RUILHANDEL

Padde verklaarde ronduit, dat hij het hier een beestachtig land vond en

per slot van rekening nog meer van de zee hield. Voor zijn part voeren

ze op staanden voet verder.

Maar Padde moest zijn varensdrang nog drie volle weken geweld aan doen.

Men teerde het schip van binnen en van buiten, zette alle poorten open

en besprengde de planken vloer met azijn,—alles om een gezonde,

frissche lucht in de Nieuw-Hoorn te krijgen. Terwijl een groot deel der

bemanning zich zingend met dit werkje bezighield, waren anderen aan het

drogen van visch, die ze aan lange lijnen in de zon hingen; verder had

men de handen vol met het inleggen van ganzen in azijn en met het aan

boord hijschen van levende schildpadden, waarvoor op het dek een groote

bak zeewater werd geplaatst. Als voedsel voor deze dieren verzamelde

men talrijke bollen zeegras, welke op het strand voor het grijpen

lagen. [3]

Harmen, Hajo en Rolf maakten zich verdienstelijk door een groot hok te

timmeren voor de gekortwiekte ganzen en duiven, die nu nog overal het

dek bevuilden.

Gerrit keek aanvankelijk sprakeloos, ontzet en met van verbazing schuin

gelegden kop naar het kale gedrocht, dat zijn meester hem tot

gezelschap had beschoren. Waarschijnlijk om eens te onderzoeken van wat

voor stof zijn nieuwe kameraad vervaardigd was, begon hij er mee, hem

een stevigen pik toe te deelen. Maar dat kwam hem duur te staan: tot

straf hield Hajo hem even onder water,—iets waaraan Gerrit geweldig het

land had. Hij beschouwde den indringer als den schuldige aan deze

onderdompeling, draaide hem vol minachting den staart toe en plukte

zich met een overkropt gemoed de natte veeren terecht, toen hij zag,

dat Hajo het naakte monster allerlei lekkere brokjes voorhield.

Dankbaar was het beestje niet: het vertikte ’t, den snavel te openen.

En Hajo zag er ook geen kans toe: het resultaat na lang wikken was, dat

onze vriend een fermen beet opliep.

„Als hij maar eerst honger krijgt!” troostte Hajo zich zelf. „Morgen

zal hij wel anders praten!” Hij stopte beide vogels in de koperen kooi,

ten einde ze aan elkaar te doen wennen. Doch daar Hajo vreesde, dat er

aan de vriendschap een al te duidelijke wederzijdsche uiteenzetting

vooraf zou kunnen gaan, schoof hij een plankje tusschen de toekomstige

levensgezellen. Gerrit, verwend door het vrije leven van den laatsten

tijd, stak den kop tusschen de veeren telkens wanneer zijn meester

naderde. En de jonge roodstaart blikte met wezenlooze oogen rond en

hield den bek zoo stevig dicht, als verdacht hij er Hajo van, hem

vergift te willen toedienen.

„Je moet slim zijn”, raadde Harmen. „Kietel hem eens onder z’n buik, en

als ie dan woest wordt en z’n bek open doet om te bijten, douw je er

gauw een pisang in!”

„’t Helpt toch niets!” zuchtte Hajo. „Als hij morgen nog niet vreet,

breng ik hem terug. Ik had anders al een naam voor hem. Ik wou hem

Joppie noemen. Net als..... weet je wel?”

Harmen knikte. „Of ik ’t weet.....!”

In den namiddag begon het diertje zacht te kreunen,—zoo om het half uur

een droevig geluidje. Hajo kon het niet aanhooren en besloot z’n

„papegaai” den volgenden morgen weer terug te brengen. Maar..... ook

Gerrit was er door getroffen! Toen Joppie voor de eerste maal kreunde,

haalde Gerrit beduusd zijn halfverslapen kop uit de veeren en luisterde

minuten lang. Toen stak hij zijn kop weer weg en wilde zijn dommeling

voortzetten. Even later herhaalde zich het spelletje. Nog eens. Gerrit

raakte overstuur, sprong wat in zijn kooi rond en wilde een slokje

water nemen om zich moed in te drinken, toen Joppie opnieuw kreunde.

Gerrit verslikte zich in zijn lafenis, begon aan een lange

overpeinzing. Als Gerrit aan het peinzen sloeg, viel hij gewoonlijk

spoedig in slaap, maar ditmaal kwam hij, al peinzende, tot een besluit.

