DE AANKOMST VAN DE BRIEVENPOST OP EEN LANDHUIS.

Toen de drie jonge dames de voorgalerij van het landhuis Wilatoong

binnentraden, zat daar de heer Groenewald op een wipstoel te wiegelen

naast eene tafel, waarop een menigte pakketten en brieven uitgespreid

lagen. Vlak voor die tafel, evenwel eenigszins ter zijde, zat de

postbeambte, een Javaan in zijn gewone dessakleeding, met een grooten

„toedoeng” [93] naast hem op den grond, en een bandelier met koperen

plaat op de borst, waaraan een lederen tasch bengelde, welker

belangrijke inhoud thans op het tafelvlak was overgegaan. De man zat op

geen stoel, maar eenvoudig gehurkt, of neen, met het zitvlak op den

grond, terwijl hij de beide beenen kruiselings gevouwen voor zijn

abdomen gerangschikt had, en licht voorovergebogen met de ellebogen op

de beide knieën rustte. Hij keek den blanken, die in zijne papieren

verdiept zat, aandachtig aan, gereed om iedere vraag terstond te

beantwoorden. Deze had hem reeds gevraagd: om hoe laat hij Magettan

verlaten had, waarop hij ten antwoord ontvangen had, terwijl de Javaan

de beide handen te samen gevoegd boven zijn voorhoofd bracht en daarbij

boog:

„Djam limô droh!” [94] (om vijf uur, heer).

„Zijn de Raden Maas Adipati [95] en de heer Controleur welvarend?”

„Engèh, droh!” (ja, heer).

„Is er geen nieuws in de negorij?”

„Bottèn, droh!” (neen, heer).

„Hebt gij geen tijgers onderweg ontmoet, of hunne sporen opgemerkt?”

„Bottèn, droh! Kiahi [96] bottèn onten, droh!” (neen, heer; er zijn

geen tijgers, heer).

In dat oogenblik stoven de drie jonge dames de trappen op en de

voorgalerij binnen.

„Zijn er brieven, pa?” vroeg Adelien eenigszins onstuimig.

„En couranten, en mode-journalen, en illustraties, en andere lectuur?”

vroeg Emma.

„Is er een brief van mijn bibi?” vroeg mevrouw Ridderhoff. „Van mijn

man?” verbeterde zij, toen zij een ondeugend lachje op de lippen van

den heer Groenewald zag ontluiken.

„Hier is er een, mevrouw; en.... hier nog een, en.... hier nog een.

Maar de adressen zijn van verschillend handschrift; zoodat die niet

alle drie van bibi kunnen zijn. Een komt van Ceilon, de twee anderen

van Cheribon.”

Gertrude greep de drie epistels.

„O! deze is van Louis!...” kreet zij.

„Van Josef!” fluisterde Emma.

„Wilt ge wel eens zwijgen!” zei het jonge vrouwtje met komieke

verontwaardiging.

„Wilt ge wel eens met de handen uit mijne korrespondentie blijven,

neuswijs nest!” bekeef papa Groenewald zijne jongste dochter, terwijl

hij haar met een courant een paar tikjes op de handen gaf.

Die vaderlijke tikjes kwamen wel wat laat. Het lieve kind had reeds een

brief gegrepen, en bekeek dien aandachtig. Zoo als zij daar een

ondeelbaar oogenblik stond met die enveloppe in de hand, met het

hoofdje licht voorovergebogen, terwijl de zachte ruigte van haren

prachtvollen lichtblonden haardosch haar hagelwit maar toch heerlijk

gecarneerd voorhoofd als in een nimbus omgaf, welke zich in de

morgenzonnestralen als eene matzilveren omlijsting vertoonde, die met

fijn gouddraad doorweven was; met hare donzige perzikwangen, waarop de

bergwind een allerliefst blosje getooverd had; maar vooral met hare

smachtende azuurblauwe oogen, die zich met iets weemoedigs maar met

eene kracht van uitdrukking in den blik op het papier vestigden, alsof

zij den inhoud bekend of onbekend wilden verslinden,—was zij een

etherisch wezen gelijk, een van die wezens, zoo als de Fornarina, die

een Raphaël van geestdrift deed blaken en hem de type zijner schoonste

scheppingen ingaf.

