De volgende dag bracht tal van avonturen.
’s Morgens namen onze vrienden een heerlijk verfrisschend zeebad.
Poedelnaakt dansten ze de zware rollers te gemoet, die in forsche
wenteling tegen het strand opliepen, wierpen zich in de holte van zoo’n
ombollende golf, schoten er fiksch onderdoor en kwamen met druipende
haren weer boven, als ze nog juist den tijd hadden, adem te scheppen
voor het onderduiken in een nieuwe golf, die met hoog opgerichten kop,
als een menner, de voorgaande voor zich heen joeg.
En toen de knapen uitgeplast en uitgedanst waren, ploften ze in het
mulle zand neer, lieten zich door de zon drogen en bruinbakken en
maakten berekeningen omtrent den duur van de verdere reis. „Over een
half jaar zijn we er”, schatte Hajo.
„Over drie maanden”, meende Rolf.
Padde echter sprong onverwachts overeind en staarde Hajo en Rolf met
groote oogen aan. „’n Aardbeving!” stamelde hij.
„’n Wat??”
„’n Aardbeving! Ik heb duidelijk gevoeld, dat de grond onder me
bewoog!”
„’t Zal wel verbeelding zijn geweest, Padde.”
„Dan is m’n neus ook verbeelding!” Alles behalve overtuigd vleide Padde
zich weer neer. „Hoelang de reis nog duurt?” vroeg hij na eenig
zwijgen. „Ik denk.....” Maar wederom wipte hij, zoo mogelijk nog
sneller dan daareven, overeind, en staarde met groote oogen naar de
plek, waar hij gelegen had. Daar vond iets allermerkwaardigst plaats:
het zand spleet, brokkelde en..... een klein, vaalzwart kopje kwam om
een hoekje kijken! Een paar zwarte, stompe liliputterpootjes werkten
het zand verder op zij en daarna vertoonde zich.....
„’n Jonge zeeschildpad!” riep Rolf.
Het was een alleraardigst beestje: niet veel grooter dan een okkernoot,
en het schildje was nog geheel week. Hulpeloos zwaaiend met de logge,
kleine zwempootjes, draaide het al maar het stompe kopje met de twee
glinsterende, wereldwijze kraal-oogjes en het gerimpelde, magere,
leerachtige oudemannetjeshalsje, als wilde het dat van het lichaampje
afschroeven.
Kijk, daar kwam nog een kopje uit het zand gluren! En nòg een! De
jongens wierpen het nest (wat zou het anders zijn?) open. Neen maar,
het krioelde van die beestjes!
„Ik neem er ’n paar mee naar Holland!” riep Hajo.
„Laten we ze eens tellen”, stelde Rolf voor. Zoo deden de knapen en
kwamen tot honderd-en-dertig eieren en acht-en-twintig jonge
schildpadjes, half of geheel uit het ei. „Je hadt nog wat moeten
blijven zitten, Padde!” vond Rolf. „De helft is nog niet uitgebroed!”
„Ja-ha!” grinnikte Padde. „Maar als ik nou later in Holland vertel, dat
ik schildpadden heb uitgebroeid, moet je niet denken, dat iemand er een
woord van gelooft!”
„Dat is dan ook niet heelemaal waar”, zei Rolf. „Je hebt de zon alleen
maar wat geholpen.”
Padde keek verbaasd op. „De zon?!”
„Wie dacht je dan, dat ze zou uitbroeden? De ouden laten zich aan de
eieren niets gelegen liggen! Ze graven een gat, leggen daar de eieren
in, krabben het dan dicht en verdwijnen weer in het water. De zon moet
de rest maar doen!”
„Hela! Wat gaan daar voor beesten!” riep Hajo uit, terwijl hij op een
viertal lompe, grauw-grijze vogels duidde, die zich log in de schaduw
der boomen voortbewogen. Ze hadden kleine vleugeltjes, waarmee ze zich
onmogelijk van den grond zouden kunnen verheffen, en zulke korte
pootjes, dat hun vette buik haast over het zand sleepte. De jongens
sprongen op en snelden er heen. Zonder veel moeite vingen ze er een; de
andere vogels maakten zich schommelend uit de voeten. Hajo omklemde met
beide handen den ongemeen zwaren en krachtigen snavel, waarmee het dier
hoogstwaarschijnlijk geducht zou kunnen hakken.
„’n Zwaan!” meende Padde.
