11. DE VORM VAN HET AARDOPPERVLAK.

De beschouwing van de hemelverschijnselen heeft ons geleerd, dat de

aarde een naar alle zijden begrensd lichaam moet zijn. Met onzen

eersten oppervlakkigen indruk, dat wij ons op een plat aardoppervlak

bevinden, zou zich dit zeer goed laten vereenigen, wanneer dit vlak

de bovenkant van een schijf of van een of ander lichaam met platte

vlakken was. Zulke denkbeelden zijn in de oudste tijden (b.v. door

sommige Grieksche philosophen) inderdaad geopperd. Maar eenvoudige

waarnemingen op zee en aan de kust hebben reeds vroeg tot juistere

opvattingen geleid.

Iedereen weet, dat men van een open plaats of een heuveltop slechts

een zeer klein gebied kan overzien, niet meer dan de naaste

omgeving. Men denkt dan eerst, dat dit door de ver verwijderde

bosschen en heuvels komt, die aan den horizon het verdere uitzicht

belemmeren. Maar ook aan het zeestrand is het uitzicht op dezelfde

manier beperkt. Tot aan den horizon ziet men steeds maar een klein

gedeelte van de zee; van wat verder weg ligt, zien wij niets. Staan

wij beneden, vlak aan het water, dan lijkt ons de horizon niet meer

dan hoogstens een uur ver verwijderd; bij woelige zee kunnen wij

zelfs bemerken, dat de lijn van den horizon eenigszins rimpelig is

door de golfbeweging. Klimmen wij dan echter op een hoogte, op een

rots of een duin, dan kunnen wij op eens veel verder kijken. De

horizon is zeer ver weg en volmaakt recht; de plaats van de zee,

waar wij de golfbeweging als flauwe rimpeling zien en die wij

beneden als horizon zagen, ligt nu duidelijk onder den horizon en

veel dichter bij ons dan wat nu horizon is. Hoe is dat mogelijk?

_Blijkbaar is het zeeoppervlak geen plat vlak_, want dan hadden wij

beneden even ver moeten kunnen kijken als boven.

[Illustratie]

Het ziet er uit, alsof achter den dichtbijzijnden gerimpelden

horizon, dien wij beneden zagen, net als achter een rand, het

zeeoppervlak iets scheef naar beneden loopt; boven kijken wij dan

over dien rand heen, die beneden ons uitzicht begrensde, en daarom

kunnen wij boven zooveel verder zien.

Deze indruk wordt bevestigd, wanneer men op een wegvarend schip let.

Terwijl het zich van ons verwijdert, komt het steeds dichter bij de

lijn van den horizon en eindelijk zien wij het boven op den horizon

rusten; daarna schijnt het, terwijl het steeds kleiner wordt, achter

den horizon weg te zinken; de romp wordt onzichtbaar, ook met een

verrekijker, en alleen mast en zeilen of schoorsteen en rook steken

boven den horizon uit. Klimmen wij nu echter op een hoogte, dan

kunnen wij, zooal niet met het bloote oog, dan toch met een

verrekijker het geheele schip weer beneden of op den horizon zien;

maar ook voor deze hoogere standplaats verdwijnt het schip ten

slotte achter den horizon. Achter den verren horizon moet dus een

zeeoppervlak liggen, dat nog schuiner naar beneden loopt.

[Illustratie]

De menschen op het schip zien op dezelfde manier duinen en bergen

achter den horizon wegzinken. Maar zij bemerkten er niets van, dat

zij over een of ander soort rand of grenslijn heenvaren en dan op

een schuin afloopend vlak komen. Voor hen blijft het zeeoppervlak

altijd hetzelfde, vlak en horizontaal.

[Illustratie]

Van grensranden, waar vlakke stukken aan elkaar stooten, kan dus

geen sprake zijn. Dan blijft alleen deze mogelijkheid over: _de

zeeoppervlakte is een naar alle zijden gelijkmatig flauw gebogen

oppervlak_. Van zulk een gebogen of gewelfd vlak kan men een des te

grooter gedeelte overzien, hoe hooger men zich er boven bevindt; is

men er zeer dicht bij, dan zijn de ver verwijderde deelen achter

haar welving verborgen en deze welving vormt den rand, dien wij als

horizon zien.

[Illustratie]

Heel in het klein kunnen wij iets dergelijks bij een gelijkmatig

gewelfden heuvel waarnemen; gaat men liggen, zoodat de oogen dicht

bij den grond zijn, dan overziet men slechts een zeer klein stukje

in de naaste omgeving, terwijl men een veel grooter stuk kan zien,

als men rechtop staat.

Op zee kunnen wij dus ver verwijderde dingen daarom niet zien, omdat

het wateroppervlak gebogen is. Dat geldt echter evenzeer voor het

land. Waarom kan men ook bij het helderste weer in Rotterdam niets

van de torens van Amsterdam zien, terwijl tusschen deze steden geen

heuvels of bergen zijn, die het uitzicht belemmeren? Aan den afstand

alleen kan het niet liggen, want van hooge bergen, b.v. van den

Brocken, kan men bij helder weer zeer goed zoover en nog verder het

land overzien. Dat de torens van deze beide steden voor elkaar

onzichtbaar zijn bewijst, dat er iets tusschen zit; dat kan niets

anders zijn dan het gebogen aardoppervlak, dat als een rug tusschen

hen ligt. Wat voor de zee geldt, geldt dus ook voor het laagland,

mogen de heuvels hier de gedaante ook ietwat onregelmatiger maken:

_de vlakke aarde is evenzoo gebogen als de zeeoppervlakte_.