Hij wette zijn snavel, draaide den hals een weinig los, zette zich

schrap en gaf een fermen mep tegen het plankje. Verdikke, dat zat

stevig vast! Nog maar eens! Daar vloog een splintert je weg. Gerrit

begon schik in de zaak te krijgen. Hij hakte, wette zijn snavel weer

eens, hakte onvermoeid. En eindelijk..... Ka! riep Gerrit. De jongens,

die al in hun tent lagen, hoorden het.

„Gerrit krijgt het op z’n zemelen”, meende Padde.

Maar Hajo ging eens kijken. Vlak er op kwam hij al weer terug,

opgewonden, met een stralend gelaat. „Kom eens gauw! Gerrit voert hem!”

De knapen kropen naar buiten en geloofden hun oogen niet. Gerrit stak

door een gat, dat op geheimzinnige wijze in het planken schotje gekomen

was, zijn zwarten snavel en reikte Joppie een stukje banaan. „Hap!” zei

Joppie en liet het door zijn keelgat schieten. Hajo stond te springen

van plezier. „Dàt is me nog er eens een kraai!”

„We kunnen nu het plankje wel wegnemen”, meende Rolf.

Maar hier was Hajo op bekend terrein. „Daarmee zouden we alles weer

bederven!” riep hij uit. „Gerrit denkt natuurlijk, dat Joppie een jonge

kraai is! Het is juist goed, dat hij hem niet zien kan!”

„Dan zal hij wel raar opkijken, als je op ’n goeien dag het schot

wegneemt, als Joppie zich zelf bedienen kan en dan natuurlijk ook al

flink in z’n papegaaienveeren steekt!” lachte Rolf.

„Gommenikkie nou!” grinnikte Padde.

Zoo groeide Joppie, door Gerrit met teedere zorgen omringd, tot een

wolk van een papegaai op. Joppie scheen ook van zijn kant

belangstelling te koesteren voor zijn trouwen verzorger: hij gluurde

door het gat en begon er aan te knagen. En op een goeden morgen vonden

de jongens ze als twee ouwe vrienden naast elkaar op Gerrits stokje,

net bruid en bruidegom: Joppie in fleurig grijs en rood, verliefd zijn

kop draaiend, Gerrit ernstig, bedaard in zijn stemmig zwart. Toen zette

Hajo de kooi open.

Met een vreugdekreet wipte Gerrit naar buiten. Joppie volgde hem op den

voet, plofte met veel vleugelmisbaar en geschreeuw op den grond. Maar

Gerrit, wiens gekorte vleugels al lang waren aangegroeid, gaf vliegles,

en Joppie bleek een goed leerling, al zou hij nooit zoo bevallig en vol

zwier weten neer te strijken als een Hollandsche torenkraai. Zag je

Joppie, dan zag je Gerrit; zag je Gerrit, dan zag je Joppie. Ze deelden

al wat eetbaar was: bananen, bessen..... Alleen voor wurmen toonde

Joppie een innigen afkeer: zelfs de fijnste en vetste blauwkop, dien

Gerrit offreerde, was niet in staat hem te doen toehappen. Gerrit

spalkte van verbazing den snavel open, schudde zijn wijzen bol en nam

den wurm alleen voor zijn rekening.

Eindelijk kwam de dag van vertrek. De watervaten werden binnen boord

gehaald, de zeilen weer aan de kale ra’s geslagen. Een tamboer ging aan

land en trommelde van heinde en ver het volk bijeen. De zieken waren

genezen—op zeven na, die met bedroefde gezichten aan boord kwamen.

Tegen vier uur in den middag ratelden de ankerspillen. Langzaam zeilde

de Nieuw-Hoorn de baai uit, aandachtig nagekeken door een rozerood

eskadron flamingo’s.

Men hoopte morgen, nog voor zonsopgang, Mauritius te bezeilen.

De wind was gunstig.

Maar den volgenden morgen wachtte een teleurstelling: men had den koers

niet zuiver genomen; het eiland lag boven den wind, en men kon er naar

kijken, maar aankomen niet. Wat nu te doen? Bontekoe durfde de groote,

onafgebroken reis door den Indischen Oceaan niet aan, zoolang niet al

het volk gezond was. Er werd besloten, den koers te richten naar het

eilandje Sante Marie, dat vlak bij Madagascar, tegenover de groote

Antongil-baai ligt. De zeilen werden omgehaald; vol spanning zag men de

toekomst tegemoet.