„Dat kan niet”, zei Rolf. „Dit dier heeft geen zwemvliezen.”
„’n Zwaan zeker wèl!” merkte Padde op.
„Ja, natuurlijk!” lachte Rolf.
Het dier werd nauwlettend bekeken. Het lichaam was belangrijk grooter
dan dat van een zwaan, dik en rond en getooid met een onnoozel klein
staartje, dat, evenals de hulpelooze vleugels, een geelgrijze kleur
had. De bovensnavel was voor een groot deel met een gerimpelde huid
overtrokken en eindigde in een haakvormige punt. De korte, sterke
pooten liepen in vier teenen uit; het dier had een krop, en het
merkwaardigste was wel een groote huidplooi om den kop, waarin het
bijkans den heelen snavel kon terugtrekken. [1]
„We gaan er mee naar de barbier!” besliste Rolf. En met vereende
krachten en de noodige voorzichtigheid (vanwege den geduchten snavel!)
werd de zware vogel opgetild en vervoerd.
„’n Dodo”, zei Vader Langjas.
En toen stelde Rolf een vraag, welke Padde in hoogste verbazing bracht:
„Tot welke familie zou hij behooren?”
„Ik ken ’n achternichie van hem!” grinnikte Padde. „De lamme houtduif
van Geert Oliekoek! Die heeft óók een krop!” [2]
Een paar maats waren naderbij gekomen. Zij kenden slechts twee families
in de dierenwereld. De eerste familie was die welke je opeten kon, de
tweede die, „waar geen smaak aan was”, en des dodo’s ongelukkig
gesternte deelde hem bij de eerste familie in.
Een paar uur later draaide hij, geplukt en schoongemaakt, aan het spit.
De helft der maats trok dien morgen op onderzoekingstochten uit. En ook
onze vrienden besloten, het land wat verder binnen te dringen. De
zonnewijzer, die den vorigen dag op het strand was aangebracht, wees
nog geen acht uur, toen het wakkere drietal er op uit toog. Ze besloten
het riviertje stroomopwaarts te volgen, liepen mannetje na mannetje
langs den smallen oever. Het lage gewas aan den oever ging over in
hooge en dichte bamboebosschen; steeds weelderiger werd het woud en
steeds donkerder; lianen, tot onuitwarbare netten verstrikt, versperden
veelal den weg; de onderste einden slierden in het snel stroomende
water.
Eenmaal gingen de knapen door een lange loofpoort.
De lucht was er heet en vochtig en ademde den zoeten geur van duizenden
orchideeën, welker stille pracht bedwelmde. Zwijgend gingen de jongens
een oogenblik zitten. Het water dampte. Als een eeuwenoud vertelsel,
nog door geen menschelijk oor opgevangen, klonk het plassen van het
water tegen de groote, blauw-grijze bergsteenen; een enkele maal schoot
het er ruischend overheen; dan was het, alsof de koning uit het
verhaaltje zijn stem deed hooren. De planten, de boomen en bloemen
luisterden er naar, bogen zich ver over tot het stroompje, om elk
gefluisterd woord op te vangen. Waterplanten lieten zich mijmerend
wiegen; hun groote, witte bloemen glansden als het gelaat van bleeke,
booze prinsessen.....
Verder maar weer! De knapen wrongen zich door lianen, waadden plassend
in het heldere water. Stil werd het woud, beangstigend stil, als dat
behekste woud, dat duizend jaar lang zwijgen moest, omdat een doode tak
in ’t vallen de koningin der elfen had verpletterd. „Hier ben ik!” zong
het stroompje forsch en jubelend van overmoed, nu het zijn stem zoo
luid en klaar weergalmen hoorde in de stilte. „Wie dorstig is, hij kome
en lave zich aan mij! Ik kom van ver, ik ga naar ver, ik heb geen rust,
geen rust..... Weg, domme steenen, die uit ijverzucht, dat jullie niet
onsterfelijk bent en vrij als ik, mijn weg versperren wilt! Och, arme,
goede boomen, die gedoemd bent om te sterven, waar je bent ontstaan,
och, hoe beklaag ik jullie!—Vriendelijk-stille bladeren, en jullie,
reine, smettelooze bloemen, die met open kelken luistert naar mijn
avonturen, kom, stort je in mijn armen! Ik zal je voeren ver van hier,
heel ver.....”
Hajo voelde, hoe het bloed hem sneller door de aderen joeg. Een
teugellooze drang tot trekken en avonturen ontwaakte in hem.
