Onder alle verschijnselen is er geen zoo belangrijk voor ons, als de
wisseling van dag en nacht. Zij beheerscht al het leven op aarde,
zij regelt onze geheele levenswijze en zij is ons van jongs af aan
bekend. Hoe ontstaat zij? Om deze vraag te beantwoorden behoeven wij
slechts haar verschijnselen na te gaan, zooals die zich bij een
onbewolkten hemel voordoen.
Als het nog donkere nacht is, ontstaat ergens aan den oostelijken
horizon een bleek schemerlicht; het breidt zich uit, wordt
langzamerhand sterker, de helderheid verbreidt zich over den
geheelen hemel en neemt steeds toe; daardoor verdwijnt de duisternis
op aarde en de slapende dierenwereld ontwaakt. In het Oosten is het
licht het helderst; een rood schijnsel stijgt omhoog, dat in de
wolken een prachtig kleurenspel toovert: het morgenrood. Eindelijk,
als het reeds klaar dag is, duikt een eerste verblindende streep van
de zon boven den horizon op; zij rijst snel en is spoedig als
geheele schijf te zien. Zij stijgt niet loodrecht omhoog; aan de
voorwerpen in de verte, die de rechte lijn van den horizon breken
(boomen, gebouwen, bergen, enz.), kan men zien, dat zij zich bij het
stijgen tegelijkertijd _naar rechts beweegt; zij stijgt in schuine
richting omhoog_.Terwijl zij nu steeds hooger boven den horizon
komt, steeds schuin naar rechts omhoog stijgend, trekt zij meer en
meer op het Zuiden aan. Intusschen wordt het stijgen minder en houdt
eindelijk geheel op, als de zon 's middags om 12 uur in het Zuiden
staat. Zij heeft dan haar grootste hoogte bereikt, wat men het best
aan de schaduwen kan zien, die dan het kortst zijn, en loopt alleen
nog naar rechts. Dan begint zij gaandeweg te dalen, terwijl zij
steeds verder naar het Westen komt; de schaduwen worden langer; in
een schuin dalende baan nadert de zon den westelijken horizon en
zinkt daarachter weg; zij gaat onder. Dezelfde
schemeringsverschijnselen van den morgen herhalen zich in omgekeerde
volgorde; de helderheid van den hemel verdwijnt, op de aarde wordt
het donker, de natuurgeluiden verstommen. In het Westen vlamt het
avondrood op, om spoedig weg te zinken en te verbleeken; wanneer het
laatste flauwe lichtschijnsel verdwijnt, begint de nacht, waarin
slechts de sterren en nu en dan de maan eenig licht brengen.
Waar is de zon gebleven?
Naar een Oudgrieksche sage reed Apollo iederen morgen met zijn
gouden zonnewagen langs het hemelgewelf omhoog, om 's avonds naar
den koelen westelijken Oceaan af te dalen; dan dreef hij 's nachts
zijn rossen door het Noorden, waar hooge bergen hem aan het gezicht
der menschen onttrokken, om de aarde heen, en zoo stond hij des
morgens weer in het Oosten gereed om opnieuw zijn dagtaak te
volbrengen. Volgens de Babylonische overleveringen, die ons in
spijkerschrift bewaard zijn, trad de zon des avonds een hemelpoort
in het Westen binnen, werd des nachts onzichtbaar door een lange
gang gevoerd en trad den volgenden morgen uit de oostelijke
hemelpoort weer te voorschijn, De Egyptenaren lieten haar des nachts
in een boot naar de plaats van opgang terugroeien. Bij al deze
primitief-dichterlijke opvattingen werd de zon in haar baan door een
bewusten wil geleid; daarom lag er niets vreemds in de voorstelling,
dat zij, eenmaal weer op den vlakken grond aangeland, langs den
buitenkant der vlakke aarde op de een of andere manier naar het
Oosten teruggebracht werd.
