FRANK.”

Bij dat luisterrijke slot van dien brief was het jonge meisje

opgevlogen en had haar vuurrood gezichtje aan den boezem harer moeder

verborgen.

Een paar maanden waren sedert de gebeurtenissen, die wij hierboven

verhaald hebben, verloopen. De heer Groenewald was eerst sedert weinige

dagen van Cheribon op Wilatoong teruggekeerd. Hij had daar ginds droeve

uren doorgebracht. Toen hij daar toch met mevrouw Ridderhoff aankwam,

was haar vader stervende, en scheen de lijder slechts op de aankomst

zijner dochter gewacht te hebben om te verscheiden. Hartverscheurend

was de droefheid der jonge vrouw. Zij was letterlijk niet in staat om

hare gedachten ook maar voor weinige oogenblikken tot de

onvermijdelijke regelingen en beschikkingen bij zoo’n gebeurtenis te

bepalen. Gelukkig, dat de heer Groenewald in de goedheid zijns harten

haar naar het landhuis, dat bij Madja [115] gelegen was, vergezeld had.

Deze kon de eerste regelingen omtrent de begrafenis treffen. Daarna had

hij reeds plan gemaakt om, in afwachting van de terugkomst van den heer

Ridderhoff, wien de verwonding en later het overlijden van den heer De

Vos zoo spoedig mogelijk medegedeeld waren, het bestuur der onderneming

op zich te nemen; toen zich op een vroegen morgen de heer Piet Van

Diepbrugge, de reisgenoot van den heer Groenewald op de Fernandina

Maria Emma, op het landhuis aanmeldde. Hij was kort geleden te Cheribon

geplaatst, en door den Resident van dat gewest ter beschikking van den

controleur der Afdeeling Madjalengka gesteld. Hij had de aanwezigheid

van zijn reisgenoot vernomen als ook het ongeluk, dat mevrouw

Ridderhoff getroffen had, en kwam nu zijne goede diensten aanbieden.

Het speet den jongen man, dat hij niet vroeger daar geplaatst was

geworden; maar hij was eerst sedert een paar dagen in deze streken

aangekomen. Toen de heer Groenewald alles met betrekking tot den boedel

geregeld had, die mevrouw Ridderhoff als eenig kind van den

overledenen, onverdeeld toeviel, toen hij den bereidwilligen ambtenaar

ter beschikking zoo ver op de hoogte gesteld had, dat deze in de

afwezigheid van den heer Ridderhoff, de koffie-onderneming gaande kon

houden, en de jonge vrouw met raad en daad kon bijstaan, toen vertrok

de brave oudgast, die geen oogenblik geaarzeld had, onderneming, zaken

en huisgezin achter te laten, om de dochter van een vriend in den nood

behulpzaam te zijn. Toen alles geregeld was, dacht hij eerst aan zijne

eigen belangen.

En zoo was hij weer te Wilatoong terug. Op de doorreis te Ngawi had hij

Frank opgezocht, dien een riem onder het hart gestoken; maar ook van

den chef van den jeugdigen onderofficier vernomen, dat deze uitnemend

zijn plicht deed, en daardoor alsook door gedrag, ontwikkeling en

beschaving zich aller achting verworven had.

„Dat jonge mensch zal zijn weg wel maken,” had de majoor militaire

Kommandant van Ngawi met een glimlach van welbehagen gezegd. „Ik voeg

bij die profetie de verzekering, dat hij een degelijk jongeling is.”

Uiterst tevreden was de brave vader met die goede berichten bij zijn

gezin teruggekeerd.

In het land der zon · 第 23 / 46 题