WOORDENBOEK DER GRIEKSCHE EN ROMEINSCHE OUDHEID
Door
Dr. J. G. Schlimmer en Dr. Z. C. de Boer.
Tweede Druk
Herzien door
Dr. Z. C. de Boer en Dr. C. G. Th. W. Koch.
Derde Druk
Herzien door
Dr. C. G. Th. W. Koch,
Conrector van het gymnasium te Tiel.
Met houtgravures tusschen den tekst.
Haarlem,
De Erven F. Bohn.
1920.
VOORBERICHT VOOR DEN EERSTEN DRUK.
In den zomer van het jaar 1887 wendden De Erven F. Bohn zich tot mij
met de vraag, of ik de bewerking op mij wilde nemen van een nieuw
zoogenaamd klassisch woordenboek, meer in het bijzonder bestemd
voor leerlingen aan de nederlandsche gymnasiën, van minderen
omvang en lageren prijs dan het bekende werk van Lübker en ook
dan de nederlandsche bewerking daarvan door wijlen Mr. J. D. van
Hoëvell, omstreeks 30 jaar geleden bij den heer Braat te Dordrecht
verschenen. Alleen durfde ik echter deze taak niet op mij te nemen
en ik verzekerde mij dus van de hulp van mijn ambtgenoot Dr. Z. C. de
Boer, die zich bereid verklaarde den arbeid met mij te deelen.
J. G. Schlimmer.
Waaraan dit woordenboek zijn ontstaan verschuldigd is, is in
bovenstaande regelen medegedeeld. Er blijft nog over, rekenschap te
geven van de bewerking. Het boek was in de eerste plaats bestemd voor
de gymnasiën, doch het belang van de uitgevers bracht mede, dat het
debiet niet uitsluitend daartoe wordt beperkt, maar dat het boek ook
geschikt zou wezen voor beoefenaars der klassieke letterkunde en der
oude geschiedenis, ook buiten het gymnasiaal onderwijs staande. Met
het oog op het hoofddoel kwam het ons voor, dat wij zooveel mogelijk
lange monografieën moesten vermijden en wel in het oog moesten houden,
met welk doel een gymnasiast een artikel zou opslaan. Wanneer hij
b.v. den naam van een land opzocht--zoo meenden wij--dan zou dit niet
wezen om er eene uitvoerige aardrijkskundige beschrijving in te vinden,
met opgaaf van bergen, rivieren, steden, enz. Toen eenmaal het plan
van bewerking was vastgesteld, moest de arbeid worden verdeeld. De
eerste ondergeteekende nam datgene voor zijne rekening, wat tot Italië
behoorde of zich daarbij aansloot, om het zoo eens uit te drukken,
het rom. gedeelte, benevens de geheele geografie der oude wereld,
terwijl de tweede ondergeteekende zich met het grieksche gedeelte en
de geheele mythologie en godenleer belastte. De lijst der op te nemen
artikels werd telkens door ons gemeenschappelijk opgemaakt en daarbij
werd met zorg overwogen, of naar onze meening te verwachten was, dat de
leerling dit of dat woord in ons woordenboek zou opzoeken. Wij meenden
verder, ons te moeten beperken tot het gebied der oude geschiedenis
en niet op dat der middeleeuwen te moeten treden.
Een ander punt van ernstige overweging was de spelling der grieksche
namen, wanneer zij met latijnsche letter worden geschreven. Al ras
bleek het, dat een dubbel stelsel--n.l. voor latijnsche en grieksche
woorden afzonderlijk--met het oog op de alphabetische volgorde niet
houdbaar was, al ware het alleen reeds hierom, dat de volgorde van
het alphabet in beide talen niet dezelfde is. Het gevolg zou slechts
verwarring en last voor de gebruikers zijn geweest. Zoo kwamen wij
tot het besluit, in alles de latijnsche spelling te volgen. Nu was
het echter consequent, ook de latijnsche volgorde der letters in acht
te nemen. Dientengevolge [1] staan ook de woorden, die met grieksche
letters geschreven zijn, dáár waar zij naar het latijnsche alphabet
behooren te staan. Zoo staat b.v. Autonomia tusschen Autonoë en
Autonoüs, Eukleia tusschen Euïus en Eulaeus, doch nu moest, om geen
verwarring te stichten, overal de y op ééne lijn gesteld worden met
u, ten minste in de grieksche woorden, die geen eigennamen zijn en
daarom in grieksche letters zijn gespeld. Zoo staat b.v. symmoriai
na Summanus en niet na Symmachus. Woorden, die met een geaspireerden
klinker beginnen, vindt men onder H. Een ander gevolg van deze regeling
is geweest, dat wij zooveel mogelijk de latijnsche uitgangen hebben
verkozen en men b.v. niet Delos moet opzoeken, maar Delus. Moge ook
deze of gene hiertegen bezwaren koesteren, het gemak der gebruikers
stond op den voorgrond.
Thans nog enkele opmerkingen [2]. De romeinsche wetten, voorzoover
zij zijn opgenomen, staan niet vermeld onder een algemeen artikel
lex, maar naar haren naam. Zoo moet b.v. eene lex Aemilia onder
Aemilia (lex) gezocht worden. De romeinsche familiën staan, althans
wat den tijd der republiek betreft, zooveel mogelijk naar gentes
gerangschikt. Voor den keizertijd was dit om zeer begrijpelijke
redenen niet vol te houden. De keizers vindt men geboekt onder den
naam, waaronder zij in de geschiedenis gewoonlijk voorkomen. Niet
alle eigennamen, welke bij oude schrijvers voorkomen, worden in dit
woordenboek aangetroffen. Namen, die slechts op eene enkele plaats
voorkomen en waarvan niets anders te vermelden was dan wat op die
plaats wordt gevonden, hebben wij in den regel als onnutten ballast
beschouwd, tenzij vermelding noodig scheen om verwarring met anderen
te voorkomen. Wat het geografische gedeelte aangaat, hebben wij ons
tot het, in ons oog, noodzakelijke beperkt. Wie b.v. Sequana opzoekt,
dien zal het wel voldoende zijn, te weten dat dit de Seine is,
en hij zal niet vragen, waar deze ontspringt en welke rivieren zij
opneemt. Als men vindt, dat Abnoba mons het tegenwoordig Schwarzwald,
of dat Baetis de oude naam is van den Guadalquivir, dan zal zulks
voor den gebruiker van dit woordenboek wel voldoende wezen. Bij de
stedennamen is er naar gestreefd, zoodanige aanwijzing te geven,
dat het opzoeken op de kaart gemakkelijk werd gemaakt. Ook moest er
eenige rekening worden gehouden met hetgeen op de gymnasia al of niet
gelezen wordt, en zoo wij b.v. Pausanias en Plinius veronachtzaamd
hebben, dan zal men ons toch moeten toestemmen, dat hieraan weinig
is gelegen, daar men bij het lezen van zulke schrijvers vanzelf weet
in welken hoek der wereld men zich bevindt. Nu en dan is naast den
ouden ook de tegenwoordige naam vermeld, wanneer b.v. deze laatste een
algemeen bekende naam is of waar de naam van een volk nog voortleeft
in dien van hunne vroegere hoofdstad.