Zooals de bekoorlijke maagd daar stond met de zoo fraai gevormde

lipjes, half ontsloten als eene pas ontluikende roos; met de rosé

neusvleugels trillend en wijd geopend, alsof zij den geur, door dien

brief waarschijnlijk uitgestraald, met kracht wilde inademen; met de

zoo heerlijk gemodelleerde borst, die, door het fijne batist van de

kabaai zedig bedekt, zich toch deed gelden, waarneembaar op en neer

zwoegende den blik beving maar geenszins uittartte,—straalde als een

akkoord, of beter nog als een rythmus van kiesche en kuische

bekoorlijkheden van haar uit, dat noch door het penseel des schilders,

noch door den steekbeitel des beeldhouwers weer te geven was, en dat

slechts trillend van levensgenot en bevallig en aanbiddenswaardig door

den machtigen adem des Almachtigen geschapen kon worden.

„Voor u pa, niet voor mij,” zei het jonge meisje met een zucht.

De heer Groenewald sloeg zijn arm om den hals zijner Adelien, gaf haar

een zoen, en fluisterde haar in het oor:

„Wij zullen hem straks samen lezen!”

Adelien bloosde en beloonde haren vader met een dankbaren blik. Het was

een uiterst lieftallig wezen. Opgevoed door eene liefdevolle moeder,

aanvaardde zij nu reeds in haar karakter ongemerkt het zelfopofferende

en het zachtzinnige van de degelijke gade. Zij ontlook tot vrouw,

zooals zij zich in hare volle bevalligheid en in hare volle reinheid

tot maagd ontwikkeld had. Haar geest bezat eene gedweeë

bevattelijkheid, gepaard aan eene buigzame wilskracht. Toch bemantelde

hare goedhartigheid eene zekere mate van zelfstandigheid, hoewel haar

hart in den regel hare geestvermogens beheerschte, en zij

dientengevolge eerder tot gelatenheid en onderwerping dan tot

tegenstand en strijd geneigd scheen.

„Voor u pa, niet voor mij!” herhaalde zij, terwijl zij den brief

overgaf.

„Wel, Gertrude, hebt ge goede tijdingen,” vroeg Emma aan hare vriendin.

„Gij zet een gezicht bij uwe lectuur als zeven dagen westmoessonsweer.”

„Van Ceilon zijn de tijdingen uitmuntend, maar van papa.... Het is

akelig,” antwoordde de jonge vrouw, terwijl zij de ontvangen brieven

samen vouwde. „Maar van welken datum is dat schrijven? Laat zien....

Van 10 Mei en wij hebben thans reeds 9 Juni....”

„Ja, mevrouwtje, de post gaat niet vlug op ons gezegend Java! Maar gij

zeidet: het is akelig! Wat is akelig? Toch geen onaangename tijdingen,

hoop ik?”

„Jawel, zeer onaangename tijdingen. Ik moet weg.... dadelijk

vertrekken! Mijn vader schrijft mij, dat er ketjoe’s [97] in de buurt

zijn.”

„Juist eene reden om hier te blijven, volgens mij,” lachte Emma.

„Juist een reden om naar huis te gaan,” antwoordde mevrouw Ridderhoff.

„Als er gevaren te trotseeren zijn, dan meen ik, dat, nu mijn man ver

is, de dochter naast haren vader moet staan!”

Adelien knikte goedkeurend met het hoofd.

„Maar.... waar heb ik mijn derden brief gelaten?.... O hier!....”

Mevrouw Ridderhoff opende de enveloppe, keek er een oogenblik in,

slaakte daarop een kreet, en viel in zwijm. De beide zusters vlogen

haar te hulp, en droegen haar, geholpen door een paar vrouwelijke

bedienden, naar hare kamer. Het duurde een poos alvorens de jonge vrouw

bijkwam. Het eerste woord, wat ze sprak, was: „ik moet naar mijn

vader!...” Daarop vroeg zij, terwijl zij in tranen uitbarstte:

„Waar is die noodlottige brief?... Ik heb hem zeker laten vallen?”

Emma spoedde naar de voorgalerij en vond daar haren vader, die haar het

epistel aanreikte.

„Hoe is het?” vroeg hij deelnemend.

„Zij is bijgekomen; maar weent nu hartverscheurend. Wat zou er toch

gaande zijn?”

