2. DAG EN NACHT.

Onder alle verschijnselen is er geen zoo belangrijk voor ons, als de

wisseling van dag en nacht. Zij beheerscht al het leven op aarde,

zij regelt onze geheele levenswijze en zij is ons van jongs af aan

bekend. Hoe ontstaat zij? Om deze vraag te beantwoorden behoeven wij

slechts haar verschijnselen na te gaan, zooals die zich bij een

onbewolkten hemel voordoen.

Als het nog donkere nacht is, ontstaat ergens aan den oostelijken

horizon een bleek schemerlicht; het breidt zich uit, wordt

langzamerhand sterker, de helderheid verbreidt zich over den

geheelen hemel en neemt steeds toe; daardoor verdwijnt de duisternis

op aarde en de slapende dierenwereld ontwaakt. In het Oosten is het

licht het helderst; een rood schijnsel stijgt omhoog, dat in de

wolken een prachtig kleurenspel toovert: het morgenrood. Eindelijk,

als het reeds klaar dag is, duikt een eerste verblindende streep van

de zon boven den horizon op; zij rijst snel en is spoedig als

geheele schijf te zien. Zij stijgt niet loodrecht omhoog; aan de

voorwerpen in de verte, die de rechte lijn van den horizon breken

(boomen, gebouwen, bergen, enz.), kan men zien, dat zij zich bij het

stijgen tegelijkertijd _naar rechts beweegt; zij stijgt in schuine

richting omhoog_.Terwijl zij nu steeds hooger boven den horizon

komt, steeds schuin naar rechts omhoog stijgend, trekt zij meer en

meer op het Zuiden aan. Intusschen wordt het stijgen minder en houdt

eindelijk geheel op, als de zon 's middags om 12 uur in het Zuiden

staat. Zij heeft dan haar grootste hoogte bereikt, wat men het best

aan de schaduwen kan zien, die dan het kortst zijn, en loopt alleen

nog naar rechts. Dan begint zij gaandeweg te dalen, terwijl zij

steeds verder naar het Westen komt; de schaduwen worden langer; in

een schuin dalende baan nadert de zon den westelijken horizon en

zinkt daarachter weg; zij gaat onder. Dezelfde

schemeringsverschijnselen van den morgen herhalen zich in omgekeerde

volgorde; de helderheid van den hemel verdwijnt, op de aarde wordt

het donker, de natuurgeluiden verstommen. In het Westen vlamt het

avondrood op, om spoedig weg te zinken en te verbleeken; wanneer het

laatste flauwe lichtschijnsel verdwijnt, begint de nacht, waarin

slechts de sterren en nu en dan de maan eenig licht brengen.

Waar is de zon gebleven?

Naar een Oudgrieksche sage reed Apollo iederen morgen met zijn

gouden zonnewagen langs het hemelgewelf omhoog, om 's avonds naar

den koelen westelijken Oceaan af te dalen; dan dreef hij 's nachts

zijn rossen door het Noorden, waar hooge bergen hem aan het gezicht

der menschen onttrokken, om de aarde heen, en zoo stond hij des

morgens weer in het Oosten gereed om opnieuw zijn dagtaak te

volbrengen. Volgens de Babylonische overleveringen, die ons in

spijkerschrift bewaard zijn, trad de zon des avonds een hemelpoort

in het Westen binnen, werd des nachts onzichtbaar door een lange

gang gevoerd en trad den volgenden morgen uit de oostelijke

hemelpoort weer te voorschijn, De Egyptenaren lieten haar des nachts

in een boot naar de plaats van opgang terugroeien. Bij al deze

primitief-dichterlijke opvattingen werd de zon in haar baan door een

bewusten wil geleid; daarom lag er niets vreemds in de voorstelling,

dat zij, eenmaal weer op den vlakken grond aangeland, langs den

buitenkant der vlakke aarde op de een of andere manier naar het

Oosten teruggebracht werd.