Een enkele maal kwamen de jongens bij een open plek; dan lichtte hun
een ongekende bloemenweelde tegen. Kleurige vlinders ter grootte van
een hand en tallooze bonte vogeltjes fladderden in en om de verlokkende
kelken. En vóór hen schemerden, tusschen het geboomte door, diep-paarse
bergen.
De knapen voelden het aan hun beenen, dat ze den ganschen weg gestegen
hadden. Bij een dwarsbeekje gekomen, besloten ze dat te volgen. Ze
kropen tusschen stammen en boomvarens,—stonden onverwachts voor een
grooten vijver, waarboven een dichte damp hing.
„’n Heete bron!” riep Rolf uit.
„Heet??” vroegen Hajo en Padde en staken hun hand in het water. Maar
terstond trokken ze hun vingers er weer uit. „Het is kokend!”
„Komt dat zoo maar uit de grond?” vroeg Padde wantrouwend.
„Dat moet wel”, zei Hajo. „Nergens stroomt iets binnen, en daar aan de
overkant voert de vijver tòch water af.”
„De bodem is hier vulkanisch”, verklaarde Rolf. „Daarom is het water
zoo heet.”
„Vulkanisch?? Wat beteekent dat?”
„Dat beteekent, dat, als je hier graaft, je ten slotte op vuur zou
stuiten.”
Padde werd wit om zijn neus. „Maar dan staan we hier..... boven de
hel!!”
„Ja”, zei Rolf, „pas maar op, dat je er niet in valt.”
„Dan ben je in een ommezientje gekookte kreeft!” verzekerde Hajo met
een vroolijkheid, die hij alleen aan Rolfs kalmte ontleende.
„Zullen we hier maar liever niet weer weggaan?” vroeg Padde.
„Laten we eerst eens wat eieren zien machtig te worden!” stelde Rolf
voor. „Ik val om van den honger. Jullie niet? En nesten zullen hier
genoeg zijn.”
In eens voelde Padde ook zijn maag. Zuchtend gaf hij toe.
De jongens liepen den vijver eens rond, en al spoedig ontdekte Hajo’s
jagersoog enkele duivennesten. Hij klom er bij en keerde, na driemaal
op een nest met jongen te zijn gestuit, terug met twee witte eitjes,
die tegen het licht bekeken en versch bevonden werden.
Hajo zat alweer in een anderen boom. Ditmaal was hij nog gelukkiger. In
drie nesten lagen schoone eieren; hij vond bovendien nog een vierde
nest, waarvan hij de eieren liet liggen, omdat ze, toen hij ze in de
half gesloten hand tegen het licht hield, bebroed bleken. De schoone
borg hij op—in iederen zak een, en vier in z’n mond—en kwam met bolle
wangen beneden aan. Intusschen had ook Rolf een paar nesten ontdekt en
ontpopte zich nu als een goed klauteraar. Padde bood aan, de wacht bij
de eieren te houden, terwijl Hajo en Rolf zochten.
„Natuurlijk! Laat Padde maar op de eieren passen!” riep Rolf van boven.
„Maar ga er niet op zitten, Padde, anders krioelt het straks van jonge
duifjes, net als bij die schildpadjes vanmorgen!”
Toen enkele oogenblikken later Rolf en Hajo met hun buit op den grond
belandden, zagen ze Padde een eindje verder met den rug naar hen toe
door het loof gluren, zich voorzichtig omwenden en de vingers op de
lippen leggen. Ze slopen naar hem toe en ontdekten, na eenig vergeefsch
turen in de door Padde aangeduide richting, een merkwaardig,
hagedisachtig beest, dat zijn ronden, dikken staart stevig om een tak
gekneld hield en door zijn donkergroene kleur bijkans niet van zijn
omgeving te onderscheiden was. De groote, kantige kop hing met een
scherpen hoek, als ware het een helm, over een dunnen, verschrompelden
hals. Een blauwe, met donkerbruine puntjes bespikkelde keelzak hing als
een baard onder kin en hals. Langs het krachtige lichaam, dat door een
hoogen, gekartelden kam iets draakachtigs had, liep een band van
roodbruine vlekken. De oogen van dit armlange beest puilden sterk uit,
waren geheel, op de pupil na, overtrokken met een prachtig rood en
groen ooglid, en loerden, ganschelijk en onafhankelijk van elkaar,
rusteloos rond. Voor op den neus prijkten twee hoorn-achtige knobbels.