Het weer bleef gunstig; de zee lichtte ’s nachts, alsof ze louter vuur

was, en overdag was de hemel zoo lokkend blauw, dat de bruinvisschen,

om er ook wat van te zien, ellen hoog uit het water opsprongen.

Na een kleine week zeilens kreeg men Sante Marie in het zicht. Men voer

Westelijk het eiland om; het schietlood wees zes tot zeven en acht

vadem. Zoo helder was het water, dat men den bodem zien kon. Tegen den

middag werd een geschikte ligplaats gevonden aan de binnenzijde van het

eiland, op twaalf tot dertien vadem goeden ankergrond. En nauwelijks

had men de zeilen ingebonden, toen van de vlakke kust drie prauwtjes

naderden vol bruine lichamen! De maats beijverden zich uit hun kisten

spiegeltjes en kralen, lepels, messen met koperen heft en allerlei

andere snuisterijen op te diepen. Toen snelden ze weer het dek op, de

zakken vol ruilmateriaal.

Intusschen waren de prauwtjes vlak bijgekomen. Er steeg een heidensch

kabaal uit op; ieder der roeiers scheen zich admiraal over de geheele

vloot te voelen en deelde naar alle zijden bevelen uit, die niemand

opvolgde. De roeiers zaten met het gelaat naar den voorsteven en, in

plaats van twee riemen, hadden ze in hun bruine knuisten slechts één

aan weerszijden afgeplatte spaan, die ze beurtelings links en rechts

door het water trokken.

Floorke luchtte z’n „vloeiend” Maleisch weer. „Heila!” riep hij,

„hebben jullie eten? Makan? Nassi? Klappa? Pisang?”

„Koeklekoe!” schreeuwden de inboorlingen en hielden manden met kippen

omhoog.

„Zie je wel, dat ze me verstaan?” zei Floorke, terwijl hij zegevierend

omkeek.

Bontekoe was uit de kajuit gekomen en keek glimlachend naar de

luidruchtige bruintjes. „Gooi maar eens een touw uit, jongens, en haal

zoo’n sinjeur naar boven.”

Een touw vloog over de verschansing. Als snoeken schoten de prauwtjes

er op af. En toen werd er om gevochten, wie het eerst naar boven zou

gaan. Ten slotte wist een der bruintjes zich, na twee schreeuwende

makkers in het zilte nat te hebben ondergedompeld, vast te grijpen, en

werd toen ook maar meteen door de oomes naar boven getrokken, want

voorloopig bedankte men er voor, het heele schip vol van die gasten te

hebben.

Het was een prachtig gebouwde kerel, die op het dek sprong. Geheel

naakt, op een kleedje om het middel na, zwart, gekroesd haar, een

matte, olijfkleurige huid, de borst en schouders getatoeëerd. Hij keek

een oogenblik met grenzeloos verbaasde oogen rond en begon toen te

lachen. Floorke diepte een spiegeltje op en hield het den bruinen gast

voor den neus. De lach verstomde om ’s mans gelaat; hij gluurde achter

het spiegeltje, toen weer er in, vond het daarop raadzaam wat uit de

buurt te gaan en bespiedde wantrouwend Floorke’s grijnzend bakkes. „Kun

je krijgen!” zei Floorke. „Maar dan moet je ons makan geven!” En

Floorke maakte heftige kauwbewegingen. Toen kwam Padde met Truitje’s

rinkelbel aanzetten en tooverde daarmee weer een glimlach op het bruine

gelaat. De mond viel van bewondering open; een rij tanden van het

zuiverste ivoor vertoonde zich, gevat in rozerood tandvleesch, en de

zwarte, glinsterende oogen wierpen begeerige blikken op de mooi

opgepoetste rinkelbel. „Kun je krijgen!” zei Padde, naar Floorke’s

voorbeeld. „Maar dan moet ik makan hebben!” En ook Padde sloeg aan het

kauwen.

De man boog zich over de verschansing tot zijn makkers over, wier

gedachtenwisseling allengs tot een werkelijk heidensch tumult was

aangegroeid. Toen ze zijn bol zagen verschijnen, zwegen allen als met

een tooverslag, want niemand wilde een woord missen van wat hun in deze

zaak meer ervaren kameraad hun zou mededeelen. Hij had heel wat op z’n

lever. De klanken rolden als een waterval uit zijn mond; hij

schreeuwde, alsof zijn heele stam potdoof was en praatte bovendien nog

met armen, beenen en vingers. Toen hij zijn redevoering geëindigd had,

diende men hem met dezelfde breedsprakigheid van antwoord. Daarop

werden mandjes en korven omhooggeheven, begeleid door een gebulk, dat

aan het loeien van een koe deed denken. Van den wal naderden nieuwe

prauwtjes, beladen met meloenen, appelen en rijst. Zoo snel werden ze

door het water gejaagd, dat het schuim wel een el hoog langs den boeg

opscheerde.