Wij gebruikten zooeven de vergelijking met een zacht glooienden

heuvel; maar het valt dadelijk in het oog, dat er toch een groot

verschil tusschen beide gevallen bestaat. Bij den heuvel bemerken

wij onmiddellijk, dat de hellingen scheef liggen; het water loopt

daar langs naar beneden. Daarentegen bemerken de menschen op het

wegvarende schip niets van dien aard; de mast van het schip blijft

steeds rechtop staan, de zeespiegel ligt volkomen vlak en

horizontaal en het water toont niet de minste neiging om weg te

vloeien, En toch bevindt zich het schip, naar hetgeen wij van het

strand uit zagen, op een hellend, een schuin naar beneden loopend

vlak. Hoe is dat mogelijk?

Wat hier op het eerste gezicht zoo vreemd schijnt, bewijst

eenvoudig, dat wat op het schip boven en beneden heet, _een andere

richting_ is, dan wat wij aan den wal zoo noemen.

[Illustratie]

De mast van het schip staat recht naar boven, loodrecht op den

zeespiegel, maar hij staat scheef ten opzichte van den mast van een

schip, dat aan het strand ligt. Laten wij op het schip op zee een

zwaar ding vallen, dan valt het daar recht naar beneden, maar toch

in een andere richting dan een steen op het strand valt. Voor de

menschen op het schip ligt de oppervlakte van het water volkomen

waterpas, en daarom heeft dit ook geen reden om weg te willen

stroomen, Overal op zee is de oppervlakte horizontaal en de

valrichting, loodrecht daarop, vertikaal; maar deze richtingen

liggen scheef ten opzichte van waterpas en schietlood op een andere

plaats. De torens van Amsterdam steken in een andere richting naar

boven dan de torens van Rotterdam, hoewel deze richting in beide

plaatsen met hetzelfde woord "naar boven" genoemd wordt. _Boven en

beneden, horizontaal en vertikaal beteekenen voor elke plaats andere

richtingen; zij zijn geen absolute, maar relatieve begrippen_.

[Illustratie]

Dat inderdaad de richting van het schietlood, de vertikale richting,

bij een reis over land of over zee anders wordt, daarvan kan men

zich ook nog op andere wijze overtuigen. Wanneer in Parijs het

schietlood precies naar een bepaalde ster gericht is, dus de

Parijzenaars die ster precies boven hun hoofd in het toppunt des

hemels zien, kunnen de Amsterdammers diezelfde ster niet precies

boven zich hebben. In Amsterdam moet deze ster iets meer naar het

Zuiden staan, en het schietlood naar andere, meer noordelijke

sterren gericht zijn. Dit blijkt ook werkelijk het geval te zijn.

Reizen wij naar het Noorden, dan zien wij, dat de sterren aan den

noordelijken hemel hooger komen te staan, terwijl de sterren in het

Zuiden lager komen; sterren, die te voren recht boven ons stonden,

staan nu hoog in het Zuiden; sterren, die in het Zuiden dicht bij

den horizon stonden, zinken weg en worden onzichtbaar; sterren, die

bij hun laagsten stand in het Noorden even onder den horizon

verdwenen, blijven er nu steeds boven. Het is alsof de hemelbol in

het Noorden iets opgetild en in het Zuiden iets gezakt is, dus iets

van het Noorden naar het Zuiden gedraaid is. In werkelijkheid heeft

natuurlijk de horizon zijn stand veranderd, is de horizon naar het

Noorden gedaald, naar het Zuiden gerezen. Reizen wij naar het

Zuiden, dan zien wij juist het tegendeel plaats vinden; in

zuidelijke landen ziet men sterren boven den zuidelijken horizon

uitkomen, die er in noordelijker streken altijd onder blijven.

Daarom waren de volken der oudheid met vele sterren en stergroepen

bekend -- zooals de schitterende sterrenrij, die den staart van den

Schorpioen vormt -- die in ons land onzichtbaar zijn. _Deze

verandering in den stand der sterren ten opzichte van schietlood en

horizon bevestigt, dat de oppervlakte van de aarde gebogen is_.

Deze verschijnselen waren aan de zeevarende volkeren der oudheid,

die de Middenlandsche Zee bevoeren, reeds goed bekend en zij trokken

er ook al de juiste gevolgtrekkingen uit. Wel is waar bewijzen zij

niet meer dan dat de aardoppervlakte van het Noorden naar het Zuiden

gebogen is; want slechts in het Noorden en het Zuiden hebben voor

een bepaalde plaats de sterren ook een bepaalde hoogte aan den

hemel. In het Oosten en Westen stijgen of dalen de sterren; voor

twee plaatsen, die ten Oosten en ten Westen van elkaar liggen, kan

men iets dergelijks alleen dàn vaststellen, wanneer men in beide

precies op hetzelfde oogenblik naar den hemel kijkt en de hoogte der

sterren aan den oostelijken of westelijken hemel opneemt. Zulk een

geval wordt in het groote astronomische standaardwerk van de

oudheid, de Almagest van Ptolemaeus, als bewijs voor de gebogenheid

van het aardoppervlak aangevoerd. Bij een maansverduistering werd

waargenomen, dat de maan op het oogenblik der verduistering voor de

westelijke landen zeer laag, voor de oostelijke landen veel hooger

aan den oostelijken hemel stond; een reiziger, die met

bliksemsnelheid van Syrië naar Spanje kon vliegen, zou dus de maan

aan den oostelijken hemel naar beneden zien dalen -- een bewijs, dat

ook van het Oosten naar het Westen de aardoppervlakte gebogen is.

De Wonderbouw der Wereld · 第 20 / 64 题