Doodstil zat het dier. Behalve de oogen was er niets, dat bewoog.
„Wacht maar eens!” fluisterde Padde. „Dan zul je lachen!”
En de vrienden wachtten met haast evenveel geduld als het kameleon—want
dat was het dier natuurlijk, dat Padde’s belangstelling had gaande
gemaakt.
Daar kwam een kleine kever aanzoemen. Zwart, met gele sterretjes op de
schilden. Hij danste lustig snorrend in het rond, kietelde Hajo eens
onder de kin, bracht daarna een bezoek aan het kameleon. Dat wil
zeggen: hij zag het heele kameleon niet; noch merkte hij er iets van,
hoe twee boosaardige, rooflustige oogen al zijn bewegingen bespiedden.
Heel de belangstelling van den vroolijken, geelgespikkelden bezoeker
ging uit naar een groote, roode bloem, vier handpalmen vóór den
knobbelneus van den onbeweeglijken, groenen draak. De laatste draaide
beide oogen zoo ver naar voren, dat ze uit den kop dreigden te zullen
rollen, mat den afstand, opende langzaam, heel langzaam den bek.....
Padde stootte zijn vrienden aan; zijn oogen puilden haast even ver uit
als die van het kameleon.....!—Het was al geschied. Een tong, haast
half zoo lang als het geheele lichaam, schoot bliksemsnel naar het
argelooze torretje, vloog weer terug, alsof het aan een veertje zat;
toen een korte beweging van de kaak..... Spoorloos verdwenen was de
geel-zwarte bloemenvriend.
Het kameleon had zich bij dat alles doodstil gehouden. En terwijl Hajo
en Rolf nog verrast naar de bloem keken, waarop het torretje gezeten
had, dwaalden de kleine oogjes van den geheimzinnigen sluipmoordenaar
al weer rond, belust op nieuwen buit.
Padde grinnikte zacht en kneep Hajo blauwe plekken.
Weer een torretje! Ditmaal een goudgroen, wispelturig torretje. Het
stelt zich aan, alsof het een verbazende haast heeft, vliegt van links
naar rechts, strijkt overal neer—zelfs op een der knobbels op den kop
van het kameleon, vliegt terstond weer op, bedenkt zich, gaat weer
elders zitten, vliegt toch maar weer weg. Een goed torrenkenner zal al
begrepen hebben, dat het goud-glanzend heertje bij al z’n schijnbare
drukte een nietsnut en een leeglooper is. Floep! Daar dwarrelt het weer
rond.
Geen enkel beweginkje ontgaat aan den spiedenden blik van het kameleon.
Het torretje schijnt van plan, een oogenblikje te verwijlen op een
zonbeschenen blad. Het tilt de dekschildjes op, spreidt de dunne
vleugeltjes, die er onder zitten, een oogenblik in het zonnetje, dat er
allerlei kleuren in toovert; klapt dan de dekschilden weer toe en
wandelt als een deftige meneer met jaspanden in een kringetje het blad
rond. Het kameleon loert. Het blad is laag, de afstand groot. Daarom
heel voorzichtig een pasje terug! De lange, typische pootjes, die in
slechts twee vingers uitloopen, worden een voor een omlaaggebracht. Ook
de staart wordt iets verlaagd, maar oogenblikkelijk weer vastgeklemd.
Ziezoo, nu schijnt de hoogte goed te zijn! De bek opent zich.....
Hoepla! De jaspanden vliegen los; het torretje snort haastig een
oogenblik rond, zet zich een el hooger op een ander blad en kijkt in
diepzinnige overpeinzingen naar een gaatje, door een ander torretje in
het blad geboord. Het kameleon bijt zijn teleurstelling weg: een
rechtschapen kameleon geeft den moed nimmer op. Getuigt zijn gansche,
stilzittend bestaan niet van een rotsvast vertrouwen op zijn goed
gesternte? Daarom: voorzichtig een pasje naar boven! Nog een pasje! Nog
een! Het torretje bestudeert het bladopeningetje aan alle zijden,
schijnt er maar half mee ingenomen, maar steekt geen hand uit om er
iets aan te veranderen. Het kameleon slikt van opwinding. Zoo zou de
afstand wel goed zijn! Langzaam den bek open..... Hoepla! Het torretje
besluit zich niet langer te ergeren over het slechte werk van anderen
en danst weer in het rond om twee el lager opnieuw te belanden. Flits!
