24. DE VERSCHIJNSELEN DER PLANETEN.

Toen wij de sterrebeelden aan den hemelbol voor het eerst leerden

kennen, is onze aandacht reeds op die merkwaardige schitterende

sterren gevallen, de dwaalsterren of planeten, die voortdurend hun

plaats veranderen en tusschen de vaste sterren langs den hemel

wandelen. Deze dwaalsterren, die reeds in de oudheid de grootste

belangstelling bij de menschen wekten, willen wij nu nader

beschouwen. Zij zijn vijf in getal, en doordat ons het begin van de

wetenschap door de volkeren der oudheid overgeleverd is, zijn zij

onder de namen der Romeinsche goden en godinnen: Mercurius, Venus,

Mars, Jupiter en Saturnus bekend gebleven.

Iedereen kent wel de helderste van alle sterren, de schitterende

avondster. Spoedig na zonsondergang ziet men haar als een klein

lichtpuntje aan den blauwen avondhemel opduiken; ja, dikwijls kan

men haar zelfs vóór zonsondergang vinden, want zij is de eenige

onder de sterren, die ook overdag duidelijk zichtbaar is. Wanneer

dan de hemel donkerder wordt en het schemerlicht meer en meer

verdwijnt, wordt zij steeds helderder, tot zij eindelijk met een

glans straalt, die de heldere vaste sterren soms 100 malen overtreft

en in maanlooze nachten zelfs schaduw geeft. Eenige uren na

zonsondergang blijft zij zichtbaar, soms langer, soms korter, maar

altijd gaat zij vóór middernacht onder. Zij is ook niet altijd

zichtbaar; wanneer zij langer dan een half jaar aan den avondhemel

geschitterd heeft, verdwijnt zij voor langen tijd, om later opnieuw

voor den dag te komen. In dien tusschentijd straalt aan den

morgenhemel even helder de morgenster, die lang voor de eerste

schemering het naderend einde van den nacht aankondigt. Er was geen

buitengewone scherpzinnigheid noodig om tot het inzicht te komen,

dat de _morgenster en de avondster slechts één enkele ster zijn_,

die afwisselend 's morgens en 's avonds zichtbaar is. Als schoonste

onder de sterren was zij bij de volken der oudheid, bij de

Babyloniërs zoowel als bij de Grieken, aan de godin der schoonheid

en der liefde gewijd en zoo is zij onder den naam _Venus_ in de

wetenschap bekend.

Wie naar het Westen een vrij uitzicht tot aan den horizon heeft,

ziet soms in het voorjaar kort na zonsondergang midden in het sterke

schemerlicht een schitterend klein sterretje opduiken, dat in het

gunstigste geval anderhalf uur na de zon ondergaat. Blijft het weer

voortdurend helder, dan kan men het een paar weken lang avond aan

avond waarnemen, maar dan verdwijnt het. Ook dit stralende sterretje

is een planeet, die evenals Venus beurtelings avondster en

morgenster is. Zoo gemakkelijk Venus echter in het oog valt, zoo

moeilijk is dit sterretje te ontdekken. Omdat het zoo plotseling

opduikt en weer verdwijnt, is het naar _Mercurius_ genoemd, den

snelvoetigen bode der goden.

De drie andere planeten gedragen zich geheel anders. Evenals de

vaste sterren zijn zij nu eens den geheelen nacht zichtbaar, dan

weer alleen aan den avondhemel of den morgenhemel. Staat de zon

dicht bij de plaats, waar een dezer planeten zich bevindt, dan is

deze evenals de vaste sterren in haar buurt onzichtbaar. Loopt de

zon dan in de volgende weken voort in haar jaarlijksche baan, dan

wordt de planeet rechts van haar aan den morgenhemel zichtbaar, waar

zij iets vroeger dan de zon opkomt. In de volgende maanden komt zij

steeds vroeger in den nacht op, daar de zon zich steeds verder van

haar verwijdert; ten slotte komt zij reeds des avonds op, gaat 's

ochtends onder en is dan den geheelen nacht zichtbaar. Weer eenige

maanden later gaat zij vroeger in den nacht en eindelijk zelfs des

avonds onder, terwijl de zon dan van den westkant steeds meer de

plaats aan den hemelbol nadert, waar de planeet zich bevindt.