De oomes lieten een lijntje neer. Hun gast op het dek lichtte een en

ander luidruchtig en breedvoerig toe, en na lang redekavelen werd een

mand met enkele eetwaren—waaronder een vastgebonden, schreeuwende,

witte haan—aan het lijntje gebonden. Men haalde de lijn in, maar de

bewoner van Sante Marie nam onmiddellijk een beschermende houding over

de mand aan en maakte een gebaar, dat aan duidelijkheid niets te

wenschen overliet: eerst betalen!

„Hier zijn al vaker blanken geweest!” merkte Bontekoe glimlachend op.

„Kom, nu zullen we eens gaan loven en bieden!” En hij liet Hilke een

paar tinnen lepels halen. Die vielen in den smaak! Zonder lang talmen

bood onze bruine vriend in ruil voor de lepels de geheele mand aan.

„We zullen straks aan land gaan en eens zien, wat we daar vinden”, zei

Bontekoe. Toen begaf hij zich met den koopman en den opperstuurman naar

de kajuit. De maats kenden hun ouwe; ze wisten wel, waarom hij hen

thans alleen liet: Bontekoe gunde zijn jongens wel een ongestoord

pretje; hij wist, dat allen er naar hunkerden om aan het handeldrijven

te slaan. En de heeren hadden hun hielen dan ook nog niet gelicht, of

de oomes trachtten hun koperen knoppen, schroeven, oude tinnen deksels,

opgepoetste duiten en kralen aan den man te brengen. Al gauw zag je den

een met een mand kippen wegsjouwen, den ander de armen vol

meloenen.....

Toen de eerste kooplust, die zijn oorzaak eerder vond in de verveling

der laatste dagen dan in werkelijke behoefte, gebluscht was, besloten

de oomes tot een pretje. Ze wierpen het touw, waarlangs hun bezoeker

naar boven was geklauterd, weer over de verschansing, wachtten, tot er

zich een half dozijn zwartjes had ingewerkt, en trokken het toen buiten

het bereik der anderen,—een daad, die de achtergeblevenen met oprechte

verontwaardiging vervulde. Een, die juist nog het slipje grijpen kon,

viel door den ruk van het onverwachts optrekken als een rijpe kokosnoot

omlaag, boven op de hoofden van zijn makkers.

De anderen waren als aapjes naar boven geklauterd. Ze grinnikten; hun

bewegelijke tong stokte een oogenblik; ze wisselden een enkel woord,

stootten mekaar aan en schenen alles wat ze zagen, vrij bespottelijk te

vinden. En toen hun het eerst aan boord gekomen makker de rinkelbel,

waarvan hij intusschen de gelukkige bezitter was geworden, deed

rammelen, lieten allen hun mond openvallen, luisterden met glanzende

oogen en maakten bewegingen, als wilden ze gaan dansen. De bootsman

liet den Schele een groote schaal Spaanschen wijn brengen en voor hen

neerzetten. Dat zouden ze wel lusten!

Maar de zwartjes waren wantrouwend. Er werden heel wat woorden aan

gewijd, vóór er een bij de schaal neerknielde, haar voorzichtig

betastte en daarop zijn lippen in het vocht doopte. Hij keek

blij-verwonderd weer op, smakte met de tong en stak toen onvervaard

weer zijn mond, ja, zijn neus er bij, in den zoeten drank. Dat was het

teeken voor de anderen. Ze sprongen aan alle kanten om de schaal,

duwden elkaar op zij, knorrend als varkens voor een trog, smakkend en

slurpend.

„Je reinste zwijnetroep!” meenden de maats, en enkelen schonken

grinnikend bij, toen de schaal leeg werd. Geen der zwartjes wilde

daarbij op zij gaan,—bevreesd zijn goede plaats te zullen verliezen. En

de schenkende oomes hadden werk om tusschen de gekroesde bollen een

gaatje te vinden, waardoor ze den wijn konden gieten.