En hiermede--habeat sua fata libellus.
Tiel, Juni 1890. J. G. S.
Z. C. de B.
[1] Een voorbericht wordt zeer dikwijls niet gelezen. Toch zal het
bij het opzoeken van een woord dikwerf moeite besparen, wanneer men
althans van deze mededeeling nota neemt.
[2] Ook van belang voor den gebruiker.
VOORBERICHT VOOR DEN TWEEDEN DRUK.
Hoewel wij in deze tweede uitgave, waarbij de tweede ondergeteekende
dat deel voor zijne rekening heeft genomen, dat in den eersten druk
door den heer Schlimmer is bewerkt, zooveel mogelijk getrouw zijn
gebleven aan het hierboven uiteengezette werkplan, konden toch
de resultaten van het wetenschappelijk werk van twintig jaren
niet zonder invloed blijven op de behandeling van verscheiden
artikelen. Gewijzigde opvattingen omtrent oude geschiedenis,
rom. eeredienst, antiquiteiten, enz. moesten, voor zoover zij door
ons gedeeld werden, ook hier uitdrukking vinden, zoude het boek op
de hoogte van zijn tijd blijven, en ook onder de meeningen, die wij
niet als met zekerheid juist durfden aannemen, waren er niet weinige
die ons in ieder geval vermelding waard schenen. Bovendien is het
geografisch gedeelte in vele gevallen uitgebreid door uitvoeriger
aanwijzingen, om het zoeken op de kaart gemakkelijker te maken, en
met hetzelfde doel is een aantal minder bekende plaatsen opgenomen,
die in de eerste uitgave niet vermeld waren.
Andere wijzigingen dienen tot het verbeteren van onjuistheden, bij het
gebruik opgemerkt, of danken hun ontstaan aan opmerkingen van anderen,
die wij ons dankbaar hebben trachten ten nutte te maken. Zoo is het
art. acies, dat in den eersten druk weggelaten was, nu wèl opgenomen,
de leges agrariae tot één art. vereenigd, enz. Het een en ander,
waarbij nog komt de toevoeging van een aantal nieuwe afbeeldingen,
heeft de uitbreiding van het werk met een viertal vellen druks ten
gevolge gehad.
Lange klinkers zijn alleen in de voorlaatste lettergreep van meer-
dan tweelettergrepige woorden van een teeken voorzien, korte op enkele
bizondere gevallen na in het geheel niet; dit scheen ons voldoende
om de juiste uitspraak, vooral van eigennamen, aan te geven.
Wat hierboven over het volgen van de latijnsche spelling gezegd is,
bracht onzes inziens mede dat geen trema geplaatst werd op een klinker,
die met den voorgaanden klinker in het Latijn geen tweeklank kan
vormen, dus niet meer Nausicaä, Antinoüs e. dgl. Eu moet in grieksche
eigennamen als een tweeklank gelezen worden, behalve natuurlijk
wanneer het tegendeel blijkt, in latijnsche woorden niet; zoo zijn
bijv. Erechtheus, Creusa en balneum, alle van drie lettergrepen.
Mogen de aangebrachte veranderingen blijken verbeteringen te zijn!
Tiel, September 1910. Z. C. de B.
C. G. Th. W. K.
VOORBERICHT VOOR DEN DERDEN DRUK.
Terwijl er tusschen het verschijnen van den eersten en den tweeden
druk twintig jaren verloopen zijn, volgt deze derde druk reeds na ruim
negen jaren. Het spreekt dan ook bijna van zelf, dat deze druk veel
minder afwijkt van den vorigen, dan de tweede van den eersten, daar
in de laatste vijf jaren het wetenschappelijk onderzoek vrij wel stil
gestaan heeft. Wegens het overlijden van mijn betreurden ambtgenoot
Dr. Z. C. de Boer, heb ik ook het Grieksche gedeelte van het werk
op mij genomen. Zijn werk echter bleek bij nauwkeurig onderzoek zoo
verdienstelijk in elkaar te zitten, dat in dat gedeelte slechts weinig
veranderingen, voornamelijk op het gebied der literatuurgeschiedenis,
behoefden aangebracht te worden. Waar dit niet het geval was,
heb ik bij de belangrijkste Grieksche schrijvers de voornaamste
werken opgesomd, met bijvoeging zoo mogelijk van het jaar van
verschijning. Verder heb ik nieuw opgenomen al wat de praktijk van
het lesgeven mij als leemte had doen gevoelen: het werk behoort in
hoofdzaak voor schoolgebruik bestemd te blijven, al maken ook, naar
mij gebleken is, vele studenten en jongere collega's er gebruik van.
Van nieuwigheden noem ik behalve taxis, dat de vorige maal uitgevallen
was, o. a. eranos, agones en ludi; verder woorden als koine,
Hellenismus, proselytoi; ook een klein artikel over Paulus--de
Romeinsch-Grieksche cultuur der 1ste eeuw n. C. is zonder hem
niet te begrijpen--en in verband hiermede, eene bijvoeging onder
Galatia.--Verder heb ik de voornaamste Attische vazenschilders en
fabrikanten opgenomen; ze komen zoo vaak bij het onderwijs te pas, dat
een aanwijzing van den tijd, waarin ze thuis hooren, niet ongewenscht
leek. Van één dezer kunstenaars, Brygus, wist ik het accent niet--de
naam schijnt later niet meer voor te komen, en in zijn dagen schreef
men geen accenten; ik heb er dus maar wat van gemaakt.
Nieuwe houtgravures zijn ditmaal niet opgenomen, ééne, afschuwelijke,
Equuleus, die bovendien onjuist was, heb ik weggelaten.
Ten slotte is het mij een behoefte dank te zeggen aan de Bestuurders
der Buma- en der Leidsche Bibliotheek, zonder wier liberaliteit
in het uitleenen een dergelijk werk moeilijk had kunnen tot stand
gebracht worden.
Moge het werk ook ditmaal zijn weg vinden.
Tiel, Maart 1920. C. G. Th. W. K.
VERKORTINGEN IN DEN TEKST.
v. s. = volgens sommigen.
v. a. = volgens anderen.
e. a. = en andere(n).
e. e. = en elders.
d. Gr. = de Groote.
rom., Rom. = romeinsch, Romeinen.
Waar niet bepaald het tegendeel blijkt, zijn de jaren gerekend vóór C.
A.
Abacus, abax, abakion, 1) Soort van rekenbord of telraam.--2)
Vierkant bord, met zand bestrooid, voor het teekenen van wiskunstige
figuren.--3) Soort van speeltafel of speelbord.--4) Pronktafel of
buffet, meest vierkant, zelden rond, meestal zeer kostbaar van blad
en pooten. Men bezigde hiertoe marmer, soms ook zilver, of wel zeer
kostbare houtsoorten.--5) Marmeren paneelplaat aan de muren, ook wel
de bonte vakken in een vloer van mozaïekwerk.--6) Dekplaat eener zuil
(zie Columna).