Voor ons latere menschen, die in de zon niet meer een bezield wezen
zien, komen zulke verklaringen echter niet in aanmerking. Wat wij in
haar beweging zien, is geen doelbewust handelen van een
zelfstandigen wil, maar regelmatigheid zonder bewustzijn. Volgen wij
met ons oog den weg, dien zij in den loop van den dag aan den hemel
beschrijft, dan zien wij inderdaad, dat deze geheel regelmatig,
zonder bochten of hoeken, steeds rechtuit loopt, totdat hij in het
Oosten en Westen door den horizon in eens afgesneden wordt. Hoe
loopt hij nu verder? Wanneer wij den uitgestrekter arm op de zon
richten, kunnen wij, door ons lichaam daarbij in het rond te
draaien, haar baan als 't ware aan den hemel afteekenen, en dan
kunnen wij deze beweging nog verder voortzetten, waar de zon zelf
niet meer zichtbaar is. Wij bemerken dan, dat deze baan in het
Westen eerst nog verder schuin naar beneden gaat, dan steeds minder
schuin wordt, naarmate zij verder naar het Noorden komt, in het
Noorden het diepst onder den horizon komt en vandaar steeds sterker
stijgend de plaats bereikt, waar de zon in het Oosten opkomt. Dat de
zon zich inderdaad 's nachts zóó beweegt, daarvoor hebben wij nog
een direkt bewijs in het verloop van de schemering. Wanneer de zon
na haar ondergang niet verder omlaag zonk, dan moest ook de
schemering altijd door even helder blijven. Aan het schemerlicht in
het Westen, dat na zonsondergang steeds zwakker en kleiner wordt, en
daarbij tegelijk nog iets naar rechts verschuift, zien wij duidelijk
met onze oogen, dat de zon, na haar ondergang, schuin naar rechts
steeds dieper onder den horizon wegzakt. En evenzoo toont ons het
langzame opkomen van de morgenschemering, hoe de zon reeds voor haar
opkomst schuin naar rechts uit de diepte naar den horizon opstijgt.
Wij komen dus tot deze eerste gevolgtrekking: _de zon beweegt zich
dagelijks in een schuinen kring om ons heen_, dien zij regelmatig
zonder onderbrekingen, vertragingen of afwijkingen doorloopt. Deze
kring helt van het Zuiden naar het Noorden; in het Zuiden ligt hij
het hoogst, in het Noorden het diepst; daarom klimt de zon aan den
Oostkant naar boven en daalt zij aan den Westkant naar beneden. De
horizon is geen hindernis voor de beweging van de zon zelf, hij is
alleen maar een hindernis voor ons oog.
[Illustratie: Dagelijksche zonnekring.]
Voor de zon zelf heeft hij even weinig beteekenis als een muur, waar
wij de zon achter weg zien komen.
In den schuinen stand van den zonnekring ligt de onmiddellijke
oorzaak van de afwisseling van dag en nacht, en dus ook van de
regelmatige wisseling van beweging en rust, van waken en slapen, van
opzameling en afgifte van de levensenergie bij planten, dieren en
menschen. De zon zelf heeft er geen schuld aan; de zon loopt
onvermoeid en regelmatig altijd maar voort in haar baan. Maar uit
het noordelijke deel van die baan kunnen ons haar stralen niet
bereiken, omdat de donkere, ondoorschijnende aarde er voor zit. Het
onderste deel van den zonnekring wordt door de aarde bedekt; de
horizon snijdt den zonsweg in tweeën: in een noordelijk onzichtbaar
nachtgedeelte en een zichtbaar zuidelijk daggedeelte.
Tegelijk blijkt hieruit, dat de horizon dus niet, zooals het ons
eerst toescheen, een werkelijke grenslijn tusschen hemel en aarde
kan zijn, waar de hemellichamen de aarde verlaten of weer op haar
aanlanden. De baan van de zon gaat verder naar beneden door, en de
horizon is alleen maar de plaats, waar zij achter de aarde
schuilgaat. _Dan kan de aarde zich ook niet eindeloos naar alle
zijden en naar beneden uitstrekken;_ zij moet ergens ophouden,
anders zou de zon daarbuiten geen ruimte voor haar baan vinden. Deze
eenvoudige overweging heeft reeds zeer vroeg de menschen tot de
overtuiging gebracht, dat de aarde een begrensd lichaam moet zijn.