„Laat haar maar weenen!.... Die brief is van een der ondergeschikte

beambten van den heer de Vos, en deelt mede, dat het landhuis op den

23sten Mei door de ketjoe’s overvallen is, en dat Gertrude’s vader

daarbij door twee klewanghouwen zwaar verwond is.”

„Schrikkelijk! Maar.... wat moet nu met die arme vrouw?”

„Zij wil weg naar haren vader.”

„Wanneer haar gestel niet te zeer geschokt is, is dat nog het beste,

wat zij kan doen.”

„Maar papa, zij kan toch niet alleen die reis afleggen?”

„Daar zat ik al over te denken. Als ze....”

Daar kwam mevrouw Ridderhoff, gesteund door mevrouw Groenewald en door

Adelien, naar buiten.

„Waar is toch die brief?” vroeg zij.

Emma reikte haar dien over.

„Hebt gij hem gelezen?” vroeg ze aan den heer Groenewald. „Ja?.... Wat

blijft mij anders over te doen dan te vertrekken? Zeg.... raad mij

toch!”

„Tracht in de eerste plaats uwe bedaardheid te herwinnen, lieve

mevrouw. Mijne meisjes zullen met uwe baboe uw goed inpakken. Inmiddels

ga ik mij klaar maken. Ik ga met u mede.”

„Gij gaat met mij mede? O, ik dank u!”

„Ja, althans tot Semarang. Ik hoop, dat gij met de boot, die morgen van

Soerabaja vertrekt, mee zult kunnen gaan. Ik zal u aan boord brengen,

en het van de omstandigheden afhankelijk stellen, of ik u naar Cheribon

en verder naar het landhuis zal begeleiden.”

„O! ik dank u! Maar.... hebt gij den brief gelezen?.... Zou er nog hoop

zijn? Hoe heeft zich dat toch toegedragen? Mijn vader, die bij de

dessabewoners zoo bemind, zoo geëerd was!”

„Ja, ik heb den brief gelezen; hoe het zich heeft toegedragen? Dat

zullen wij later nog wel eens bepraten. Nu zullen we ons voor de reis

gereed maken. Wij moeten heden avond te Soerakarta aankomen om morgen

ochtend van daar naar Semarang te vertrekken. Denk, dat het reeds de

9de is. Morgen in den nacht komt de boot reeds te Semarang aan.”

Helaas, de jammerende vrouw was in ’t geheel niet in staat zich met

haar goed bezig te houden. Zij zat maar te weenen bij mevrouw

Groenewald, die haar zoo goed mogelijk zocht te troosten en op te

beuren. Emma en Adelien beijverden zich alles in te pakken, terwijl de

heer Groenewald ook alle maatregelen nam om dadelijk te kunnen

vertrekken. Hij schreef nog gauw een briefje aan den beambte met de

postpaarden belast te Madioen, en verzond dat met den postbeambte, die

flegmatisch als ieder Javaan nog altijd op den grond neergehurkt zat,

maar nu vlug in het zadel sprong en op zijn klein Javaansch paard

spoorslags wegreed.

Twee uren later stapten mevrouw Ridderhoff en hare bediende, vergezeld

van den heer Groenewald, in een lichten tentwagen, die door een vurig

vierspan getrokken, de berghelling afrende, waarlangs de weg van

Wilatoong naar Magettan voerde.

„Arme vrouw!” klaagden de dames Groenewald nadat het rijtuig verdwenen

was, terwijl zij de tranen trachtten af te drogen, die haar over de

wangen biggelden. „Arme vrouw! God geve, dat zij haren vader nog moge

weerzien!”

„Maar waar is nu de brief van Frank?” vroeg Adelien, toen zij met hare

zuster en hare moeder in de voorgalerij van het landhuis had plaats

genomen. „Zou pa hem medegenomen hebben?”

„Neen,” sprak mevrouw Groenewald. „Hier is hij. Kom, lees hem ons

voor.”

Het jonge meisje greep den brief met hartstocht, brak hem open, keek

eens naar de naamteekening, en toen daar werkelijk die twee woorden

stonden: Frank Brinkman, met eene ontzettende krul er onder, kon zij

niet nalaten het papier aan hare lippen te brengen, en een kus daar ter

plaatse op te drukken.

„Malle meid!” prevelde Emma met een glimlach.

„Ik zie je ook nog eens zoo mal worden, zusje-lief!” antwoordde

Adelien. „Ik begin nu, luistert. Ngawi.... wat! is hij te Ngawi? Dus

vlak bij om zoo te zeggen!”