Abae, Abai, zeer oude stad der Abanten in Phocis, op de grenzen van
Boeotië, met een tempel en een orakel van Apollo.
Abalus, een Noordzee-eiland, waar veel barnsteen gewonnen werd,
waarschijnlijk Burchana (Borkum), zie verder Glaesariae insulae.
Abantes, Abantes, oud-grieksche volksstam, de oudste bewoners van
Euboea. Nog vroeger hadden zij in Phocis gewoond en daar de stad
Abae gesticht.
Abantiades, Abantiades, Acrisius, Perseus, e. a. afstammelingen
van Abas.
Abantias, Abantias, -tis, 1) vrouwelijke afstammeling van Abas,
bijv. Danaë.--2) Euboea, oude woonplaats der Abanten.
Abaris, Abaris, priester van Apollo bij de Hyperboreërs of Scythen,
van wien vele wonderen verteld worden, bijv. dat hij van Apollo
een gouden pijl had gekregen, waarop hij door de lucht reed, dat
hij zonder voedsel leefde, de toekomst voorspelde, ziekten genas,
enz. Hij leefde v. s. in de 8ste, v. a. in de 6de eeuw.
Abas, Abas, 1) zoon van Lynceus en Hypermnestra, koning van Argos. Hij
was in het bezit van het schild van zijn grootvader, Danaüs, waarvan
het gezicht een oproerig volk tot bedaren kon brengen. V. s. is
hij de stichter van Abae, v. a. is dit een naamgenoot van hem, zoon
van Poseidon en Arethusa. Hij was de vader van Acrisius.--2) zoon
van Metanira, die Demeter bespotte, toen zij met gretigheid dronk,
en daarom door de godin in een hagedis werd veranderd.
Abdalonymus, afstammeling van de oude koningen van Sidon, die in
groote armoede leefde, totdat Alexander hem in de waardigheid zijner
voorouders herstelde en zijn gebied zelfs vergrootte.
Abdera, ta Abdera, stad op de thracische kust aan den mond van
den Nestus, eene volkplanting van Clazomenae, doch vervolgens
door de Thraciërs verwoest (653), en ruim een eeuw later (545)
door inwoners van Teos, die zich niet aan Cyrus onderwerpen wilden,
weder opgebouwd en bevolkt. Abdera had in de perzische oorlogen zware
offers aan de legermacht van Xerxes te brengen, doch kwam daarna,
als lid van den delisch-attischen bond, tot grooten bloei. In de 4de
eeuw verloor de stad haar beteekenis tengevolge van een ongelukkigen
strijd tegen de Triballers, een thracischen stam aan de Donau, die in
376 plunderend het eigenlijke Thracië binnenviel, en de Abderieten
versloeg. In den oorlog der Romeinen tegen Perseus werd Abdera door
den praetor L. Hortensius stormenderhand ingenomen en geplunderd
(170), en werden de inwoners omgebracht of als slaven verkocht, omdat
zij aan de hebzucht van den romeinschen veldheer niet spoedig genoeg
voldeden. De rom. senaat schonk hun de vrijheid terug en verklaarde
Hortensius' handeling voor onbillijk. In den lateren tijd hadden de
Abderieten den naam van stompzinnig te zijn en allerlei dwaasheden te
doen. De wijsgeeren Democritus en Protagoras en de geschiedschrijver
Hecataeus waren te Abdera geboren.
Abderus, Abderos, een gunsteling van Heracles, die door de paarden
van Diomedes (z. a. no. 1) verscheurd werd. Te zijner nagedachtenis
bouwde Heracles de stad Abdera.
Abella of Avella, stad in Campania in de bergen ten O. van Nola,
met beroemde ooftteelt, vandaar malifera genoemd.
Abellinum, stad op de grenzen van Campania en Samnium, t. O. van
Abella.
Abelux, Abilyx, een voorname Spanjaard, die de spaansche gijzelaars,
door Hannibal te Saguntum opgesloten, aan de twee Scipio's in 217 in
handen speelde. Zie Bostar.
Abia, Abia, stad in Messenia aan de oostzijde van de messenische golf.
Abii, Abioi, scythisch nomadenvolk, volgens Homerus een van de
rechtvaardigste volken. Ook in den tijd van Alexander d. G. worden
zij genoemd.
Abila, ta Abila, stad in Coele-Syria, ten N. W. van Damascus.
Abisares, Abisares, indisch vorst, die zich aanvankelijk vijandig
tegen Alexander gedroeg, en zich later met Porus tegen hem wilde
vereenigen. Hij onderwierp zich echter tijdig, waarvoor Alexander
hem de regeering liet en zelfs zijn gebied vergrootte.
Abnoba mons, later Marciana Silva, het tegenwoordige Schwarzwald.
Abobrica, stad in Hispania Tarraconensis, in Gallaecia, aan de
Westkust, ten N. van den Minius (Minho), tgw. Bayona.
Abolla, een mantel van dubbel linnen, oorspronkelijk een
soldatenmantel. In den keizertijd was deze dracht vrij algemeen. Dat
de abolla destijds nauwsluitend was, bewijst een epigram van Martialis
de abolla Crispini, waarin hij den dieven aanraadt, liever eene toga
om te slaan. Abolla maior was een wijdere mantel, waarin de grieksche
wijsgeeren, vooral de cynische, zich plachten te wikkelen.
Abonitichos, Abonou teichos, stad in Paphlagonia, ten O. van Sinope,
met het orakel van den door Lucianus gehekelden leugenprofeet
Alexander.
Aborigines, doch gr. aborigines, een oud-italische volksstam.
Absis, hapsis, ion. apsis, -idos, halfrond uiteinde eener overigens
rechthoekige zaal, vooral bij basilicae en aan romeinsche tempels
van den keizertijd voorkomende.
Absyrtides insulae, twee eilandjes aan de illyrische kust, waarvan
het grootste later Apsorus, Apsoros, heette.
Absyrtus = Apsyrtus.
Abulites, Aboulites, satraap van Susiana onder Darius Codomannus. Hij
onderwierp zich vrijwillig aan Alexander (331) en behield daarom
zijn satrapie; maar daar hij zich gedurende Alexanders tocht naar
Indië aan plichtverzuim schuldig maakte, werd hij met zijn zoon ter
dood gebracht.
Abus, Abos, 1) rivier aan de Oostkust van Britannia, misschien de
Humber.--2) berg in Armenia, tgw. Ararat of Arghatagh, met de bronnen
van den Euphraat.
Abydus, Abydos, 1) stad aan den Hellespont op de aziatische kust,
tegenover Sestus, kolonie van Miletus. Te Sestus woonde Hero, te
Abydus Leander. Hier hield Xerxes zijne legertelling. Spreekwoord:
ne temere Abydum (sc. eas), omdat de stad wegens hare zedeloosheid
berucht was.--2) stad in Boven-Aegypte, ten noorden van Thebae, beroemd
door het graf en een tempel van Osiris, alsmede door het nabijgelegen
Memnonium. De tabula Abydena is eene onder de puinhoopen der stad
gevonden geslachtslijst van de koningen der 18de dynastie. Later,
in 1864, is er nog een tweede geslachtslijst gevonden, die veel
belangrijker is.