Voor ons latere menschen, die in de zon niet meer een bezield wezen

zien, komen zulke verklaringen echter niet in aanmerking. Wat wij in

haar beweging zien, is geen doelbewust handelen van een

zelfstandigen wil, maar regelmatigheid zonder bewustzijn. Volgen wij

met ons oog den weg, dien zij in den loop van den dag aan den hemel

beschrijft, dan zien wij inderdaad, dat deze geheel regelmatig,

zonder bochten of hoeken, steeds rechtuit loopt, totdat hij in het

Oosten en Westen door den horizon in eens afgesneden wordt. Hoe

loopt hij nu verder? Wanneer wij den uitgestrekter arm op de zon

richten, kunnen wij, door ons lichaam daarbij in het rond te

draaien, haar baan als 't ware aan den hemel afteekenen, en dan

kunnen wij deze beweging nog verder voortzetten, waar de zon zelf

niet meer zichtbaar is. Wij bemerken dan, dat deze baan in het

Westen eerst nog verder schuin naar beneden gaat, dan steeds minder

schuin wordt, naarmate zij verder naar het Noorden komt, in het

Noorden het diepst onder den horizon komt en vandaar steeds sterker

stijgend de plaats bereikt, waar de zon in het Oosten opkomt. Dat de

zon zich inderdaad 's nachts zóó beweegt, daarvoor hebben wij nog

een direkt bewijs in het verloop van de schemering. Wanneer de zon

na haar ondergang niet verder omlaag zonk, dan moest ook de

schemering altijd door even helder blijven. Aan het schemerlicht in

het Westen, dat na zonsondergang steeds zwakker en kleiner wordt, en

daarbij tegelijk nog iets naar rechts verschuift, zien wij duidelijk

met onze oogen, dat de zon, na haar ondergang, schuin naar rechts

steeds dieper onder den horizon wegzakt. En evenzoo toont ons het

langzame opkomen van de morgenschemering, hoe de zon reeds voor haar

opkomst schuin naar rechts uit de diepte naar den horizon opstijgt.

Wij komen dus tot deze eerste gevolgtrekking: _de zon beweegt zich

dagelijks in een schuinen kring om ons heen_, dien zij regelmatig

zonder onderbrekingen, vertragingen of afwijkingen doorloopt. Deze

kring helt van het Zuiden naar het Noorden; in het Zuiden ligt hij

het hoogst, in het Noorden het diepst; daarom klimt de zon aan den

Oostkant naar boven en daalt zij aan den Westkant naar beneden. De

horizon is geen hindernis voor de beweging van de zon zelf, hij is

alleen maar een hindernis voor ons oog.

[Illustratie: Dagelijksche zonnekring.]

Voor de zon zelf heeft hij even weinig beteekenis als een muur, waar

wij de zon achter weg zien komen.

In den schuinen stand van den zonnekring ligt de onmiddellijke

oorzaak van de afwisseling van dag en nacht, en dus ook van de

regelmatige wisseling van beweging en rust, van waken en slapen, van

opzameling en afgifte van de levensenergie bij planten, dieren en

menschen. De zon zelf heeft er geen schuld aan; de zon loopt

onvermoeid en regelmatig altijd maar voort in haar baan. Maar uit

het noordelijke deel van die baan kunnen ons haar stralen niet

bereiken, omdat de donkere, ondoorschijnende aarde er voor zit. Het

onderste deel van den zonnekring wordt door de aarde bedekt; de

horizon snijdt den zonsweg in tweeën: in een noordelijk onzichtbaar

nachtgedeelte en een zichtbaar zuidelijk daggedeelte.

Tegelijk blijkt hieruit, dat de horizon dus niet, zooals het ons

eerst toescheen, een werkelijke grenslijn tusschen hemel en aarde

kan zijn, waar de hemellichamen de aarde verlaten of weer op haar

aanlanden. De baan van de zon gaat verder naar beneden door, en de

horizon is alleen maar de plaats, waar zij achter de aarde

schuilgaat. _Dan kan de aarde zich ook niet eindeloos naar alle

zijden en naar beneden uitstrekken;_ zij moet ergens ophouden,

anders zou de zon daarbuiten geen ruimte voor haar baan vinden. Deze

eenvoudige overweging heeft reeds zeer vroeg de menschen tot de

overtuiging gebracht, dat de aarde een begrensd lichaam moet zijn.

De Wonderbouw der Wereld · 第 10 / 64 题