Des kameleons oogen richten zich in de diepte. Komaan, dan maar weer
naar beneden! Pasje voor pasje. Is zoo de afstand goed? Me dunkt van
wel. En dus..... In een onberispelijke spiraal zwiert het torretje,
over het hoofd van het kameleon heen, tusschen de boomen weg.
Grimmig, maar zonder door een enkele beweging zijn teleurstelling lucht
te geven, blijft de groene roofridder zitten. Aha! Daar kiemt nieuwe
hoop in zijn kameleonnehart! Uit een groote bloem komt log en traag een
roodzwart kevertje kruipen, zet af en snort pardoes, zonder de
allergeringste gratie, in een andere bloem, geen vier duim van zijn
belager af. Deze wacht met half geopenden bek op het oogenblik, dat de
zespootige lummel weer voor den dag zal komen. Te drommel, dat duurt
lang: hij schijnt daar in dat bloemenhart heel wat te doen te hebben!
Wie zou er met meer spanning op de komst van den bloemenvorscher hebben
gewacht: de jongens of het kameleon? Eindelijk, eindelijk kwam de
langverbeide, likte zich de gepantserde pootjes schoon en krabbelde
bedachtzaam naar buiten, ten einde een goed afzetpunt te vinden. Het
kameleon maakte zijn aanstalten.....
Toen zweefde langzaam een jongenshemd door de lucht en bewoog zich in
de richting van ’s kameleons hals. En in hetzelfde oogenblik, dat de
lange tong uitschoot en het torretje gevankelijk wegvoerde, omsloten
Rolfs vingers den bandiet vlak achter den driehoekigen kop. Het dier
stiet een schor geluid uit. En, tot Padde en Hajo’s grenzelooze
verbazing..... veranderde het van kleur! De blauwbruine vlekkenband
langs de zijden van het lichaam verbleekte tot een blauwig wit; de
blauwe keelzak en de mondranden werden citroengeel!
Maar Rolf liet zich niet afschrikken. Hij had met de linkerhand het
achterlichaam gepakt en trachtte het dier van den tak te lichten.
„Drommels”, zei Rolf, „hij houdt zich stevig vast! We zullen hem met
tak en al moeten meenemen!”
Hajo wierp zich op de knieën en sneed met zijn zakmes den tak af.
„Prachtig!” zei Rolf. „Maar hoe krijgen we hem nu op het schip?”
„Hier!” zei Padde ijverig. En hij trok zijn hemd uit. „Daar stoppen we
hem in!”
„Hij moet mee naar Holland!” riep Hajo opgewonden. „Dan kan hij vliegen
vangen; daar zit de kamer bij ons ’s zomers vol van!”
„We zullen hem straks eerst eens aan Vader Langjas laten zien”, zei
Rolf vroolijk. „’t Is een kameleon, maar ik ben benieuwd wat voor een
soort!”
„Wou je z’n heele familie weer weten?” vroeg Padde.
Rolf lachte. „Heb je ’m zien verkleuren, toen ik hem pakte?”
„Ja!” zei Hajo. „Hoe kwam dat?”
„Als jij me het zegt, weet ik het ook! Kom, laten we onze eieren maar
eens gaan oppeuzelen! We hebben er twee dozijn. Eerst gaan we ze koken.
In de heete bron!”
„Ja!”
Hajo vlocht met zijn handige vingers een netje uit ’n paar lange,
smalle bladeren, deed er de eieren in, knoopte het netje boven dicht,
liet het in ’t water zakken en stak onder den knoop een takje, dat hij
in den wal vastduwde. Ziezoo, nu maar afwachten.
In den tijd, dat Rolf en Padde aan den oever lagen, in afwachting dat
de eieren hard zouden worden, had Hajo een nieuw avontuur. Terwijl hij,
onvermoeid speurder als hij was, zoekend in de boomen loerde, viel zijn
blik op een witte streep vuil, hoog tegen een stam. Onze vriend zou
Peter Hajo niet zijn, als hij niet terstond begrepen had, dat zich
daarboven een nest moest bevinden. Daar ontdekte hij het al: een meer
dan vuist-groote holte in den stam. Een spechtennest kon het niet zijn;
daar was het gat te groot voor. Zie! daar verscheen voor de opening een
kop met krommen snavel; een papegaai kroop naar buiten en vloog weg.