En het lieve kind wendde den blik naar het noorden, waar van uit de

galerij van het landhuis de blauwe gekartelde band van den Goenoeng

Segoro Woeroeng, aan welks voet Ngawi als het ware gelegen was,

ontwaard kon worden en zuchtte eens.

„Kom, ga voort,” zei Emma. „Zuchten helpt niet veel.”

„Ngawi, den 4 Juni 185....”

„Dus is de brief reeds vijf dagen oud,” viel hare moeder haar in de

rede. „Ga voort.”

„Geachte heer Groenewald! Sedert uw vertrek van Batavia is daar niets

voorgevallen, wat bijzondere vermelding verdiende. Ik vreesde dan ook

onbescheiden te zijn, wanneer ik u met nietsbeduidende voorvallen

lastig viel....”

„Domme lummel,” lachte Emma, „alsof niet een zeker iemand met spanning

en ongeduld zat te wachten naar die nietsbeduidende voorvallen.”

„Neen, Frank had gelijk,” zei de moeder. „In zijne omstandigheden is

bedeesdheid een schooner sieraad van den jongeling, dan te groote

vrijpostigheid. Maar ga voort, Adelien.”

„... Lastig viel. Nu ik evenwel verplaatst, en niet al te ver van

Wilatoong verwijderd ben, moet ik iets van mij laten hooren.

„Zoodra mijne verdere getuigenis in die noodlottige zaak van het oproer

aan boord van de Fernandina Maria Emma ontbeerd kon worden, vertrok ik

naar Semarang. Hoe die reis mij bevallen is? zult gij mij vragen.

Waardste heer Groenewald, ik meende al heel veel akeligs ondervonden te

hebben, gedurende den tijd, dien ik bij het Koloniaal Werfdepôt te

Harderwijk doorbracht. Och, dat moet nog een paradijs genoemd worden,

vergeleken bij het verblijf aan boord van de boot, die mij naar de

hoofdplaats van midden-Java overbracht. Gij kijkt verwonderd op. Gij

hebt die reis ook gemaakt met uwe familie; maar, gelukkige menschen!

gij waart passagiers eerste klasse, en kondt dus onmogelijk in uw ruim

salon met ruime hutten waarnemen, wat in het vooruit van zoo’n boot

omgaat. Laat mij u vertellen, dat wij met ongeveer 250 militairen aan

boord waren, die naar Semarang, Soerabaja, Makassar en de Molukken

bestemd waren. Velen dezer soldaten hadden hunne vrouwen en kinderen

bij zich. Verder waren nog een tachtig dwangarbeiders, Javanen,

Chineezen en Maleiers aan boord. Eindelijk nog een honderdtal

dekpassagiers; ook weer vertegenwoordigers van bijna alle rassen en

bewoners van den Indischen archipel, waaronder de Arabieren met hunne

vieze bokkenlucht niet te vergeten. Voeg ik er nu nog bij, dat er voor

al die menschelijke wezens nog niet eens de helft der ruimte, als die

aan boord van de Fernandina Maria Emma voor het detachement benoodigd

gerekend werd, aanwezig was, om bij slecht weer, zooals wij troffen,

onder dak te komen, dan zal ik niet behoeven te beproeven een schets te

geven van het vieze, het zedelooze, het walgelijke, wat uit zoo’n

opeengepaktheid van menschen van verschillende geslachten en rassen,

van onbesprokenen met misdadigers, in een vunzig hol moest geboren

worden. Waarlijk, als ik vroeger voor mijn vertrek van Batavia, in de

dagbladen onder de aangekomen of vertrokken personen vermeld zag: Z. M.

troepen en bannelingen, dan dacht ik steeds, dat het eene geestelooze

aardigheid was der heeren redakteurs of dagblad-uitgevers om hun

publiek te believen; maar toen bij die reis ondervond ik, dat de

couranten de waarheid slechts aangaven, de waarheid naakt en zonder

kommentaar, en dat de landsverdedigers gedwongen waren in eene

walgelijke promiscuïteit met dwangarbeiders, soms verscheidene dagen en

nachten te verwijlen.

