven, is dat bij

Mars niet het geval. Wanneer hij in de morgenschemering als een

kleine, roode ster zichtbaar geworden is, loopt hij in de volgende

maanden door de sterrebeelden achter de zon aan; daar hij slechts

half zoo snel als de zon loopt, blijft hij steeds meer bij haar

achter, en komt dus steeds vroeger op, maar in mindere mate dan de

sterren elken dag vroeger komen.

[Illustratie: De baan van Mars gedurende de oppositie 1913--1914.]

Op die manier duurt het een vol jaar, voordat de tijd van oppositie

nadert; eerst wanneer de zon den geheelen hemel rondgeloopen heeft en

Mars den halven hemelomtrek, komen zij tegenover elkaar te staan. Dan

houdt zijn snelle beweging op en gaat hij gedurende 2 1/2 maand --

gemiddeld, want het is niet altijd precies hetzelfde -- terugloopen.

Ondertusschen is hij van het kleine sterretje aan den morgenhemel

tot een schitterende vuurster geworden, die soms zelfs Jupiter

overtreft. Na de oppositie houdt de terugloopende beweging weer op,

nadat de lengte van de planeet ongeveer 16 graden verminderd is. Aan

den avondhemel tracht hij nu door zijn snelle oostelijke beweging de

van het Westen naderende zon te ontloopen; terwijl de sterrebeelden

achtereenvolgens in de westelijke schemering verdwijnen, rept hij

zich, nu weer een kleine roode ster, door den dierenriem, en eerst

een jaar na de oppositie wordt hij eindelijk dicht bij de plaats,

waar hij twee jaren vroeger zichtbaar werd, door de zon ingehaald.

De geheele periode van deze verschijnselen bedraagt gemiddeld 2 jaar

49 dagen; de planeet loopt in dien tijd eenmaal den hemel rond en

bovendien nog 49 graden, 1/7 van den hemelomtrek, terwijl de zon,

behalve dit laatste stuk, twee maal rondgeloopen is. Bij iedere

volgende oppositie is de planeet dus 1/7 van den hemelomtrek verder

in den dierenriem gevorderd; na 7 zulke perioden, die te zamen 15

jaren duren en waarin de planeet 8 maal rondloopt, komen de

verschijnselen weer in dezelfde streek van den hemel terug.

Bij al deze planeten zien wij dus duidelijk hetzelfde karakter in de

beweging optreden; wij kunnen het in de volgende regels samen

vatten:

Ten eerste: _iedere periode bestaat uit een kortere terugloopende en

een langere rechtloopende beweging_.

Ten tweede: _het tijdstip van oppositie met de zon ligt midden in de

terugloopende beweging; de onzichtbaarheid door de konjunktie met de

zon ligt midden in de rechtloopende beweging_.

Bij Venus duurt de kringloop der verschijnselen 19 maanden (583

dagen); de eene helft van deze periode is zij avondster, de andere

helft morgenster. Wanneer zij voor het eerst in de schemering na

zonsondergang zichtbaar geworden is, verwijdert zij zich langzaam

steeds verder van de zon -- voordat zij zichtbaar werd, moet zij dus

de zon gepasseerd hebben, -- gaat steeds later na de zon onder en

wordt steeds helderder. Ongeveer een half jaar, nadat zij zichtbaar

werd, bereikt zij haar grootsten afstand of, zooals men meest zegt,

haar _grootste digressie_ of _elongatie_ (uitwijking) van de zon,

waarbij zij de zon 46 graden in lengte vooruit is. Dan keert zij,

terwijl haar glans eerst nog toeneemt, eerst langzaam en dan steeds

sneller tot de zon terug en verdwijnt na 2 maanden. Spoedig duikt

zij dan -- nadat zij blijkbaar de zon snel voorbijgerend is -- aan

den morgenhemel op, vlamt snel op tot haar grootste helderheid en

bereikt in 2 maanden haar grootste elongatie, nu rechts, westelijk

van de zon. Langzaam keert zij dan in een half jaar naar de zon

terug, verdwijnt in haar stralen en wordt weer avondster. _Venus

slingert dus regelmatig links en rechts van de zon heen en weer;

naar rechts is de beweging snel en duurt slechts 143 dagen, terwijl

de langzame beweging naar links 440 dagen duurt_.

