Toen wij de sterrebeelden aan den hemelbol voor het eerst leerden
kennen, is onze aandacht reeds op die merkwaardige schitterende
sterren gevallen, de dwaalsterren of planeten, die voortdurend hun
plaats veranderen en tusschen de vaste sterren langs den hemel
wandelen. Deze dwaalsterren, die reeds in de oudheid de grootste
belangstelling bij de menschen wekten, willen wij nu nader
beschouwen. Zij zijn vijf in getal, en doordat ons het begin van de
wetenschap door de volkeren der oudheid overgeleverd is, zijn zij
onder de namen der Romeinsche goden en godinnen: Mercurius, Venus,
Mars, Jupiter en Saturnus bekend gebleven.
Iedereen kent wel de helderste van alle sterren, de schitterende
avondster. Spoedig na zonsondergang ziet men haar als een klein
lichtpuntje aan den blauwen avondhemel opduiken; ja, dikwijls kan
men haar zelfs vóór zonsondergang vinden, want zij is de eenige
onder de sterren, die ook overdag duidelijk zichtbaar is. Wanneer
dan de hemel donkerder wordt en het schemerlicht meer en meer
verdwijnt, wordt zij steeds helderder, tot zij eindelijk met een
glans straalt, die de heldere vaste sterren soms 100 malen overtreft
en in maanlooze nachten zelfs schaduw geeft. Eenige uren na
zonsondergang blijft zij zichtbaar, soms langer, soms korter, maar
altijd gaat zij vóór middernacht onder. Zij is ook niet altijd
zichtbaar; wanneer zij langer dan een half jaar aan den avondhemel
geschitterd heeft, verdwijnt zij voor langen tijd, om later opnieuw
voor den dag te komen. In dien tusschentijd straalt aan den
morgenhemel even helder de morgenster, die lang voor de eerste
schemering het naderend einde van den nacht aankondigt. Er was geen
buitengewone scherpzinnigheid noodig om tot het inzicht te komen,
dat de _morgenster en de avondster slechts één enkele ster zijn_,
die afwisselend 's morgens en 's avonds zichtbaar is. Als schoonste
onder de sterren was zij bij de volken der oudheid, bij de
Babyloniërs zoowel als bij de Grieken, aan de godin der schoonheid
en der liefde gewijd en zoo is zij onder den naam _Venus_ in de
wetenschap bekend.
Wie naar het Westen een vrij uitzicht tot aan den horizon heeft,
ziet soms in het voorjaar kort na zonsondergang midden in het sterke
schemerlicht een schitterend klein sterretje opduiken, dat in het
gunstigste geval anderhalf uur na de zon ondergaat. Blijft het weer
voortdurend helder, dan kan men het een paar weken lang avond aan
avond waarnemen, maar dan verdwijnt het. Ook dit stralende sterretje
is een planeet, die evenals Venus beurtelings avondster en
morgenster is. Zoo gemakkelijk Venus echter in het oog valt, zoo
moeilijk is dit sterretje te ontdekken. Omdat het zoo plotseling
opduikt en weer verdwijnt, is het naar _Mercurius_ genoemd, den
snelvoetigen bode der goden.
De drie andere planeten gedragen zich geheel anders. Evenals de
vaste sterren zijn zij nu eens den geheelen nacht zichtbaar, dan
weer alleen aan den avondhemel of den morgenhemel. Staat de zon
dicht bij de plaats, waar een dezer planeten zich bevindt, dan is
deze evenals de vaste sterren in haar buurt onzichtbaar. Loopt de
zon dan in de volgende weken voort in haar jaarlijksche baan, dan
wordt de planeet rechts van haar aan den morgenhemel zichtbaar, waar
zij iets vroeger dan de zon opkomt. In de volgende maanden komt zij
steeds vroeger in den nacht op, daar de zon zich steeds verder van
haar verwijdert; ten slotte komt zij reeds des avonds op, gaat 's
ochtends onder en is dan den geheelen nacht zichtbaar. Weer eenige
maanden later gaat zij vroeger in den nacht en eindelijk zelfs des
avonds onder, terwijl de zon dan van den westkant steeds meer de
plaats aan den hemelbol nadert, waar de planeet zich bevindt.