Abyla, Abile, kaap in Afrika aan den ingang der middellandsche zee
(tgw. Ceuta), met den tegenoverliggenden berg Calpe de zuilen van
Hercules genoemd.
Academia, Akademeia, 1) wandelplaats en worstelperk aan den Cephisus
bij Athene, waar door Plato en zijn opvolgers (Academici, Akademikoi,
hoi apo tes Akademeias) onderwijs gegeven werd. Cimon had aan de
verfraaiing der Ac. veel ten koste gelegd. De naam wordt afgeleid
van den heros Academus.--2) villa van Cicero hij Puteoli, zoo genoemd
naar de Academica, die hij daar schreef.
Acamantis, Akamantis, een van de 10 phylae, waarin de bevolking van
Attica door Clisthenes verdeeld werd.
Acamas, Akamas, 1) zoon van Theseus en Phaedra, die met Diomedes als
gezant naar Troje gezonden werd om Helena terug te vragen. Later
nam hij deel aan den tocht tegen Troje en was hij een van hen,
die met het houten paard in de stad kwamen. Bij de verovering vond
hij zijne grootmoeder Aethra en bracht haar naar Athene terug, waar
hij later de heerschappij in handen kreeg. Hij stierf op Cyprus,
waarheen hij een atheensche kolonie geleid had.--2) zoon van Antenor,
een van de dapperste Trojanen.--3) zoon van Eüssorus, aanvoerder van
de thracische hulptroepen der Trojanen.--4) een Cycloop.
Acanthus, akanthos, bereklauw, een plant die in het zuiden zeer veel
in het wild voorkomt. Haar bladeren hebben tot voorbeeld gediend voor
het kapiteel der Corinthische zuil, zie Columna.
Acanthus, Akanthos, stad op Chalcidice, aan de noordzijde van de
doorvaart, die Xerxes voor zijne vloot liet graven.
Acarnan, Akarnan, zoon van Alcmaeon en Callirrhoë; hij en zijn broeder
Amphoterus waren nog zeer jong toen hun vader vermoord werd, maar op
het gebed van hun moeder liet Zeus hen buitengewoon snel tot mannen
opgroeien. Daarop doodden zij de moordenaars van Alcmaeon (z. Phegeus)
en vluchtten zij uit Arcadië naar Epirus, waarvan zij later een deel
onder den naam van Acarnania beheerschten.
Acarnania, Akarnania, het meest westelijke landschap van eigenlijk
Hellas (zoogen. Midden-Griekenland), in den mythischen tijd bewoond
door allerlei stammen: Taphiërs, Teleboeërs, Lelegers, Cureten,
later aan de kusten door Corinthiërs bevolkt. Voor de geschiedenis
heeft Ac. geen belang. De Acarnaniërs waren een ruw, kloek volk,
berucht om hunne rooftochten te land en ter zee.
Acastus, Akastos, 1) zoon van Pelias, nam deel aan de jacht op het
calydonische zwijn en aan den tocht der Argonauten. Bij de spelen,
die hij gaf ter gelegenheid van de begrafenis zijns vaders, zag zijne
gemalin Hippolyte of Astydamea voor het eerst Peleus en werd op hem
verliefd, doch daar hare liefde onbeantwoord bleef, beschuldigde zij
hem bij haar echtgenoot, dat hij haar had willen verleiden. Hierover
vertoornd nam Ac. Peleus mede naar een jachtpartij op den Pelion,
en toen P. vermoeid was ingeslapen, liet hij dezen alleen achter,
na hem zijn zwaard te hebben ontnomen, in de meening, dat hij dus
moest omkomen. En inderdaad werd hij door de Centauren aangevallen;
hij werd echter door Hermes (v. a. Hephaestus of Chiron) gered, trok
naar Iolcus en doodde Ac. en zijne gemalin.--2) koning van Dulichium.
Acatus, Acatium, akatos, akation, 1) klein en snelzeilend schip, als
passagiers- en transportschip en vooral bij zeeroovers in gebruik; de
achtersteven was binnenwaarts gekromd, de voorsteven van een snebbe
voorzien. Ook de boot van Charon (z. a.) heette akatos.--2) de 2de
mast op een schip.--3) een soort drinkschaal in den vorm van een boot.
Acca Larentia of Larentina, volgens de sage de vrouw van den herder
Faustulus en de voedster en pleegmoeder van Romulus en Remus;
oorspronkelijk eene godin, aan wie op de Larentalia (z. a.) geofferd
werd.
Accensus. 1) Oorspronkelijk hadden niet beide consuls te Rome
gelijktijdig lictores cum fascibus et securibus. Degene, die ze niet
had, liet zich dan voorafgaan door een accensus of ordonnans. Later
echter werd het gebruikelijk, dat de magistratus cum imperio behalve
hun lictoren toch nog een accensus hadden. Tusschen de accensi en de
overige apparitores of dienaren der magistraten is dit onderscheid,
dat de accensus niet in vasten staatsdienst was, maar door den
ambtenaar persoonlijk in dienst genomen werd, en bij diens aftreden
ook ophield accensus te zijn. De accensi werden vooral gebruikt tot
het doen van dagvaardingen. Meestal waren het vrijgelatenen.--2) Bij
de legerorganisatie van Servius Tullius waren accensi eene reserve,
die een afzonderlijke centuria vormde, en evenals de twee centuriae
fabrum en de twee centuriae tubicinum et cornicinum, buiten de
classes stond. Zij vochten als ongeregelde troepen, niet in linie,
maar tirailleursgewijze, en deden dikwerf dienst als steenwerpers. Ook
namen zij in den strijd de plaats der gesneuvelden in de slaglinie in
en streden dan met de wapenen van hen, die zij vervingen. Velati heeten
zij in tegenstelling met de eigenlijke soldaten, die sagati (= met
een krijgsmantel bekleed) zijn. Ze hebben dus gewone burgerkleeding en
zijn ongewapend. Uit deze accensi werden oorspronkelijk de burgerlijke
accensi gekozen.
Accius, romeinsch treurspeldichter, z. Attius no. 6.
Ace, Ake, beroemde vesting in Phoenice, door Ptolemaeus I verfraaid
en in Ptolemaïs verdoopt, in de geschiedenis der kruistochten bekend
als St. Jean d'Acre.
Acerra, 1) een doos of kistje tot het bewaren van wierook.--2) een
klein, draagbaar altaar, waarop wierook gebrand werd bij een lijk.
Acerrae, stad in Campania, door Hannibal verwoest, later herbouwd.
Aceruntia, stadje op de grens van Apulia en Lucania, op den berg
Vultur gelegen, tgw. Acerenza.
Acesines, Akesines, 1) rivier op de oostkust van Sicilië, ten Noorden
van den Aetna.--2) rivier in Pendschab, die den Hydaspes opneemt,
en zelf in den Indus uitstroomt.