„Van de voeding aan boord zal ik niet veel vertellen. Het walgt mij

nog, als ik aan de vuilvieze rijst denk, die geene bestaande kleur

vertoonde, half rauw en half aangebrand was, en waarbij een stukje

„dengdeng” [98] dat niet eens van de huidharen gereinigd was, of een

stuk gedroogden visch, dat week, kleverig, uiterst kort van vezel, en

hier en daar sporen van leven van wege de maden vertoonde, of een

onnoozel kleine „ikan sapat” [99] gevoegd was, die niet minder bedorven

was, en niet minder walgelijk rook.

„Ik was blij toen ik te Semarang voet aan wal zette, en uit die

ontzettend walgelijke omgeving bevrijd was....”

Adelien staakte hare voorlezing een oogenblik. Zij haalde diep adem.

Het was of het lieve kind door de nachtmerrie bezocht werd.

„Arme jongen!...” prevelde zij.

En zich met de hand over het voorhoofd strijkende, vervolgde zij:

„... Bevrijd was. Ik moest een paar dagen in, of beter, buiten die

plaats blijven, want het fort Pontjol [100], waarin ik logies verkreeg,

ligt buiten de stad op de moerassige kust, die het heet te beschermen,

ter zijde van den weg naar Bodjong [101]. Hoewel het verblijf binnen

dat bedompte fort, hetwelk zoo vochtig is, dat een geestig

genie-officier het dezer dagen zeer juist met den naam van bomvrije

dames badinrichting begiftigd heeft, ook niet tot de aangenaamste

behoort, zoo was het toch eene verademing na dat anderhalf etmaal lange

lijden aan boord van het stoomschip. De voeding was trouwens daar bij

het subsistenten-kader geheel verschillend, althans genietbaar, en wat

daaraan ontbrak, kon ik gemakkelijk bij een „toekan-auer” aanvullen.

Gij lacht, en ik zie in den geest juffrouw Adelien ook de lieve lippen

tot een glimlach plooien bij het beeld, dat ik voor zoo eene wandelende

gaarkeuken gehurkt of op een bankje gezeten zou zijn, om mij de

rondgevente lekkernijen te laten smaken. Ja, lach maar; ik beken gul

uit dat de schraalheid der militaire keuken mij te Batavia en te

Semarang meermalen genoopt heeft, mijne toevlucht tot den „toekan-auer”

te nemen, en dat ik dan bij avond naast de walmende „palita” (lampje)

van den gaarkeukenbaas, onder een overgrooten tamarindeboom gezeten,

aan zijn „katoepat” met „sajor-peteh” [102] en een karbouwen-lapje

[103] er bij, mij voor een gering aantal duiten niet weinig te goed

deed.”

De dames lachten van harte bij die beschrijving.

„Wat mag hij toch meenen met zijn karbouwen-lapjes?” vroeg Adelien.

„Zijn dat oessi-oessi?” [104]

„Neen,” sprak mevrouw Groenewald, „dat zijn „babat”. Maar ga voort. Ik

vind dien brief interessant.”

„Ik ook,” zei Adelien. „Maar, waar was ik ook weer. O ja.... hier:

„.... te goed deed. Te Semarang heb ik veel rondgewandeld, maar daarvan

zal ik u niets schrijven, die plaats kent gij genoegzaam. Gij zoudt mij

daarvan eene betere beschrijving kunnen geven. Toch moet ik mijne

bewondering uitspreken over de zoo prachtvolle Bodjong-laan, met haar

majestueus geboomte, hetwelk eene zoo weelderige schaduw verleent, niet

alleen aan den weg, maar ook aan de tuinen, die de villa’s, ter

weerszijde van den weg, omgeven; ook over het zoo fraaie

Residentie-huis aan het einde dier laan, en over de Generaals-woning

daartegenover, twee gebouwen, die kunstgevoel en stijl verraden; over

den fraaien wandelweg langs Randoesari en niet het minst over den weg

van Djoemblang naar Karang Bidara [105]. De stad zelve vond ik liever

aangelegd dan het eigenlijke Batavia, en heeft meer overeenkomst met

een Europeesch stadje, hoewel de riool-geur, dien men er geniet,

afschuwelijk is, en iedere vergelijking ten nadeele van Semarang doet

uitvallen.

„Waarin Semarang evenwel boven Batavia de kroon spant, is in de

talrijkheid van de muskietenzwermen, die den nieuweling iedere hoop op

slaap benemen. Herinnert gij u nog wel hoe die bloeddorstige insecten

Herman Riethoven en mij den eersten nacht van ons verblijf in

Nederlandsch Indië toegetakeld hadden....”