Eindelijk hield de bootsman het voor welletjes. De drinkebroers likten

het laatste druppeltje uit de schaal, keken elkaar met blinkende oogen

aan en begonnen toen te lachen, te lachen, dat de tranen hun over de

wangen biggelden! Ja, ze moesten zich aan elkaar vastklemmen om van al

het lachen niet op het dek te ploffen. Hun vroolijkheid werkte

aanstekelijk: slechts weinige oomes bleven zuur kijken over het

verkwisten van den wijn. En toen de mannen, wier wijsheid in de kan

lag, elkaar om het middel pakten en schreeuwend, duimknippend

rondhosten, moesten de oomes zich den buik vasthouden.

Tegen de schemering ging men met beide booten aan land. Op het vlakke

strand wachtte een groep van wel honderd inboorlingen met runderen en

schapen en manden met kippen, fazanten, boschhoenderen, duiven,

kleurige vruchten.....

Een levendige handel begon. Floorke ruilde zijn knipmes in tegen

vijftig kippen, waarvoor hij wel een hokkie zou timmeren, een mooi

hokkie, dat onder z’n kooi kon staan. En elken dag zou hij eitjes en

kip eten. Bolle kocht voor een spiegeltje en een duveltje-in-een-doosje

een zware melkkoe voor de kombuis. Ook Harmen deed geen slechten koop:

hij ruilde een paar koperen knoopen tegen een mand fijne meloenen en

twee dozijn fazanten.

De Nieuw-Hoorn beloofde een tweede arke Noachs te zullen worden.

De barbier kocht voor een opgepoetst brillemontuur den ganschen

medicijn voorraad en de bezweringswerktuigen van een toovenaar op, die

met den glasloozen bril op zijn bruinen neus stellig niet aan ontzag

bij zijn stamgenooten inboette en overtuigd was met behulp van dit

geleerd uitziende brilgeraamte alle ziekten en kwade geesten te zullen

verdrijven. Rolf nam een der inboorlingen, die zijn waren reeds aan den

man gebracht had, ter zijde en wees vragend op het kleedje, dat deze om

het middel droeg.

„Lamba”, zeide man aarzelend.

„Lamba”, zei Rolf hem na, haalde een leitje uit zijn zak en schreef het

woord op. Toen ontdeed onze jonge vriend zich van zijn gordelriem en

legde dien voor den inboorling neer. Deze bekeek vol aandacht den

blinkenden gesp van den riem, bond toen na eenige aarzeling het

vezeltouw los, dat zijn lamba ophield, en stond het kleedingstuk aan

Rolf af. Met een vragend gezicht nam de inlander den riem aan, wreef

den gesp tegen de bruine wangen en stelde daarop vergeefsche pogingen

in het werk om zich den riem om het middel te bevestigen. Rolf hielp

hem een handje, deed het hem zoo vaak voor, tot hij zichzelf bedienen

kon. Uit dankbaarheid knoopte het zwartje Rolf den lamba om, en de

oomes schudden van den lach.

Ook Hajo deed dien middag een zeer voordeeligen ruil. Hij zette

Truitje’s schaartje om in een grooten, sterken boog met een mooi

besneden, gevulden pijlenkoker. De nieuwe eigenaar van het schaartje

knipte wat hij maar knippen kon: zijn nagels, zijn haren, zijn

wenkbrauwen..... En ook Hajo verheugde zich in zijn koop. Hij plaatste

op het strand een schijf: een op een stok geprikten meloen, en deed

enkele dagen lang niets anders dan schieten. De bewoners van Sante

Marie vielen bijkans om van verbazing, dat een witte man zoo slecht met

pijl en boog omging. Maar Hajo zette door, gunde zich nauwelijks tijd

tot eten. En den derden dag zat schot op schot. Toen ging hij als een

echte inboorling met pijl en boog op jacht en kwam met drie

boschhoentjes terug, die dubbel zoo lekker smaakten als gewone

gekochte, tamme kippen,—al waren die misschien wat minder taai.

Padde bejammerde in lange weeklachten zijn koffiemolen, die voor Texel

door het zilte nat was opgeslokt. Padde zou er thans, naar zijn

overtuiging, wonderen mee hebben verricht.

Alles bij elkaar scheen het eiland echter niet zoo heel veel op te

leveren, wat niet te verwonderen was, want na een smalle strandzone

klom de bodem steil, in enge terrassen omhoog en ging spoedig in een

kaal, onvruchtbaar bergplateau over.