Acestes, Aegestes, Egestes, Akestes, Aigestes, zoon van een Trojaan of
van den riviergod Crimisus en Segesta of Egesta. Hij was op Sicilië
geboren, waar hij zich na afloop van den trojaanschen oorlog ging
vestigen. De stad Segesta of Egesta was door hem gesticht of naar
hem genoemd. Aeneas werd bij zijn komst op Sicilië gastvrij door
hem ontvangen.
Acetabulum, kleine rom. inhoudsmaat = 0.067 liter. Eigenlijk beteekent
het woord in de eerste plaats een azijnfleschje, ook wordt het gebezigd
van een beker voor goocheltoeren.
Achaei, Achivi, Achaioi, een van de hoofdstammen der Grieken
(z. Hellenes). Uit Thessalia gekomen, vermeesterden zij de
Peloponnesus, met uitzondering van Arcadia en Ionia en bovendien een
deel van Creta. Bij Homerus en in navolging van hem ook bij latere
gr. en rom. dichters worden de gezamenlijke Grieken voor Troje meestal
Ach. genoemd. Toen de Doriërs de Peloponnesus binnendrongen, werden de
Achaeërs voor een gedeelte onderworpen, een gedeelte echter verdreef
de Ioniërs en gaf aan Ionia den haam Achaia.
Achaeisch verbond. De twaalf democratisch bestuurde steden van
Achaia vormden van oudsher een verbond, dat echter alleen bij
gemeenschappelijke offers als zoodanig optrad. Dit verbond viel onder
Alexander d. Gr. uiteen, doch omstreeks 280 sloten de ach. steden,
in dien tijd tien in getal, zich opnieuw bij elkander aan. Van toen
af werden geregeld jaarlijks minstens twee gewone bondsvergaderingen
gehouden, terwijl in bizondere gevallen een algemeene vergadering
bijeengeroepen werd, waaraan ieder burger boven 30 jaar kon deelnemen,
terwijl het bestuur aan twee strategen (sedert 256 slechts één), een
grammateus, en tien damiurgi was opgedragen. Door de bekwaamheid zijner
strategen (Aratus, Philopoemen) kreeg het verbond weldra groote macht
en kon het ook buiten Achaia verschillende peloponnesische staten tot
bondgenooten maken of aan zich onderwerpen (Sicyon 249, Corinthe 242);
zelfs Sparta werd in 188 veroverd. Doch dit streven naar de hegemonie
in de Peloponnesus, vooral door het aetolisch verbond tegengewerkt,
bracht het verbond soms in groote moeilijkheden en daardoor werd
weldra het oorspronkelijke doel, handhaving der grieksche vrijheid
tegenover Macedonië, uit het oog verloren; in 223 zag Aratus zich
zelfs genoodzaakt de hulp van den macedonischen koning tegen Sparta
in te roepen. Sedert dien tijd was het verbond steeds min of meer
afhankelijk van Macedonië, en had het zijn behoud alleen te danken
aan de twisten met Rome, waarin dit rijk weldra geraakte. Toen na
den slag bij Cynoscephalae (197) het verbond tot de romeinsche zijde
overging, steeg zijne macht weldra ten top; maar toen in 148 Macedonië
een romeinsche provincie geworden was, bestond er voor de Romeinen geen
reden meer het te sparen, en in het volgende jaar werd, naar aanleiding
van een geschil met Sparta, de eisch gedaan, dat de voornaamste steden
van het verbond losgemaakt en autonoom gelaten zouden worden. Dit deed
het verbitterde volk naar de wapenen grijpen; maar in 146 werden zij
eerst onder aanvoering van Critolaus door Metellus (z. Caecilii no. 6)
bij Scarphe, en daarna onder aanvoering van Diaeus bij Leucopetra op
den Isthmus door L. Mummius verslagen, waarop het verbond door den
senaat opgeheven en Griekenland onder den naam Achaia een romeinsche
provincie werd. Corinthe werd door Mummius gesloopt.
Achaemenes, Achaimenes, 1) stamvader van het eerste perzische
koningsgeslacht, de Achaemeniden.--2) vorst van Persis onder Phraortes
(omstreeks 640).--3) broeder van Xerxes en stadhouder van Aegypte,
werd bij den opstand van Inarus tegen Artaxerxes gedood (462).
Achaeus, Achaios, 1) zoon van Xuthus en Creusa, mythisch stamvader
der Achaeërs. In Aegialus geboren, keerde hij later naar Thessalië
terug, van waar zijn vader verdreven was, en kwam daar na den
dood van zijn oom Aeolus aan de regeering.--2) treurspeldichter,
te Eretria geboren, jongere tijdgenoot van Sophocles, maker van 24
(of 44) treurspelen, waarvan slechts één den prijs behaalde. Hij werd
in den alexandrijnschen canon als eerste na de drie groote tragici
opgenomen.--3) stadhouder van koning Antiochus III, heroverde de aan
Attalus verloren deelen van het syrische rijk, doch toen hij zich
in Kl.-Azië onafhankelijk wilde maken, werd hij te Sardes gevangen
genomen en gedood (214).
Achaia, Achaïa, 1) landschap langs de noordkust van de Peloponnesus,
in ouden tijd Aigialos, kustland, geheeten. Voordat het land door
de Achaeërs (z. a.) veroverd werd, was het door Ioniërs bewoond,
die zich nu genoodzaakt zagen uit te wijken en deels naar Attica,
deels naar de aziatische kust trokken. Het land was arm aan havens. In
den omtrek van de stad Patrae bloeide de teelt van den byssusstruik,
weshalve men er vele weverijen aantrof.--2) stamland der Achaeërs,
in het zuiden van Thessalia, gewl. ter onderscheiding van no. 1 Achaïa
Phthiotis genoemd.--3) naam van Griekenland (Peloponnesus en Hellas)
als rom. provincie, sedert 146, na de verwoesting van Corinthus door
den rom. veldheer L. Mummius.
Acharnae, hai Acharnai, ook Acharne, Acharne, vlek in Attica, op drie
uur afstands ten noorden van Athenae gelegen. De bevolking leefde
van wijn- en olijventeelt en vooral van kolenbranderijen. Het was een
krachtig, doch ruw slag van menschen. Een der stukken van Aristophanes
is Acharnes getiteld.
Achates, Achates, 1) de trouwe makker van Aeneas, fidus Achates.--2)
riviertje op de zuidkust van Sicilia, waarnaar de achaatsteen
genoemd is.
Acheloïades, Acheloides, de Sirenen, dochters van Achelous;
alg. riviernimfen.