„Ja, zeker herinner ik mij dat!” gierde Emma het uit.

„Ik ook,” antwoordde Adelien. Zij herinnerde zich zeer goed die

oogdeksels en wangen vol builen, maar meer dan dat, ook de kuur die

aangewend werd en wat er op volgde. Bij die herinnering sloot het lieve

kind een oogenblik de oogen en bloosde allerbekoorlijkst. Die blos

ontging mama Groenewald niet. Zij had toch het geheele gebeurde toen

van de „neneh” vernomen.

„Kom, ga voort, Adelien,” zei ze goedhartig.

„Och, hadt gij eens kunnen zien, hoe ik na den eersten nacht te Pontjol

ontwaakte. Ik had moeite om in het eerste half uur mijne oogleden open

te houden, en dat lukte mij eerst, nadat ik die deksels herhaaldelijk

met koud water gewasschen had. Ja..... sirihkalk had ik niet, en.... al

had ik haar gehad, er was niemand om mij den liefderijken dienst te

bewijzen om die op de pijnlijke plaats te strijken....”

Het jonge meisje verborg een oogenblik haar gelaat in hare handen. Zij

gevoelde hoe Frank bij het terneer schrijven van die herinnering van

verlangen gezucht moest hebben; maar zij gevoelde ook, hoe de blikken

van mama en Emma thans op haar gevestigd waren. Zij vermande zich en

ging dus voort:

„Gelukkig, dat alles is voorbij. Twee dagen later vertrok ik naar

Ngawi, mijne bestemming. Dien weg hebt gij met uw huisgezin ook

afgelegd, maar in uw ruimen reiswagen, onder geheel andere

omstandigheden dan ik dat gedaan heb. Voorgelicht door kameraden, had

ik in plaats van een „koeda galaddak”, waarop ik volgens de

regeeringstarieven slechts aanspraak had, een „koeda haloes” [106]

genomen, natuurlijk met bijbetaling van zooveel, en meende nu geborgen

te zijn. Er was mij veel verteld van zoo’n „koeda haloes”; maar ik ben

nogal goed ruiter, zoodat ik er niet aan twijfelde of ik zou er wel

komen. Maar, wat keek ik vreemd op, toen een ongelukkig paardje

voorgebracht werd, dat mij kinderspeelgoed toescheen, zoo klein was

het, van eene onbeschrijfelijke kleur, die in de kazerne met den naam

van melkboerenhondenhaar bestempeld werd, met een bleek-gelen staart,

die over den grond sleepte en bijgevolg alles behalve zindelijk was,

met zeer lange manen, die nog langer schenen, daar het diertje den kop

heel laag liet hangen, even alsof het als een jachthond den grond wilde

besnuffelen. Het was daarbij houtmager en de beeldspraak, dat men zijne

ribben kon tellen, mocht op dien naneef van Bucephalus zonder

overdrijving toegepast worden. Het zadel, als het ding, wat er wel

eenigszins den vorm van had, zoo mag genoemd worden, was niet van

leder, maar van eene soort gestikt laken, dat, op vele plaatsen

gescheurd en versleten, het vulsel nieuwsgierig liet doorgluren. De

stijgbeugelriemen waren veel te kort, en de toomriemen waren met

stukjes rottanreepen aan de stang verbonden. Mijne kameraden hielpen

mij dien rommel met kunst- en vliegwerk in orde brengen. Mijne

krijgsmakkers verzekerden mij, dat ik met dat kleppermansspul Oenarang

wel zou halen, maar dat ik daar moest zorgen, dat mij een beter paard,

maar ook beter tuig geleverd werd.

„Ik zal op die rossinanten en op de Javaansche zadelmakersprodukten

niet meer terugkomen. Waar ik ook kwam, en hoeveel ik ook in verband

met mijne nederige onderofficiers-beurs bood, ik kreeg geen betere. Dat

moet ik evenwel er bij verklaren, dat die katjes beter liepen, dan ik

aanvankelijk had durven hopen. Wel gebeurde het een enkele maal, dat

zoo’n diertje, alvorens den marsch te beginnen, geen poot van de plaats

wilde verroeren, en eene koppigheid aan den dag legde, die niet dan met

eene ontzettende vracht zweepslagen gebroken kon worden; maar was het

eindelijk in beweging gebracht, dan ging het weer goed en onderhield

het een sukkeldrafje, dat wel veel verschilde van den fieren gang van

een Arabischen of Perzischen klepper, maar toch uur aan uur zonder te

verminderen volgehouden werd.