Eenigen tijd is zij aan den avondhemel nog in de schemering te zien;

dan wordt zij door de nabijheid der zon onzichtbaar. Dat blijft zoo

eenige maanden, totdat de zon haar voorbijgestevend is.

Deze planeten maken dus dezelfde reeks van verschijnselen door als

de vaste sterren; maar zij onderscheiden zich van deze hierdoor, dat

zij tegelijkertijd voortdurend hun plaats aan den hemel veranderen

en dus elken volgenden keer aan den morgenhemel op een andere plaats

van den hemelbol zichtbaar worden. Door zijn bestendige groote

helderheid blinkt de geelachtige _Jupiter_ ver boven de helderste

vaste sterren uit. Nog opvallender is door zijn rooden gloed de ster

van den oorlogsgod _Mars_, die nu en dan Jupiter in licht evenaart.

Al kunnen deze beiden op verre na niet bij Venus halen, zoo behooren

zij toch tot de schitterendste hemellichten en trekken de aandacht

van menigeen, die anders niet op den sterrenhemel let. Daarentegen

is _Saturnus_ slechts door zijn rustig licht tusschen de even groote

heldere sterren te onderkennen.

Deze dwaalsterren dwalen nu niet willekeurig overal aan den hemel

rond; zij blijven altijd op den grooten verkeersweg des hemels, in

de sterrebeelden van den dierenriem, en wel meest in de

onmiddellijke nabijheid van de ekliptika. Terwijl echter zon en maan

op dezen hemelweg steeds regelmatig van het Westen naar het Oosten

voortschrijden, tegen de dagelijksche draaiing van den hemel in, _is

de beweging van de planeten veel onregelmatiger_. Wel wandelen zij

ook meestal in dezelfde richting van het Westen naar het Oosten

voort, maar dan blijven zij somtijds stilstaan, loopen een tijdje

terug, tot zij opnieuw hun beweging omkeeren. Tegelijk wijken zij nu

eens naar het Noorden, dan weer naar het Zuiden van de ekliptika af

en bewegen zich daardoor vaak in de zonderlingste bochten en lussen

tusschen de sterren door.

Deze merkwaardige onregelmatige banen der planeten hebben reeds van

oudsher op de verbeeldingskracht der menschen een sterken indruk

gemaakt. Vooral was dit het geval bij de Babyloniërs, die door een

wonderbaarlijk helderen en doorzichtigen hemel begunstigd en door de

behoeften van de tijdrekening -- de reeds vroeger vermelde

aanpassing van den maankalender aan het zonnejaar -- tot het

waarnemen van den hemel direkt gedwongen werden. In de groote en

rijke handelsstad Babylon, die gedurende een paar duizend jaren vóór

het optreden der Grieken in de geschiedenis de beschaving der

oudheid beheerschte, leefde een hoog ontwikkelde priesterkaste, de

dragers van het toenmalige geestelijke leven, tot wier ambt ook het

waarnemen van de hemellichamen behoorde; hun astronomische

opteekeningen reiken tot in de grijze oudheid terug. Hun moesten

deze schitterende lichten, die tusschen de sterrebeelden als door

een landschap rondwandelen, die nu eens vooruit, dan weer terug

gaan, soms naar het Noorden of het Zuiden afbuigen, nu eens

stilstaan, dan weer zich haasten, als zelfstandige, goddelijke

wezens voorkomen, met eigen wil en leven begaafd. Welke beteekenis

hadden dan de bewegingen van die hemellichten, wat was hun zin, wat

hun doel?