Eenigen tijd is zij aan den avondhemel nog in de schemering te zien;
dan wordt zij door de nabijheid der zon onzichtbaar. Dat blijft zoo
eenige maanden, totdat de zon haar voorbijgestevend is.
Deze planeten maken dus dezelfde reeks van verschijnselen door als
de vaste sterren; maar zij onderscheiden zich van deze hierdoor, dat
zij tegelijkertijd voortdurend hun plaats aan den hemel veranderen
en dus elken volgenden keer aan den morgenhemel op een andere plaats
van den hemelbol zichtbaar worden. Door zijn bestendige groote
helderheid blinkt de geelachtige _Jupiter_ ver boven de helderste
vaste sterren uit. Nog opvallender is door zijn rooden gloed de ster
van den oorlogsgod _Mars_, die nu en dan Jupiter in licht evenaart.
Al kunnen deze beiden op verre na niet bij Venus halen, zoo behooren
zij toch tot de schitterendste hemellichten en trekken de aandacht
van menigeen, die anders niet op den sterrenhemel let. Daarentegen
is _Saturnus_ slechts door zijn rustig licht tusschen de even groote
heldere sterren te onderkennen.
Deze dwaalsterren dwalen nu niet willekeurig overal aan den hemel
rond; zij blijven altijd op den grooten verkeersweg des hemels, in
de sterrebeelden van den dierenriem, en wel meest in de
onmiddellijke nabijheid van de ekliptika. Terwijl echter zon en maan
op dezen hemelweg steeds regelmatig van het Westen naar het Oosten
voortschrijden, tegen de dagelijksche draaiing van den hemel in, _is
de beweging van de planeten veel onregelmatiger_. Wel wandelen zij
ook meestal in dezelfde richting van het Westen naar het Oosten
voort, maar dan blijven zij somtijds stilstaan, loopen een tijdje
terug, tot zij opnieuw hun beweging omkeeren. Tegelijk wijken zij nu
eens naar het Noorden, dan weer naar het Zuiden van de ekliptika af
en bewegen zich daardoor vaak in de zonderlingste bochten en lussen
tusschen de sterren door.
Deze merkwaardige onregelmatige banen der planeten hebben reeds van
oudsher op de verbeeldingskracht der menschen een sterken indruk
gemaakt. Vooral was dit het geval bij de Babyloniërs, die door een
wonderbaarlijk helderen en doorzichtigen hemel begunstigd en door de
behoeften van de tijdrekening -- de reeds vroeger vermelde
aanpassing van den maankalender aan het zonnejaar -- tot het
waarnemen van den hemel direkt gedwongen werden. In de groote en
rijke handelsstad Babylon, die gedurende een paar duizend jaren vóór
het optreden der Grieken in de geschiedenis de beschaving der
oudheid beheerschte, leefde een hoog ontwikkelde priesterkaste, de
dragers van het toenmalige geestelijke leven, tot wier ambt ook het
waarnemen van de hemellichamen behoorde; hun astronomische
opteekeningen reiken tot in de grijze oudheid terug. Hun moesten
deze schitterende lichten, die tusschen de sterrebeelden als door
een landschap rondwandelen, die nu eens vooruit, dan weer terug
gaan, soms naar het Noorden of het Zuiden afbuigen, nu eens
stilstaan, dan weer zich haasten, als zelfstandige, goddelijke
wezens voorkomen, met eigen wil en leven begaafd. Welke beteekenis
hadden dan de bewegingen van die hemellichten, wat was hun zin, wat
hun doel?