„Wat van de reis te vertellen, dat harer waardig zal zijn? Ik heb

ervaren, dat ik in mijn leven nog niet veel gezien heb, al meende ik

het tegendeel, dewijl ik, voor ik naar Indië vertrok, de Ardennen

doorreisd en de Rijnstreken bezocht had. Ik voel, dat ik geen

vergelijkingen maken kan. Ik heb evenwel juffrouw Adelien, na het

verlaten van Rio Janeiro hooren verklaren, dat Java het schoonste land

der wereld was; na wat ik gezien heb, ben ik geneigd die uitspraak ten

volle te onderschrijven. Reeds bij Djoemblang, toen ik de eerste hoogte

bestegen had, die de strandvlakte van Semarang begrenst, en mij daar

omkeerde, slaakte ik een kreet bij het fraaie panorama, dat zich voor

mijn oog ontrolde met zijne terrasgewijze afdalende rijstvelden, waarin

zich de dessa’s als donker groene eilanden te midden van den goudgelen

arenoogst voordeden, en waarvan Semarang met zijne heldere witte

villa’s en huizen het middenplan en de blauwe zee, waarop tallooze

witte zeilen ontwaard werden, die haar bevallig spikkelden, den

achtergrond vormden. Daarbij kwamen nog de fraaie kokospalmen, die de

huizen van Javanen en Europeanen omgaven, en haar als met een fijn

groen kantwerk omsluierden, dat onder de bries wuifde en het geheele

vergezicht eene aantrekkelijkheid verleende, die het voor mij

betooverend maakte.

„Toen ik Oenarang nabij kwam, kreeg ik den grootschen berg van dien

naam [107] aan mijn rechterzij in het oog, die mij verheven en

afwisselende gezichtspunten opleverde. Bij Merak Mati [108], kreeg de

bergreeks, die zich bij het Djamboegebergte aansloot, en zoo een

vereeniging met den Telemojo [109] daarstelde, een meer verbrokkeld

aanzien, en vormde, toen ik de Toentang [110] overgetrokken was, die

laatste bergrug, den overgang naar den Merbaboe, [111] die zich weldra

voor mijn oog in al zijne statigheid verhief, en aan welker voet het

plaatsje Salatiga zich allerliefst uitstrekte. En overal schoone

landouwen, uitgestrekte rijstvelden, lief gelegen dessa’s,

bewonderenswaardige vergezichten, die bijna altijd door hooge blauwende

bergketenen schilderachtig begrensd werden.

„Te Salatiga heb ik in de zoogenoemde galadak [112] nachtlogies

genoten. Och, ik zal daarover maar zwijgen, ook over dat, hetwelk mij

te Soerakarta aangeboden werd. Nederland en Nederlandsch Indië—dat heb

ik reeds volop ontwaard—zijn ondankbaar genoeg om hunne verdedigers in

hokken te huisvesten, waarin zij bij hare bespottelijke philantropische

neigingen er tegen op zouden zien gevangenen op te sluiten, in hokken,

die voor varkenstallen wellicht zouden kunnen dienen, wanneer de

varkenshoeder niet weerhouden zoude worden door de zekerheid, dat zijn

beschermelingen door het wandgedierte weggedragen zouden worden. Te

Soerakarta ontwaarde ik daarenboven des morgens bij mijn vertrek tot

mijn schrik, dat mijne kist door de witte mieren [113] aangetast was.

Zij schenen hun aanval wat laat begonnen te hebben, althans zij waren

nog niet binnen de kist doorgedrongen, en hadden zich vergenoegd met

den bodem gedeeltelijk af te knagen en hare vieze gele mijngangen langs

een der zijwanden op te trekken. Ik vernam later dat het Europeesch

without voor die beestjes als paté de foie gras moet smaken.

„Van Salatiga vertrekkende, bood de weg tot bij Kaligandoe nog menig

verrukkelijk vergezicht aan; maar van daar slingerde hij te dicht bij

den Merbaboe over de hellingen en voortzettingen van dien berg. Het

uitzicht werd zeer beperkt, en de bergmassa van dien uitgebranden

vulkaan was te nabij, om daarvan een bevredigenden aanblik te

verkrijgen. Wat mij op dat trajekt het meeste trof, was de diepte en

woestheid der ravijnen, waardoor de weg leidde, soms over zeer wrakke

bruggen, die over bruischende bergvloeden voerden.