Achelous, Acheloos, 1) nu Aspropotamo, de grootste rivier van
Griekenland, ontspringt op den Pindus, loopt met snellen stroom
zuidwaarts, scheidt Acarnania en Aetolia, en stort zich tegenover
de Echinadische eil. in zee.--2) de god van bovengenoemde rivier,
de oudste der 3000 rivieren, zonen van Oceanus en Thetys, v. a. zoon
van Helius en Gaea, en vorst aller rivieren; vandaar wordt de naam
Ach. soms voor water, Acheloia pocula voor drinkwater gebruikt. Hij
vocht met Heracles om het bezit van Deianira; bij dit gevecht maakte
hij gebruik van zijn vermogen om zich in een slang of in een stier
te veranderen, maar in alle drie gedaanten moest hij het onderspit
delven; zelfs verloor hij als stier een horen, die, door de Najaden met
bloemen en vruchten gevuld, de hoorn van overvloed werd. V. a. behield
Heracles den horen, totdat Ach. dien van Amalthea er voor in ruil
gaf. Hij was de vader der Sirenen en van Dirce.
Acheron, Acheron, rivier in Epirus, die voor een gedeelte onder den
grond en dan volgens de meening der ouden rondom de onderwereld stroomt
en over welke Charon de zielen der afgestorvenen voerde. Hij stroomt
door de Acherusia palus. Een zijrivier hiervan was de Cocytus (z. a.).
Acheruntici libri, godsdienstige boeken, afkomstig van een etrurischen
god of koning Tages, en handelende over de uitvaart en vereering
der afgestorvenen.
Acherusia, sc. palus, he Acherousia limne, meer in Epirus, waardoor de
Acheron stroomde. Ook andere meren en diepten, welke men meende dat
met de onderwereld gemeenschap hadden, komen onder dezen naam voor,
zoo o.a. ten zuiden van Cumae in Campanië (tgw. Lago del Fusaro), wel
te onderscheiden van het lacus Avernus, dat ten oosten van Cumae ligt.
Achillas, Achillas, voogd van Ptolemaeus XII, de moordenaar van
Pompeius. Bij de onlusten, die kort daarna ia Alexandrië ontstonden,
streed hij niet zonder geluk tegen Caesar, maar spoedig ruimden zijne
tegenstanders hem door sluipmoord uit den weg.
Achilles, Achil(l)eus, zoon van Peleus en Thetis, de dapperste,
schoonste, vlugste, in het algemeen de voortreffelijkste aller
grieksche helden voor Troje. Door zijne moeder werd hij zorgvuldig
opgevoed, zelfs poogde zij hem onsterfelijk te maken en tot dat
einde zalfde zij hem bij dag met ambrosia, terwijl zij hem bij
nacht in het vuur legde, maar toen eens zijn vader hem zoo vond en
hem uit de vlammen wilde redden, moest zij hare pogingen opgeven;
zij verliet haar echtgenoot en keerde naar de zee terug. Daarna werd
hij door Phoenix in de welsprekendheid en krijgskunde, door Chiron
in de geneeskunde onderwezen en was hij met Patroclus reeds als kind
bevriend. Van zijne moeder wist Ach. dat hem een lang en roemloos
of een kort en roemvol leven beschoren was; hij koos het laatste en
nam dan ook gaarne deel aan den tocht tegen Troje, waartoe Nestor
en Odysseus hem kwamen uitnoodigen. V. a. had zijne moeder hem van
den tocht willen terughouden, daar zij voorzag dat hij daarbij zoude
omkomen; toen dus voorspeld was dat Troje zonder hem niet kon worden
ingenomen, en Odysseus uitgezonden werd om hem te halen, zond zij
hem naar Scyrus, waar hij in vrouwenkleeren te midden van de dochters
van koning Lycomedes verborgen gehouden werd. Maar Odysseus vond hem
ook hier en herkende hem door list; hij kwam namelijk als koopman
verkleed en liet voor de meisjes allerlei sieraden uitstallen,
maar daarnevens ook wapenen; terwijl zij nu bezig waren dit alles
te bezien, hoorde men plotseling schreeuwen en vechten, waarop de
meisjes verschrikt vluchtten, maar Ach. de wapenen greep om zich te
verdedigen. Voor Troje verrichtte hij onder bescherming van Hera
en Athena groote heldendaden; hij verwoestte 12 steden ter zee en
11 te land. In het tiende jaar van den oorlog echter trok hij zich,
door Agamemnon beleedigd (z. Briseis), terug en Thetis wist van Zeus
te verkrijgen dat de krijgskans den Trojanen gunstig zou zijn, totdat
aan Ach. voldoening gegeven zou zijn. Deze wijst, hoe hoog de nood ook
bij de Grieken stijgt, ieder aanbod tot verzoening af; eerst toen de
Trojanen in het leger gedrongen waren en begonnen waren de schepen in
brand te steken, gaf hij gehoor aan de beden van Patroclus en stond
hij toe dat deze zich aan het hoofd van de Myrmidonen in het gevecht
mengde. Om den Trojanen schrik aan te jagen bekleedt Patroclus zich
met de wapenrusting van Ach., maar hij wordt door Hector gedood en
de wapenrusting valt in de handen der vijanden. Verdriet over het
verlies van zijn vriend en de zucht om daarover wraak te nemen,
bewegen Ach. nu zich met Agamemnon te verzoenen, en van dezen tijd
af neemt hij weer deel aan den strijd. Reeds den eersten dag daarna
wordt een hevig gevecht geleverd, waaraan verscheiden goden deelnemen,
en waarin Hector door Ach. gedood wordt. Niet lang daarna werd ook
Ach. door Paris en Apollo gedood, hetzij in een gevecht, hetzij
in een tempel van Apollo, waar hij gekomen was om met Polyxena, de
dochter van Priamus, te trouwen; hij werd door het geheele leger,
door zijne moeder, de muzen en de zeenimfen 17 dagen lang beweend;
aan het strand van den Hellespont werd een grafteeken opgericht,
waarin zijne beenderen met die van Patroclus en Antilochus begraven
werden. Latere dichters verhaalden nog, dat Thetis, om Ach. onkwetsbaar
te maken, hem in den Styx doopte en dat dit het gewenschte gevolg
had voor het geheele lichaam met uitzondering van den hiel, waaraan
zij hem had vastgehouden en waaraan hij ook later doodelijk gewond
werd. Ach. werd op vele plaatsen van Griekenland als halfgod vereerd,
het eiland Leuce was hem geheel gewijd, en naar men meende, was
hij daar gehuwd met Helena en leidde hij er een gelukzalig leven in
gezelschap van andere helden en heldinnen.
Achilles Tatius, Achilleus Tatios, geb. te Alexandrië, schreef
vóór het begin van de 4de eeuw n. C. den roman ta kata Leukippen
kai Kleitophonta.
Achilleum, Achilleion, 1) stadje bij kaap Sigeum in Troas, met den
grafheuvel van Achilles.--2) stadje bij Smyrna.
Achilleus dromos, Achilleios dromos, landtong aan den N-kant van de
Zwarte zee, ten N.W. van
Achillis insula of Leuce, eiland aan den mond van den Borysthenes. Men
nam aan, dat hier de verblijfplaats van Achilles en andere helden na
hun dood was.
Achillides, Achilleides, Neoptolemus (Pyrrhus), zoon van Achilles.
Achivi, Achaioi, z. Achaei.
Achradina, Achradine, een der vijf deelen, waaruit de stad Syracusae
bestond.