De zin van zons- en maanbeweging was duidelijk: de zon beheerschte
de wisseling der jaargetijden, de wisseling van koude en hitte, van
regen en droogte, en de maan beheerschte de tijdrekening; beide
doorliepen dus hun banen ten behoeve van de menschen. Daar nu alle
hemelgoden te zamen al het gebeuren op aarde en bepaaldelijk het
leven der menschen beheerschen, lag het voor de hand een samenhang
te zoeken tusschen de grillige wisselingen van het gebeuren op aarde
en de grillige bewegingen van de planetengoden. Zoo kregen de
zonderlinge bewegingen van de planeten een groote en belangrijke
beteekenis: _zij regeerden het lot der menschen_. Niet slechts zomer
en winter, hitte en dorheid, maar ook leven en dood, geluk en
ongeluk, oorlog en vrede worden door een eeuwig noodlot bepaald,
waarvan de draden door de zeven lichtgoden aan den hemel gesponnen
worden; hun banen zijn het oerbeeld van de menschelijke geschiedenis
op aarde. Nooit komen de planeten voor de tweede maal in precies
denzelfden stand ten opzichte van elkaar terug; oneindig
verschillend en steeds nieuw zijn hun konstellaties, en evenzoo
oneindig verschillend en veelvuldig zijn ook de gebeurtenissen en
wisselingen in het menschenleven.
Zoo traden in de Babylonische wereldbeschouwing de planeten als
levende, werkende wezens uit de massa der overige sterren naar
voren. Zij hadden voor de menschen een werkelijke, groote,
praktische beteekenis en met hen werden gaandeweg de oude natuur- en
stamgoden vereenzelvigd. Hun zevental -- zon en maan werden er bij
gerekend -- was een heilig getal; aan hen waren de uren van den dag
en ook de reeks der dagen zelf gewijd; zoo verdrong de zevendaagsche
week meer en meer de oorspronkelijke vijfdaagsche, en deze
zevendaagsche week heeft zich vanuit Babylon over de geheele wereld
verspreid.
Maar ook de algemeene opvatting zelf, waaruit deze zevendaagsche
week voortgekomen was, bleef niet tot Babylon beperkt; de
_astrologie_ of sterrewichelarij, die het lot van de menschen uit
den stand der planeten bij hun geboorte tracht te voorspellen, was
niets dan de praktische toepassing van de Babylonische leer van den
samenhang tusschen de hemelverschijnselen en de aardsche
gebeurtenissen. Deze leer, die er niet minder belangrijk en grootsch
om is, al heeft de latere ontwikkeling der wetenschap haar
onhoudbaarheid aangetoond, heeft gedurende duizenden van jaren in de
oudheid en in de middeleeuwen het denken der ontwikkeldste menschen
overal beheerscht, waar men in de sterrenwereld belang stelde. Ten
onrechte zien moderne geleerden verachtelijk op de astrologie neer
als een betreurenswaardige afdwaling van den menschelijken geest.
Want zij is het geweest, die de menschen aanzette om de sterren
veel vlijtiger en aanhoudender waar te nemen, dan alleen voor de
behoeften der tijdrekening noodig was geweest. Waar was er ook voor
menschelijke inspanning een belangrijker en verhevener doel te
vinden, dan een wetenschap op te bouwen, die veroorloofde de
regellooze toevalligheden van het menschenlot vooruit te voorspellen
door ze als het ware in zeven eenvoudige elementen te ontleden: de
werkingen der zeven toch reeds heel wat geregelder loopende
planeten? Er zijn dan ook inderdaad nooit zoo vele en zoo
regelmatige planetenwaarnemingen gedaan als in de tijden, toen het
geloof in de werking der sterren het krachtigst in de menschen
leefde. Eerst in het oude Babylon, waar de priesters ten slotte uit
vele eeuwen lange opteekeningen de perioden der planeten zeer
nauwkeurig kenden; en later nog eens in Europa in de 16de eeuw.
Alleen met behulp van deze waarnemingen is het dan naderhand
mogelijk geworden de werkelijke wetenschap der hemellichamen op te
bouwen. Op de waarnemingen der Babyloniërs berustte voor een groot
deel de sterrekundige wetenschap der oude Grieken; en de
waarnemingen van de 16de eeuw hebben het materiaal voor den opbouw
van de grondslagen der moderne astronomie geleverd.