Tien tellen later zat Hajo in den boom en loerde vol spanning in de
holte. Daar doken in het halfdonker broederlijk bijeen twee zeldzaam
leelijke mormels, de zwarte kop en snavel onevenredig groot tegenover
het droevig-kale lichaampje. Zonder aarzelen pakte Hajo er een beet,
waarbij zijn vingers in vrij onzachte aanraking kwamen met den snavel;
hij trok zijn gevangene naar het daglicht en daalde er mee omlaag. „Die
zullen we eens netjes grootbrengen, jongens!”
De knapen uitten hun verbazing over een zóó leelijken jongen vogel.
„Zou hij al voedsel nemen?”
„Voedsel nemen? M’n duim er bij, als ik niet oppas!—Kom maar eens hier,
ouwe jongen!” En met paaien en zoete woordjes wist Hajo den naakten
kromsnavel een stuk banaan in den bek te duwen.
„Wat zal Gerrit blij zijn met z’n gezelschap!” meende Hajo.
„En ik zal hem wel leeren praten!” beloofde Padde.
Rolf vischte de eieren op. Ze waren nog wel niet geheel gekookt, maar
smaakten best. Alleen het zout ontbrak.
Het werd tijd om terug te gaan. Zoo togen de jongens weer op weg,
plasten opgewonden babbelend plannen smedend voor de opvoeding van hun
papegaai, langs het heldere riviertje. Tegen de schemering kwamen ze
weer bij het kamp. Men was druk aan het braden en bakken.
„Waar is Vader Langjas?” vroeg Rolf.
„Blommetjes plukken! Allemachies, moet dat een papegaai worden? Hein,
kom eens kijken! Wat een rare, kale sallemander! Wat zit er in dat
hemd?”
„’n Beest met zóó’n tong!” grinnikte Padde. „Als je hem knijpt, wordt
ie geel van sagrijn!”
„Laat kijken?”
„Op je gezicht”, zei Padde. „Als hij wegloopt, zijn we hem kwijt.”
Vader Langjas was bezig met het onderzoeken van plantjes en bloemetjes.
Hij had de gewoonte om in elk vreemd land uit onbekende kruiden
drankjes te brouwen, die hij met ware doodsverachting het eerst aan
eigen lijf beproefde: als hij zich een enkele maal ziek voelde,
beschouwde hij het als een eerezaak om uitsluitend door middel van
nieuwe, zelfbedachte medicijnen te genezen. Daardoor was hij gewoonlijk
tweemaal zoo lang ziek als een ander, maar dat had hij voor de goede
zaak over: Vader Langjas koesterde de stille hoop, nog eens
wereldberoemd te zullen worden door het ontdekken van een drankje, dat
alle kwalen kon genezen. Edoch, groote geleerden vinden zelden het
vertrouwen, dat ze verdienen: als onze ijverige barbier van zijn
onderzoekingen weer aan boord terugkeerde, toonden de maats zich
huiverig de medicijnen te slikken, die Vader Langjas hun met een
stortvloed van aanbevelingen ter hand stelde. „Ik heb het immers zèlf
geprobeerd!” klaagde Vader Langjas, verdrietig onder het weinige
vertrouwen, dat hij ontmoette. En dan dronken de maats uit medelijden
het fleschje maar leeg.
„Wel, vriendjes”, zei Vader Langjas, terwijl hij zich oprichtte en zijn
bril recht zette, „jullie komt juist gelegen! Ben je bang voor
spinnen?”
„Wie is er nou bang voor een spinnetje?” vroeg Padde.
„Kom dan eens mee!” noodigde de barbier uit. „Och, wat heb je daar een
aardig beestje, Hajo. Zeker ’n grijze roodstaart?”
„’t Stomme dier heeft nog geen veer op z’n lijf!” smaalde Padde.
„Maar hebben jullie de ouden dan niet gezien?”
„De eene papegaai is groen, en de andere rood, net naar ’t uitvalt!”
verzekerde Padde. „Onze buren—weet je wel, Hajo?—hebben een witte poes,
en de jongen ervan, van de poes, zijn rood met zwarte vlekken. En de
keeshond van Dobbes, de slager? Z’n vader was een bullenbijter en z’n
jonkies zijn pukkies met dassenpooten. Waar, Hajo?”
„Ja, ’t is waar”, gaf Hajo aarzelend toe.