Acidalia mater, Venus, zoo genoemd naar de bron Acidalia bij Orchomenus
in Boeotië, waar zij en de Gratiën zich plachten te baden.
Acies, Taxis, slagorde, opstelling van het leger voor den slag. 1)
Bij de Grieken, zie Taxis.--2) Bij de Romeinen moet men voor de
opstelling drie perioden onderscheiden; voor de oudste periode
tot op den tijd van Camillus zie men Centuria. Het leger werd
toen in ééne aaneengeschakelde (grieksche) phalanx opgesteld,
waarvan de kern gevormd werd door de zwaargewapende burgers van de
drie eerste klassen der serviaansche indeeling; achter hen waren
de lichtgewapenden opgesteld, terwijl de ruiterij op de flanken
stond. Deze slagorde was in de gevechten met de Galliërs ondoelmatig
gebleken, en vervangen door een indeeling in manipels, waarvan
de artikelen centuria, cohors, hastati en legio een voorstelling
geven. Elk legioen werd in drie liniën in slagorde geschaard; vooraan
stonden de manipels der hastati, dan die der principes, eindelijk die
der triarii. Tusschen de verschillende manipels werd eenige ruimte
gelaten, zoodat ieder manipel op zichzelf een geheel vormde, terwijl
zij zich zoo noodig elk oogenblik konden aaneensluiten; hierdoor
kreeg het leger een groote gemakkelijkheid van beweging. In den slag
stonden meestal de beide legioenen in het centrum, de socii en de
ruiters op de flanken. Oudtijds stond het leger in ééne lange lijn
(fronte longa). Later vindt men o.a. de acies obliqua, waarbij een
deel van het leger aanvalt en het andere voorloopig buiten gevecht
blijft, de acies sinuata, wanneer de vleugels den aanval beginnen
en het centrum achterblijft; zie ook cuneus en forceps. De oorlogen
met de Cimbren en Teutonen gaven Marius aanleiding, deze indeeling
te vervangen door eene in cohorten, waarbij telkens één manipel der
hastati, principes en triarii tot eene cohors van 600 man vereenigd
werd; tien cohorten vormden eene legio; zie verder cohors. De
Romeinsche ruiterij werd nu afgeschaft; zij komt het laatst voor
in den oorlog tegen Jugurtha.--Onder Caesar telde het legioen 3000
à 3600 man, ingedeeld in 10 cohorten van 3 manipels, ieder van twee
centuriae. Gewoonlijk was de slagorde de acies triplex. Vier cohorten
van ieder legioen vormden de prima acies, drie de secunda acies, en
drie de tertia acies. Vóór Camillus is dus de taktische eenheid de
centuria, in den tijd van Polybius de manipulus, na Marius de cohors.
Acilia (lex) de repetundis van 122, van den volkstribuun M'. Acilius
Glabrio, den vader van den bij de gens Acilia onder no. 3 genoemden
consul. Omtrent den inhoud dezer wet is weinig zekers bekend. Slechts
weten we, dat bij de quaestiones perpetuae door deze wet de
verplichting werd opgelegd tot ampliatio (z.a.), zoodra meer dan 1/3
der rechters N. L. (non liquet) stemde, en dat hieruit langzamerhand
de comperendinatio (z. a.) ontstaan is. Zie verder Servilia (lex).
Acilia Calpurnia (rogatio), de ambitu van de consuls M'. Acilius
Glabrio en C. Calpurnius Piso (67). Zie Calpurnia (lex) de ambitu. Daar
M'. Acilius Glabrio zich vóór de aanneming der wet teruggetrokken had,
wordt de wet alleen naar den tweeden voorsteller genoemd.
Acilii, plebejisch geslacht, waartoe familia Glabrionum behoorde. Dit
was de beroemdste familie dezer gens, waartoe ook nog de familiën
der Aviolae en Balbi behoorden. 1) M'. Acilius Balbus, consul
150.--2) M'. Acilius Glabrio, consul 191, versloeg den syrischen
koning Antiochus III bij de Thermopylae en verdreef hem uit
Griekenland. Vervolgens wendde hij zich tegen de Aetoliërs, die zich
bij Antiochus hadden aangesloten, overwon hen en hield over hen te
Rome een zegetocht. In den slag bij de Thermopylae had hij een tempel
aan de Pietas beloofd, die in 181 door zijn zoon M'. Acilius Glabrio
gewijd werd, waarbij deze voor zijn vader een standbeeld oprichtte, het
eerste vergulde standbeeld in Italia.--3) M'. Acilius Glabrio was in 70
als praetor repetundarum voorzitter van het gerechtshof in het proces
van Cicero tegen Verres. In 67 was hij consul met C. Calpurnius Piso,
met wien hij de lex Acilia Calpurnia de ambitu voorstelde (z. a.). Hij
bestreed in dit jaar, doch vergeefs, het wetsvoorstel van Gabinius,
om aan Pompeius de uitroeiing der zeerooverij op te dragen. Daarop
ging hij naar de provincie Bithynia, met de bestemming Lucullus in het
opperbevel in den mithradatischen oorlog op te volgen. Hij verrichtte
echter niets en werd door de komst van Pompeius spoedig van zijne taak
ontheven. Zijn zoon M'. Acilius Glabrio komt als legaat van Caesar
voor, en werd tweemaal in eene res capitalis door Cicero verdedigd.--4)
Livius maakt melding van een annalist C. Acilius die in het Grieksch
annales schreef, welke althans tot het jaar 184 liepen.
Acinaces, akinakes, korte, rechte dolk, die door Perzen e. a. barbaren
aan de rechterzijde gedragen werd, dikwijls met goud en edelgesteenten
bezet.
Acis, Akis, zoon van Faunus en Symaethis. Hij beminde Galatea en
werd door haar bemind; toen zijn medeminnaar Polyphemus hen eens
met elkander verraste, vluchtte A.; maar Polyphemus wierp naar hem
met een rotsblok, dat hij van den Aetna had afgebroken en waardoor
A. verpletterd werd; zijn bloed veranderde in een rivier, Acis genaamd,
die onder dit rotsblok ontspringt.
Aclys (aclis), een korte werpspies, met uitstekende, scherpe punten,
waaraan een riem bevestigd was om de spies na den worp weer naar zich
toe te trekken, een zeer ouderwetsch wapen van de oude bewoners van
Campania (de Osci).
Acmonia, Akmonia, stad in Phrygia ten Z. van het gebergte Dindymus.
Acmonides, Akmonides, naam van een Cycloop.
Acoetes, Akoites, zoon van een maeonisch visscher. Toen eens de
matrozen van het schip waarop hij stuurman was, op Chius aan land
gegaan waren, brachten zij aan boord een schoonen knaap, dien zij
slapend gevonden hadden en als slaaf wilden wegvoeren. Ac. die in den
knaap een god herkende, verzette zich daartegen, maar te vergeefs,
de matrozen ontnamen hem het bestuur van het schip en voeren
weg. Plotseling werd schip, tuig, riemen, enz., door wijnranken
omgeven, het bleef onbeweeglijk liggen, en in plaats van den knaap
stond Dionysus, bekranst en den thyrsusstaf zwaaiend, te midden
van tijgers, lynxen, enz., die zich aan zijne voeten neervlijden. De
matrozen sprongen in zee en veranderden in dolfijnen. Ac. alleen bleef
gespaard en werd op Naxus priester van Dionysus. Later door Pentheus
gevangen genomen, werd hij op wonderdadige wijze gered.
