Wanneer wij de wereld om ons heen beschouwen, zien wij, dat zij uit
twee geheel verschillende helften bestaat, den hemel en de aarde.
Onder ons is de aarde, boven ons de hemel; in hemel en aarde is van
oudsher de geheele wereld samengevat. Hemel en aarde staan tegenover
elkaar als licht, ijl en luchtig tegenover donker, hard en zwaar;
alles wat zwaar is, valt naar beneden, naar de aarde, terwijl de
lichte rook naar den hemel opstijgt. Voor den mensch vormen hemel en
aarde beide in gelijke mate den grondslag van zijn bestaan. De aarde
is de vaste grond, die hem draagt, dien hij beploegt en bebouwt,
opdat zij de noodzakelijke levensmiddelen voor hem voortbrengt; ons
geheele leven wortelt in de aarde. De hemel geeft den levenwekkenden
zonneschijn en den vruchtbaren regen, zonder welke de aarde geen
vruchten kan voortbrengen. Zonder het licht en de warmte, die van
den hemel komen, kunnen wij niet leven. Daar schitteren overdag de
zon en 's nachts de maan en de sterren, terwijl binnen in de aarde
alles donker en zwart is.
Op het eerste gezicht lijkt de aarde een min of meer plat vlak, waar
de hemel zich overheen welft als een blauwe stolp, die rondom, aan
den horizon, op de aarde rust. Wie echter zou willen trachten den
horizon te bereiken, bemerkt al gauw, dat dit laatste maar schijn
is. Hoe verder men gaat, des te meer wijkt ook de horizon achteruit;
hij schijnt steeds even ver van ons verwijderd te blijven. Dat hemel
en aarde daar aan elkander raken, moet dus òf gezichtsbedrog zijn,
òf het vindt eerst plaats op onbereikbaar verren afstand. De hemel
breidt zich dus eigenlijk niet zoozeer als een koepeldak over de
aarde uit, maar meer als een hoogere verdieping of een soort
zoldering. Deze indruk wordt vooral ook gewekt door den vorm van de
wolken, die aan den horizon tot smalle strepen in elkaar geschoven
zijn. De aarde zelf strekt zich voor den wandelaar onder het loopen
steeds verder uit; over het algemeen blijft zij vlak, en als zij in
bergstreken stijgt, daalt zij toch weer aan den anderen kant van het
gebergte. De waterspiegel ligt overal vlak, zooals de vloeibare aard
van het water meebrengt; en aan de kusten verheft zich het vasteland
weliswaar niet overal even hoog -- hier als vlak strand, daar als
steile rots -- maar toch overal slechts weinig hooger dan het water.
Zoo doet zich de wereld aan den mensch op het eerste gezicht voor.
Zoodra men echter over deze verschijnselen nadenkt, komen vanzelf
verschillende vragen op. Hoe ver kan men op deze manier op de aarde
doorloopen? Strekt zij zich eindeloos, altijd maar verder uit of
heeft zij een grens? En als wij naar beneden altijd dieper in de
aarde konden graven, zouden wij dan op een grens stuiten? Strekt
zich de aarde naar beneden eindeloos uit of wat zou daar anders
onder liggen? Als zij een begrensd lichaam is, waarom valt zij dan
niet naar beneden, zooals alle zware dingen? Of rust zij op het een
of andere fundament? Dergelijke vragen kwamen bij het eerste
aanbreken van de geschiedenis ook al bij de primitieve menschen op
en wij vinden ze in hun sagen en mythen, al naar den beperkten stand
hunner ontwikkeling en kennis, meer of minder fantastisch
beantwoord. Een onbegrensde aarde ging het voorstellingsvermogen van
de primitieve volkeren te boven; elk volk hield haar voor een beetje
grooter dan de landen en zeeën, die het zelf kende. De Grieken uit
de klassieke oudheid, op wier kultuur de beschaving van West-Europa
opgebouwd is, stelden zich de aarde als een langen rechthoek voor,
waarvan de grenzen op matigen afstand rondom de Middellandsche Zee
lagen, die zij zelf bevoeren; in het Zuiden was de woestijn de
Sahara de grens, in het Noorden het onherbergzame woud- en
steppengebied van Europa; in het Oosten begrensde het woestijnland
achter Perzië en in het Westen de geheimzinnige, grenzenlooze
Atlantische Oceaan de toenmaals bekende aarde. Over de vraag, hoe de
aarde kon blijven rusten, is ons van een der vroegste Grieksche
denkers, Thales uit de handelstad Milete, de opvatting overgeleverd,
dat de aarde als een platte schijf in een oneindige zee dreef. In de
heilige boeken van de Indiërs stond geschreven, dat de aarde op den
rug van een olifant rustte, die zelf weer op den rug van een
schildpad stond; wie echter de schildpad droeg, dat wist niemand.
Men mag natuurlijk zulke primitieve opvattingen niet meten met den
maatstaf der moderne logika. Zij zijn niet ontstaan, doordat voor
een helder bewust vraagstuk een wetenschappelijke oplossing werd
gezocht; zij zijn eenvoudig een bewijs, dat zulke vragen, zij het
dan ook vaag en schemerig, reeds in den geest der menschen opkwamen.
Er was nog geen aparte theoretische belangstelling, die de menschen
aanzette tot opzettelijk stelselmatig waarnemen van den hemel, enkel
met het doel om tot een helder weten te komen. Eerst, toen de
praktische behoeften van het leven, -- het vinden van den weg door
de eindelooze zeeën en woestijnen, of de regeling van den kalender
om den tijd van zaaien en oogsten te vinden -- de menschen dwongen,
eenigszins regelmatig op den loop der hemellichamen te letten,
ontstonden daaruit mettertijd betere inzichten omtrent den bouw van
de wereld.
Doordat wij nu achterna deze langzame, onbewuste ontwikkeling van de
menschelijke kennis bewust nog eens doorloopen, zijn wij in staat
met bepaald opzet die waarnemingen te verzamelen, die wij voor ons
doel noodig hebben, en er onze gevolgtrekkingen uit te maken.