De zin van zons- en maanbeweging was duidelijk: de zon beheerschte

de wisseling der jaargetijden, de wisseling van koude en hitte, van

regen en droogte, en de maan beheerschte de tijdrekening; beide

doorliepen dus hun banen ten behoeve van de menschen. Daar nu alle

hemelgoden te zamen al het gebeuren op aarde en bepaaldelijk het

leven der menschen beheerschen, lag het voor de hand een samenhang

te zoeken tusschen de grillige wisselingen van het gebeuren op aarde

en de grillige bewegingen van de planetengoden. Zoo kregen de

zonderlinge bewegingen van de planeten een groote en belangrijke

beteekenis: _zij regeerden het lot der menschen_. Niet slechts zomer

en winter, hitte en dorheid, maar ook leven en dood, geluk en

ongeluk, oorlog en vrede worden door een eeuwig noodlot bepaald,

waarvan de draden door de zeven lichtgoden aan den hemel gesponnen

worden; hun banen zijn het oerbeeld van de menschelijke geschiedenis

op aarde. Nooit komen de planeten voor de tweede maal in precies

denzelfden stand ten opzichte van elkaar terug; oneindig

verschillend en steeds nieuw zijn hun konstellaties, en evenzoo

oneindig verschillend en veelvuldig zijn ook de gebeurtenissen en

wisselingen in het menschenleven.

Zoo traden in de Babylonische wereldbeschouwing de planeten als

levende, werkende wezens uit de massa der overige sterren naar

voren. Zij hadden voor de menschen een werkelijke, groote,

praktische beteekenis en met hen werden gaandeweg de oude natuur- en

stamgoden vereenzelvigd. Hun zevental -- zon en maan werden er bij

gerekend -- was een heilig getal; aan hen waren de uren van den dag

en ook de reeks der dagen zelf gewijd; zoo verdrong de zevendaagsche

week meer en meer de oorspronkelijke vijfdaagsche, en deze

zevendaagsche week heeft zich vanuit Babylon over de geheele wereld

verspreid.

Maar ook de algemeene opvatting zelf, waaruit deze zevendaagsche

week voortgekomen was, bleef niet tot Babylon beperkt; de

_astrologie_ of sterrewichelarij, die het lot van de menschen uit

den stand der planeten bij hun geboorte tracht te voorspellen, was

niets dan de praktische toepassing van de Babylonische leer van den

samenhang tusschen de hemelverschijnselen en de aardsche

gebeurtenissen. Deze leer, die er niet minder belangrijk en grootsch

om is, al heeft de latere ontwikkeling der wetenschap haar

onhoudbaarheid aangetoond, heeft gedurende duizenden van jaren in de

oudheid en in de middeleeuwen het denken der ontwikkeldste menschen

overal beheerscht, waar men in de sterrenwereld belang stelde. Ten

onrechte zien moderne geleerden verachtelijk op de astrologie neer

als een betreurenswaardige afdwaling van den menschelijken geest.

Want zij is het geweest, die de menschen aanzette om de sterren

veel vlijtiger en aanhoudender waar te nemen, dan alleen voor de

behoeften der tijdrekening noodig was geweest. Waar was er ook voor

menschelijke inspanning een belangrijker en verhevener doel te

vinden, dan een wetenschap op te bouwen, die veroorloofde de

regellooze toevalligheden van het menschenlot vooruit te voorspellen

door ze als het ware in zeven eenvoudige elementen te ontleden: de

werkingen der zeven toch reeds heel wat geregelder loopende

planeten? Er zijn dan ook inderdaad nooit zoo vele en zoo

regelmatige planetenwaarnemingen gedaan als in de tijden, toen het

geloof in de werking der sterren het krachtigst in de menschen

leefde. Eerst in het oude Babylon, waar de priesters ten slotte uit

vele eeuwen lange opteekeningen de perioden der planeten zeer

nauwkeurig kenden; en later nog eens in Europa in de 16de eeuw.

Alleen met behulp van deze waarnemingen is het dan naderhand

mogelijk geworden de werkelijke wetenschap der hemellichamen op te

bouwen. Op de waarnemingen der Babyloniërs berustte voor een groot

deel de sterrekundige wetenschap der oude Grieken; en de

waarnemingen van de 16de eeuw hebben het materiaal voor den opbouw

van de grondslagen der moderne astronomie geleverd.

De Wonderbouw der Wereld · 第 34 / 64 题