Acontius, Akontios, van Ceos. Eens reisde hij naar het feest van
Artemis op Delus en zag daar de schoone Cydippe, de dochter van een
zeer voornaam Athener. Hij werd op haar verliefd, maar daar hij zich
niet aanzienlijk genoeg achtte om haar ten huwelijk te vragen, bedacht
hij een list om haar tot vrouw te krijgen. Toen zij eens in den tempel
zat, wierp hij haar een appel toe, waarop geschreven stond: Ik zweer
bij het heiligdom van Artemis, dat ik met Acontius zal trouwen. Het
meisje nam den appel op, las het geschrevene overluid, en wierp hem
daarna weder weg, waarop Ac. naar Ceos terugkeerde om den loop der
gebeurtenissen af te wachten. Later wilde Cydippe's vader haar aan een
ander uithuwen, maar het meisje werd kort voor den voor het huwelijk
bepaalden dag ziek, en daar zich ditzelfde driemaal herhaalde, vroeg
haar vader het delphische orakel om raad. Tot antwoord werd hem gegeven
dat de woorden, in den tempel gesproken, door Artemis gehoord waren,
en dat zij geen ander huwelijk kon aangaan zonder zich aan meineed
tegenover de godin schuldig te maken. Daarop gaf de vader zijne
toestemming tot haar huwelijk met Ac.
Acra, Acrae, Akra, Akrai, naam van een aantal op hoogten gelegen
steden in Acarnamia, op Sicilia en elders. Ook een heuvel bij Jerusalem
heette aldus.
Acraephia, Akraiphia, of Acraephium, Akraiphion, stad in Boeotia,
aan de oostzijde van het meer Copaïs; in de nabijheid de beroemde
tempel van Apollo Ptoos, zie Ptoum.
Acragas, Akragas, -antos, grieksche naam van Agrigentum op Sicilia
z. a.
Acrisione, Akrisione, Danaë, dochter van Acrisius.
Acrisioniades, Akrisioniades, Perseus, kleinzoon van Acrisius.
Acrisius, Akrisios, zoon van Abas en Ocalea of Aglaïa, koning van
Argos. Hij verdreef zijn tweelingbroeder Proetus, maar werd later
door diens schoonvader Iobates gedwongen zijn rijk met hem te deelen,
zoodat hij Argos behield en Proetus Tiryns kreeg. Daar hem voorspeld
was, dat de zoon zijner dochter Danaë hem zou dooden, hield hij haar
in een onderaardsch vertrek of in een ijzeren toren opgesloten; maar
Zeus wist toch als gouden regen toegang tot haar te krijgen, en Danaë
werd bij hem moeder van Perseus. Eenige jaren werd het kind in den
kerker verborgen gehouden; toen verried het zich door geschreeuw, en
Acr. liet moeder en kind in een kist in zee werpen. De kist werd bij
Seriphus door Dictys uit het water gehaald en later keerde Perseus
met zijne moeder naar Argos terug. Zich het orakel herinnerende,
vluchtte Acr. naar Larisa, maar Perseus trof hem daar aan en bij de
lijkspelen des konings wierp hij toevallig zijn discus op den voet
van zijn grootvader, die aan de gevolgen hiervan overleed.
Acroama, virtuoos, die aan tafel de gasten onderhield, hetzij door
voorlezingen, hetzij door muziek en zang of door grappen.
Acroceraunia, ta Akrokeraunia, kaap der montes Ceraunii (Keraunia ore)
aan de noordpunt der epirotische kust, berucht door de zich aldaar
samenpakkende onweders en losbrekende stormen.
Acrocorinthus, Akrokorinthos, de burcht van Corinthus.
Acropolis, Akropolis, akra polis, burcht of citadel, altijd een steile
of van nature sterke heuvel, in overeenstemming met de plaatselijke
gesteldheid bebouwd en bevestigd. Op de atheensche acropolis vond
men de heiligdommen der voornaamste beschermgoden van den staat. Zie
verder Athenae.
Acrorea, he Akroreia, bergachtige landstreek in Elis, in het
noordoosten, rondom de bronnen van den Peneus en den Ladon.
Acrotatus, Akrotatos, 1) zoon van Cleomenes II. Hij was de eenige die
zich verzette tegen het volksbesluit, volgens hetwelk de gevluchte
Spartanen uit den slag bij Megalopolis (331) van alle straffen
zouden vrijgesteld worden. Daardoor maakte hij zich zeer gehaat, en
toen in 314 Agrigentum om een spartaansch aanvoerder verzocht tegen
Agathocles van Syracuse, nam hij vrijwillig die taak op zich. Wegens
zijn gewelddadige handelwijze moest hij echter spoedig weder naar
Sparta vluchten, waar hij kort daarna stierf.--2) kleinzoon van den
bovengenoemde. Hij volgde op jeugdigen leeftijd, in 265 zijn vader
Areus I als koning van Sparta op, maar sneuvelde reeds spoedig (±
260) tegen Aristodemus van Megalopolis.
Acrothoi, Akrothooi, stad op den berg Athos.
Acta. Over het algemeen verstaat men onder acta de officieele
aanteekeningen, notulen, protocollen omtrent hetgeen gebeurd of
verhandeld is, b.v. acta fori, gerechtelijke protocollen, acta
militaria, verslag van militaire zaken, acta triumphorum, relaas
van zegetochten. Op twee soorten van acta echter moeten wij in het
bijzonder de aandacht vestigen.
Acta diurna urbis of populi, of ook wel kortweg diurna geheeten, eene
soort van dagblad, allerlei dingen bevattende, die voor het publiek
belangrijk konden zijn, als: geboorte-, huwelijks- en doodsberichten,
marktprijzen, aankondigingen van feesten, verkoopingen, aanbestedingen,
enz., en voorzeker ook belangrijke nieuwstijdingen. Deze diurna werden
op openbare plaatsen tentoongesteld, waar men ze kon gaan lezen of
laten afschrijven.
Acta senatus, officieele notulen van het in den senaat verhandelde,
eerst slechts kort, later ook met vermelding der discussiën. C. Julius
Caesar gaf aan deze acta eene groote openbaarheid, die echter
door Augustus weer afgeschaft werd. Ze werden echter geregeld door
de geschiedschrijvers, vooral door Tacitus, geraadpleegd. In den
lateren keizertijd verloren zij hoe langer hoe meer van hun belang,
en ontstond uit de samensmelting met de diurna de officieele hof-
en staatscourant, voor welker verbreiding tot in de verst afgelegen
provinciën van het rom. rijk van regeeringswege gezorgd werd.