Enkele minuten gaans het land in lag te midden van kokosboomen een

dorpje. De uit bamboe gevlochten wanden der lage, met bladeren

afgedekte hutten hadden maar één doorgang. Bij nadere beschouwing bleek

alles even smerig te zijn; de grond onder en rond de huizen was één

mestvaalt. In de modder speelden poedelnaakte peuters vertrouwelijk met

honden en aapjes. Maar toen de oomes binnen de palmen-omheining traden,

ontstond er in die kleine, vreedzame wereld een ware paniek. De aapjes

zochten ijlings hun heil in de boomen; de honden sloten zich aaneen en

keften woedend tegen de oomes, daarbij echter een afstand bewarend, die

een duidelijk licht wierp op hun aangeboren voorzichtigheid; de

kinderen vluchtten de huizen in. En een, die nog wat klein was om zich

zelfstandig uit de voeten te maken, bleef met verschrikte oogen, een

modderkluit in beide bruine knuistjes, zitten en zette een keel op,

alsof heel Sante Marie in gevaar was. Een der vluchtende kereltjes kwam

haastig terug, tilde, met een schuwen blik naar de oomes, zijn

hulpeloos kameraadje van den grond en verdween er mee, zoo vlug zijn

beenen hem dragen konden.

Geen enkele vrouw liet zich zien; de deuren werden haastig

gesloten,—slechts hier en daar gluurden verschrikte gezichten.

„Jammer!” zei Floorke. „Ik had ook de vrouwen wel graag eens gezien.”

„Heb dan nog even geduld”, zei Harmen, „ik ben temet weer terug!” En

hij maakte beenen in de richting van de booten. De maats begrepen nog

wel niet wat Harmen in zijn schild voerde, maar in elk geval besloten

ze even te wachten. Harmen was zoo’n rare! Je wist nooit, waarmee hij

nog op de proppen kwam.

Daar kwam Harmen terug..... met z’n fiedel! En nu herhaalde zich de

geschiedenis van den Hamelschen rattenvanger. Nauwelijks trippelden de

eerste klanken de lucht in, of hier en daar opende zich voorzichtig,

heel voorzichtig een deur, en een donker meisjeskopje gluurde naar den

fiedelaar. De zwartjes, die rond de oomes stonden, konden hun beenen

niet stilhouden; ze begonnen om den muzikant heen te dansen, knipten

met duim en vingers, of klapten, heupenwiegelend, in de handen. Daar

kwamen de vrouwen en meisjes, al even primitief gekleed als de mannen,

schoorvoetend naar buiten. En achter moeders rok, juist als alle andere

kinderen op de wereld, de poedelnaakte dreumesen met hun slanke

ruggetjes en kogelronde buikjes; ze sperden den mond zoo ver open, dat

men er een vuist in stoppen kon.

Harmen fiedelde! „Beginnen jullie vast te dansen!” riep hij den oomes

toe, „dan doen de meissies het vanzelf!”

De oomes dansten. Ze sloegen de handen ineen, maakten samen met de

grinnikende inboorlingen een kring rond de groep vrouwen en meisjes,

die ingesloten waren, vóór ze het wisten, en toen hosten de janmaats

zoo wat rond, met groote sprongen. Bij Harmens melodie zongen ze:

„Zeg, nonnetjes, wilt ge gaan dansen?

Wij zullen u geven een ei!”

Daar trachtte een meisje te ontvluchten. Maar ze had een gevaarlijke

plaats gekozen! Toen ze onder Floorke en Gerretje’s armen door wilde

hollen, pakten de beide jongens van stavast haar bij de hand, en ze

moest mee dansen, of ze wilde of niet! De andere meisjes hadden schik

en trachtten nu ook te vluchten. Verdikkoppe, nou had Floorke, die

geluksvogel, aan z’n andere hand óók al ’n meissie! Harmen werd het te

machtig: hij duwde Hajo de viool in de handen en rustte niet, vóór ook

hij aan beide zijden een aardig meisje had en meedanste op de wijsjes,

die Hajo nu aan het instrument ontlokte.

Padde stond ter zijde, zonder te vermoeden, dat er juist een

samenzwering tegen hem op touw werd gezet: de Neus en Gerretje, die

elkaar bij de hand hielden, lieten plotseling los, en Padde stond

midden in den kring. Beschaamd wilde hij zich een uitweg banen, maar nu

greep Harmen hem beet, en zoo danste Padde tegen wil en dank mee,

tusschen Harmen en een allerliefst Sante Mariesch meisje.....

De Scheepsjongens van Bontekoe · 第 27 / 67 题