1. HEMEL EN AARDE.

Wanneer wij de wereld om ons heen beschouwen, zien wij, dat zij uit

twee geheel verschillende helften bestaat, den hemel en de aarde.

Onder ons is de aarde, boven ons de hemel; in hemel en aarde is van

oudsher de geheele wereld samengevat. Hemel en aarde staan tegenover

elkaar als licht, ijl en luchtig tegenover donker, hard en zwaar;

alles wat zwaar is, valt naar beneden, naar de aarde, terwijl de

lichte rook naar den hemel opstijgt. Voor den mensch vormen hemel en

aarde beide in gelijke mate den grondslag van zijn bestaan. De aarde

is de vaste grond, die hem draagt, dien hij beploegt en bebouwt,

opdat zij de noodzakelijke levensmiddelen voor hem voortbrengt; ons

geheele leven wortelt in de aarde. De hemel geeft den levenwekkenden

zonneschijn en den vruchtbaren regen, zonder welke de aarde geen

vruchten kan voortbrengen. Zonder het licht en de warmte, die van

den hemel komen, kunnen wij niet leven. Daar schitteren overdag de

zon en 's nachts de maan en de sterren, terwijl binnen in de aarde

alles donker en zwart is.

Op het eerste gezicht lijkt de aarde een min of meer plat vlak, waar

de hemel zich overheen welft als een blauwe stolp, die rondom, aan

den horizon, op de aarde rust. Wie echter zou willen trachten den

horizon te bereiken, bemerkt al gauw, dat dit laatste maar schijn

is. Hoe verder men gaat, des te meer wijkt ook de horizon achteruit;

hij schijnt steeds even ver van ons verwijderd te blijven. Dat hemel

en aarde daar aan elkander raken, moet dus òf gezichtsbedrog zijn,

òf het vindt eerst plaats op onbereikbaar verren afstand. De hemel

breidt zich dus eigenlijk niet zoozeer als een koepeldak over de

aarde uit, maar meer als een hoogere verdieping of een soort

zoldering. Deze indruk wordt vooral ook gewekt door den vorm van de

wolken, die aan den horizon tot smalle strepen in elkaar geschoven

zijn. De aarde zelf strekt zich voor den wandelaar onder het loopen

steeds verder uit; over het algemeen blijft zij vlak, en als zij in

bergstreken stijgt, daalt zij toch weer aan den anderen kant van het

gebergte. De waterspiegel ligt overal vlak, zooals de vloeibare aard

van het water meebrengt; en aan de kusten verheft zich het vasteland

weliswaar niet overal even hoog -- hier als vlak strand, daar als

steile rots -- maar toch overal slechts weinig hooger dan het water.

Zoo doet zich de wereld aan den mensch op het eerste gezicht voor.

Zoodra men echter over deze verschijnselen nadenkt, komen vanzelf

verschillende vragen op. Hoe ver kan men op deze manier op de aarde

doorloopen? Strekt zij zich eindeloos, altijd maar verder uit of

heeft zij een grens? En als wij naar beneden altijd dieper in de

aarde konden graven, zouden wij dan op een grens stuiten? Strekt

zich de aarde naar beneden eindeloos uit of wat zou daar anders

onder liggen? Als zij een begrensd lichaam is, waarom valt zij dan

niet naar beneden, zooals alle zware dingen? Of rust zij op het een

of andere fundament? Dergelijke vragen kwamen bij het eerste

aanbreken van de geschiedenis ook al bij de primitieve menschen op

en wij vinden ze in hun sagen en mythen, al naar den beperkten stand

hunner ontwikkeling en kennis, meer of minder fantastisch

beantwoord. Een onbegrensde aarde ging het voorstellingsvermogen van

de primitieve volkeren te boven; elk volk hield haar voor een beetje

grooter dan de landen en zeeën, die het zelf kende. De Grieken uit

de klassieke oudheid, op wier kultuur de beschaving van West-Europa

opgebouwd is, stelden zich de aarde als een langen rechthoek voor,

waarvan de grenzen op matigen afstand rondom de Middellandsche Zee

lagen, die zij zelf bevoeren; in het Zuiden was de woestijn de

Sahara de grens, in het Noorden het onherbergzame woud- en

steppengebied van Europa; in het Oosten begrensde het woestijnland

achter Perzië en in het Westen de geheimzinnige, grenzenlooze

Atlantische Oceaan de toenmaals bekende aarde. Over de vraag, hoe de

aarde kon blijven rusten, is ons van een der vroegste Grieksche

denkers, Thales uit de handelstad Milete, de opvatting overgeleverd,

dat de aarde als een platte schijf in een oneindige zee dreef. In de

heilige boeken van de Indiërs stond geschreven, dat de aarde op den

rug van een olifant rustte, die zelf weer op den rug van een

schildpad stond; wie echter de schildpad droeg, dat wist niemand.

Men mag natuurlijk zulke primitieve opvattingen niet meten met den

maatstaf der moderne logika. Zij zijn niet ontstaan, doordat voor

een helder bewust vraagstuk een wetenschappelijke oplossing werd

gezocht; zij zijn eenvoudig een bewijs, dat zulke vragen, zij het

dan ook vaag en schemerig, reeds in den geest der menschen opkwamen.

Er was nog geen aparte theoretische belangstelling, die de menschen

aanzette tot opzettelijk stelselmatig waarnemen van den hemel, enkel

met het doel om tot een helder weten te komen. Eerst, toen de

praktische behoeften van het leven, -- het vinden van den weg door

de eindelooze zeeën en woestijnen, of de regeling van den kalender

om den tijd van zaaien en oogsten te vinden -- de menschen dwongen,

eenigszins regelmatig op den loop der hemellichamen te letten,

ontstonden daaruit mettertijd betere inzichten omtrent den bouw van

de wereld.

Doordat wij nu achterna deze langzame, onbewuste ontwikkeling van de

menschelijke kennis bewust nog eens doorloopen, zijn wij in staat

met bepaald opzet die waarnemingen te verzamelen, die wij voor ons

doel noodig hebben, en er onze gevolgtrekkingen uit te maken.

De Wonderbouw der Wereld · 第 9 / 64 题