Vader Langjas schudde het hoofd over Padde’s beweringen, die hij niet
kon weerleggen. „Dat is heel wat anders”, meende hij.
„Neen, dat is precies hetzelfde”, zei Padde.
„Kom!” stelde Hajo voor, „laten we nou eens naar de spin gaan kijken.”
„Ga maar mee”, zuchtte de barbier. „Ik heb er mijn hoed voorloopig even
op gelegd, want ik wilde hem liever door een van jullie laten pakken.
Ik wil wel bekennen, dat ik er wat huiverig voor was. ’t Is een groote,
hoor! Denk er om!”
„Ik durf een hooiwagen over m’n tong te laten loopen!” blufte Padde.
„Nu, je moet het zelf weten”, zei de barbier. „Hier zit hij, onder m’n
hoed.”—Vader Langjas’ hoofddeksel was rondom met steenen bezwaard; de
barbier scheen zijn gevangene voor een gevaarlijk uitbreker te houden!
Padde legde de steenen terzijde. „Ik zal hem maar met m’n linkerhand
pakken”, zei hij, „want m’n rechter is nog altijd dik van die smerige
wesp!”
„Doe dat, kereltje. Maar denk er om, hoor: voorzichtig!”
Padde lichtte een tipje van den hoed op, schoof er bedachtzaam zijn
hand onder, tastte rond in den bol. Maar plotseling kregen zijn oogen
een uitdrukking van hoogste ontzetting, en met een hartverscheurenden
kreet trok Padde zijn hand terug. Aan zijn pink bengelde een harig
monster met een rossig lichaam, zoo groot als een kippen-ei. Vol
afschuw slingerde Padde het beest van zijn pink en stak toen haastig
dit lichaamsdeel in zijn mond.
„Ja-ja”, zei Vader Langjas verschrikt, „daar vreesde ik al voor! Die
vogelspinnen hebben leelijke wapens! Ga mee, dan zullen we er een
zalfje op smeren.”
„Knap jij met je spinnen en je zalfjes!” voer Padde uit, verachtend
alle wetten van tucht.
„Maar kereltje”, zei de deftige barbier, verlegen zijn bril recht
zettend, „ik heb je toch te voren gezegd, dat het een groote spin was?
Ik vond haar, terwijl ze bezig was, dit arme vogeltje te dooden.” Vader
Langjas tilde zijn hoed op en toonde een mooi, blauw vogeltje, dat met
uitgestrekte pootjes en bebloed borstje in het gras lag.
Een paar maats waren op Padde’s gegil komen aanloopen. „Wat is er?”
„Ze hebben m’n pink afgebeten!” jammerde Padde. „Dat heeft hij me
gelapt!”
De maats keken verbaasd naar Vader Langjas, die bleek en rood tegelijk
werd en met zijn bedeesde houding weinig van een menscheneter had.
„Laat kijken je pink?” vroegen ze Padde, die het „afgebeten”
lichaamsdeel nog altijd in z’n mond hield.
„Die pink is van mij!” zei Padde. „En niet van jou.”
„De pink is niet afgebeten!” stamelde Vader Langjas. „Het is een
onschuldige beet. De spin is niet giftig; het is er een van de
familie.....”
„Knap jij met je heele familie, pillendraaier!” schreeuwde Padde. En
hij ging heen, met sprakelooze verbazing nagekeken door de oomes. Tien
pas verder vond Padde het noodig, zich nog eens om te draaien, de borst
in de lucht, en te schreeuwen: „Akelige giftmenger! Ik zal je nog wel
er eens vinden! Denk er maar om, dat ik jou ditmaal óók van te voren
gewaarschuwd heb!” En Padde verdween tusschen het geboomte.
„’n Zonderling karakter”, stamelde Vader Langjas.
Rolf kon zijn vroolijkheid niet onderdrukken. „Laat hem maar loopen,
Vader Langjas! En kijkt u maar liever eens wat ik hier heb!” Rolf
knoopte behoedzaam het hemd los.
De barbier boog zich en gluurde door de opening. Wat hij zag, deed hem
al zijn zorgen weer vergeten. Blij als een kind, riep hij uit: „’n
Panterkameleon! We zullen hem op brandewijn zetten!”
De maats sloegen bijkans tegen den grond. „Groote Griebus!” verzuchtte
een kleine, magere maat met een neus, die meer van een biet dan van een
waskaars had. „Op brandewijn?! Ik wou, dat ik óók een kammelejon was!”