„Toen ik Bojolali voorbij was, kreeg ik eerst een goed overzicht van

den Merapie, [114] den eersten nog werkenden vulkaan, dien ik te zien

kreeg. Hoewel ik niet ontkennen kan, dat het gezicht van dien kegelberg

zijne grootsche zijde heeft, zoo was de indruk van dat gezicht toch

niet zoo aangrijpend, als ik wel verwacht had. De eruptiekrater, die

zich, van mijn standpunt gezien, even boven den verheffingskrater

vertoonde, kwam mij onnoozel klein voor, en deed mij aan een knaap

denken, die over den schouder van zijn vader kwam uitkijken, terwijl de

magere stoompluim, die zonder kracht en heerlijkheid ontsnapte en

onmiddellijk naar het westen omboog, er veel van had, of die knaap zich

met eene hanenveer getooid had. Vergeleken bij hetgeen ik mij van een

vulkaan voorgesteld had, was, hetgeen ik zag, kinderachtig te noemen.

„Ik kwam in Soerakarta doodvermoeid aan. Vergeet niet, dat ik in twee

dagen 64 palen te paard had afgelegd, hetgeen voor iemand, die aan het

rijden niet gewoon is, een flinken toer genoemd mag worden. Ik ging dan

ook zoo spoedig mogelijk rusten om des anderdaags vroeg mijne reis

voort te zetten. Ik zou dien dag tot Gendingan, en den daaropvolgenden

tot Ngawi rijden.

„De weg van Soerakarta tot Ngawi is vrij eentonig. Alleen het gezicht

op den Lawoe, dien ik aan mijne rechterhand behield, vroolijkte mij op.

Het bewustzijn, dat daar ginds ergens op die hellingen de lieve familie

woonde, die zich op de zeereis mijner aantrok, mij en mijn’ vriend

Herman zoo veel vriendschap bewees, en waar ik nu veel dichter bij kwam

te wonen, ziet dat gaf mijn gedachtenloop, die door het eentonige van

het mij omringende landschap, wel tot droefgeestigheid neigde, eene

meer prettige richting. Van Gendingan uit ontwaarde ik op de

berghelling eenige witte stippen, die hoogstwaarschijnlijk Europeesche

woningen aanduidden. Ik vroeg of dat Wilatoong was. „Neen,” was het

antwoord, „dat is Djati-rogo. Wilatoong ligt aan de andere zijde van

den berg.” Ik zuchtte eens. Ik had zoo gaarne een blik willen werpen op

het verblijf, dat zooveel goeds, zooveel edels, zooveel......”

„Nu ga voort, zusje!” maande Emma aan. „Ge blijft steken? Kom hier....

zooveel goeds, zooveel edels, zooveel liefs bevat. O, zoo... was dat

het woordje wat haperen bleef? Nu, bloos maar niet; hij mag wel,

nietwaar mama?

„Wat zal ik van Ngawi vertellen?” ging Emma voort. „Ik ben er nog te

kort om daarvan iets mede te deelen. Dat dus voor een volgenden keer.

Mijn vriend Herman is te Batavia bij het 11e bataillon ingedeeld

geworden. Ik vond hier een brief van hem. Hij schrijft mij, dat hij

eenigermate aan het sukkelen was; maar dat hij goeden moed behield, en

het zich wel schikken zou.

„En nu, geachte heer Groenewald, ga ik mijn zeer lang epistel afbreken.

Ik hoop, dat gij en uwe lieve familie deze regelen in den besten

welstand moogt ontvangen. Groet mevrouw Groenewald en juffrouw Emma

recht hartelijk van mij. Voor juffrouw Adelien draag ik u evenwel op,

haar een..... Waarom deins ik voor mijne opdracht terug? Gij kent toch

ons beider gevoelens. Welnu, ik hervat moed. Het zal daarenboven uwe

straf zijn, dat gij niet toestaan wildet, dat wij met elkander

briefwisseling hielden. Ik draag u dan op mijne Adelien een hartelijken

kus op de wang te drukken van wege haren

In het land der zon · 第 22 / 46 题