Dit is dus haar beweging ten opzichte van de zon; maar hoe beweegt

zij zich ten opzichte van de sterren? De zon wandelt gelijkmatig van

het Westen naar het Oosten tusschen de sterren voort, en zij wordt

daarbij door Venus begeleid, die nu eens voor haar uitloopt, dan

weer bij haar achterblijft, maar gemiddeld in denzelfden tijd, dus

in een jaar den geheelen hemel rondloopt. In de 440 dagen, die zij

eerst als morgenster en dan als avondster gebruikt om naar links,

naar het Oosten te slingeren, loopt zij sneller dan de zon tusschen

de sterren door naar het Oosten, haalt haar in en loopt haar aan den

avondhemel steeds meer vooruit. Ook in de grootste elongatie en nog

eenigen tijd daarna, terwijl zij alweer bezig is naar de zon terug

te keeren, blijft zij zich ten opzichte van de sterren nog steeds

oostelijk bewegen, zij het ook aldoor langzamer. Dan echter keert

haar beweging ook ten opzichte van de sterren om. Zij wordt

terugloopend, en zon en planeet passeeren elkaar dan met groote

snelheid, doordat zij zich aan den hemel in tegengestelde richting

bewegen. Als morgenster houdt zij dan weldra met de terugloopende

beweging op en loopt zij, eerst langzaam, dan steeds sneller weer

achter de zon aan. De beweging van Venus tusschen de sterren heeft

_hetzelfde karakter_ als die der andere planeten: _in iedere periode

wisselt een korte terugloopende met een lange rechtloopende beweging

af_. Zij verschilt echter hierin van de andere planeten, dat _zoowel

in het midden van de terugloopende als van de rechtloopende beweging

een konjunktie ligt, een ontmoeting met de zon, waarbij de planeet

onzichtbaar is_.

Bij _Mercurius_ kan men van verschijnselen eigenlijk nauwelijks

spreken, omdat men al blij moet zijn, wanneer men hem maar even te

zien krijgt. Dat gebeurt alleen, wanneer hij zich zoo ver mogelijk

van de zon heeft verwijderd, en ook dan nog niet altijd.

[Illustratie: Mercurius in de voorjaarsavondschemering.]

In het voorjaar staat 's avonds de ekliptika vrij steil op den

westelijken horizon, omdat dan juist de noordelijkst gelegen

sterrebeelden, waar de zon 's zomers doorheen loopt, in het Zuiden

staan. De planeten, die zich in den dierenriem, ten Oosten van de

zon bevinden, staan dan tamelijk recht boven de zon, en wanneer zij,

zooals Mercurius, niet ver van de zon verwijderd zijn, staan zij in

de schemering toch nog vrij hoog boven den horizon. Daarentegen ligt

in den herfst de ekliptika 's avonds zeer vlak; in het Zuiden staan

de sterren van den dierenriem laag aan den hemel en ook een planeet,

die vrij ver van de zon verwijderd is, verheft zich in de schemering

slechts weinig boven den horizon. In de beide afbeeldingen is dit

verschil duidelijk te zien; bij deze afbeeldingen is te bedenken,

dat in de werkelijkheid het schemerlicht veel helderder en dus de

planeet veel minder goed zichtbaar is dan het hier schijnt. In den

herfst vertoont de morgenhemel hetzelfde beeld als in het voorjaar

de avondhemel, en omgekeerd. Daarom is een planeet als Mercurius,

die altijd dicht in de buurt van de zon blijft, _alleen in het

voorjaar als avondster en alleen in den herfst als morgenster

zichtbaar_.

[Illustratie: Mercurius in de herfstavondschemering.]

Natuurlijk kan er dan geen sprake van zijn, dat wij zijn plaats

tusschen de sterren in een kaart teekenen, want de omgevende sterren

zijn door het heldere schemerlicht alle onzichtbaar. In zuidelijker

landen, waar alle kringloopen en ook de ekliptika steiler op den

oostelijken en westelijken horizon staan, zijn de omstandigheden

gunstiger; daarom konden de Babyloniërs en de Grieken veel beter tot

zekere uitkomsten komen. Zij vonden, dat de verschijnselen, die in

een periode van 4 maanden (116 dagen) terugkeeren, in hoofdzaak met

die van Venus overeenkomen. Ook Mercurius slingert beurtelings naar

het Westen en naar het Oosten om de zon heen en weer, waarbij hij

zich 23 graden van haar verwijdert; en zijn beweging tusschen de

sterren is ook beurtelings rechtloopend en terugloopend. Maar bij

Mercurius vertoont de beweging toch aanmerkelijke onregelmatigheden;

de periode is nu eens wat langer, dan weer wat korter; de grootste

elongatie is den eenen keer grooter dan den anderen, en ook

verwijdert Mercurius zich verder dan andere planeten van de

ekliptika.

De perioden van de planeten zijn natuurlijk des te nauwkeuriger te

vinden, naarmate de waarnemingen zich over langeren tijd

uitstrekken. Door hun eeuwenlange waarnemingen van den hemel waren

de Babyloniërs in staat ze zeer nauwkeurig te bepalen; uit

spijkerinschriften op tegeltjes uit de derde eeuw v. C., die door

Kugler ontcijferd zijn, weten wij, dat zij toen den loop der

planeten zeer nauwkeurig vooruit wisten te berekenen. Van de

Babyloniërs zijn waarschijnlijk de getallen afkomstig, die

Ptolemaeus in zijn groote werk voor de perioden der planeten

opgeeft, en die hij aan zijn voorganger Hipparchus ontleend had.

Deze getallen zijn:

De Wonderbouw der Wereld · 第 35 / 64 题