Slechts het regelmatig plassen der riemen en het milde ruischen der
branding, die nauwelijks een branding was, vulden de nachtstilte. Geen
veegje wind; van zeilen kon geen sprake zijn. De kust werd moerassig;
slechts hier en daar blonk tusschen laag gewas en rottende
plantenslingers een stuk zand. Zonder klotsen schoof het deinende water
tegen het land op. Even geruischloos zonk het weer terug.
Een enkele maal school de maan achter wat wolken. Dan schenen de
steltboomen daar verder op den oever donkere rotsmassa’s, die dreigend
overhelden, of ze kropen als monsterachtige, veelpootige larven over
het zand, en de grillig gevormde wortels, die zich in groezelig wirwar
voortkronkelden tot aan den boord van het water, werden venijnige
slangen, dreigden elk wezen, dat zich in hun bereik waagde, te zullen
omstrikken en wurgen.
Men kwam aan een klein riviertje. Vergeefs trachtten de maats het op te
roeien: een wirwar van waterplanten spande zich voor den boeg en schoof
de boot weer achteruit. Aan de oevers massale, vreemdsoortige boomen;
de takken omstrengelden elkaar over het water heen. Zoo dicht was het
loof, dat men er geen duimbreed van den hemel door kon zien; de rivier
scheen als uit een donkere bergkloof te stroomen. Hier en daar
dwarrelden vuurvliegjes rond; enkele maats meenden in de boomen een
paar lichtende oogen te zien. Een luipaard? Bontekoe liet er op goed
geluk een schot op lossen. De uitwerking er van was verbijsterend: het
klonk als duizend musketschoten; het bosch weergalmde van doordringend
gekrijsch, vleugelgeklapper, brekende takken..... en naast de boot dook
een gekartelde staart uit het water op, glinsterend in het maanlicht,
en sloeg zwiepend weer neer, dat het water alle zijden uit spatte.
„Een kaaiman”, zei de schipper en leunde over den bootrand.
De maats waren kletsnat. „Verduiveld, ik dacht.....!”—„Ja, dat dacht ik
ook!” En de humor zegevierde alweer. „’k Had ’m best bij z’n staart
kunnen pakken!” roept de lolligste.
„Nou, en dan?”
„In ’t hondenhok leggen tegen de landloopers!”
„Komaan, mannen, weer verder!” maant de schipper.
Zwijgend roeien de maats weer door. Verduiveld, ’t is broeierig! Het
zweet druppelt van borst en schouders. Een-twee, een-twee.....! plassen
de riemen. Een groote vogel glijdt als een schim over het water, stoot
in het voorbijvliegen een klagenden roep uit.
Allengs komen de ruwe varensgezellen onder den indruk van de
wonderen-zwangere stemming van den tropennacht. Ze zingen niet, ze
praten niet, ze luisteren beklemd naar den heet-hijgenden adem der
stilte.
„Ssst!” fluistert Hilke Jopkins, die voorin zit. „Hou eens even in!” En
als de maats de riemen laten zinken, wijst hij op iets donkers, dat in
het water drijft.
„’n Boomstam”, meenen de maats.
„’k Zal eens kittelen, die boomstam!” zegt Hilke. „Dan zul je een
boomstam eens beenen zien maken. Haal de boot eens een slag om? Maar
kalm aan! Mag ’t, schipper?”
Bontekoe knikt; de maats halen de boot om en sturen haar geruischloos
naar den „stam.” Hilke gaat op de plecht staan, heft in zijn lange
armen een spaan op en.....! Gekraak, hoog opspattend water, in het rond
vliegende stukken hout. Hilke klemt in zijn knuisten het laatste eindje
van een versplinterde roeispaan. De stam drijft nog,—is een heusche
stam.
„Verdorie.....!” stamelt Hilke. „Ik dacht, dat ’t een krokodil was!”
„Had ’t hem even gevraagd!” honen de maats. En Floorke meent:
„Misschien is het een slapende krokodil! Die beestjes hebben een
huid.....! Je kunt er vijf zagen op verknoeien, voor ze wat voelen!
Waar, schipper?”
Bontekoe glimlacht. „Verder, mannen!”
De oomes hebben schik en roeien nu, alsof het een wedstrijd gold.
„Een oorlam voor jullie allemaal, als je dat drie uur volhoudt!” lacht
Bontekoe.
„Makkelijk te verdienen, schipper!—Kijk, Hilke, daar drijft weer wat!
Zou je niet.....?”
Hilke moppert wat. Zwijgend trekt men de riemen door het water.
Ineens aarzelen de maats. In de verte gromt het. Dof. Geheimzinnig. Dan
is het weer stil.
„Wat was dat?”
„Sssst!” Opnieuw rommelt het. Een windvlaag koelt de bezweete ruggen
der oomes zoo snel af, dat ze onwillekeurig huiveren. „Onweer!”
Niemand heeft bij het ingespannen roeien opgemerkt, dat de lucht aan
een zijde geheel met roet overtrokken is. Daar schuift juist een dikke
wolk voor de maan.
„Wat zullen we doen, schipper?”
„Aan je oorlam denken!”
Pats! zeggen de riemen alweer. Een paar vogels fladderen met veel
misbaar uit de waterplanten aan den oever op.
Het wordt steeds donkerder. Korte windvlagen snellen voorbij, doen de
bladeren der boomen geheimzinnig ruischen. „Hoe-hoe.....!” zucht de
eene windvlaag. „Hi-hai!” spot de andere. Geesten dwalen door de lucht.
Daar, onder die wortelnetten, hokken ze; ze fluisteren met elkaar als
de jol voorbijglijdt. Duister wordt het, angstwekkend duister. De maats
wachten, gejaagd roeiend, in innerlijke onrust op wat komen gaat.
Flits!
Hemel en aarde vliegen in brand. De zwarte wolken van daareven zijn nu
oogenverblindend goud, de stammen der boomen glanzende saffieren. In
hetzelfde oogenblik ratelt een slag, die de boot doet trillen; ’t water
schijnt zich te splijten; de maats grijpen zich aan de banken vast en
zien elkaar in de verschrikte, wijdgeopende oogen. Dan vlucht de
donder, gromt heel in de verte grimmig na. En als een vonnis slaat een
regen neer, die een zondvloed is. In lange, dikke pijpen schiet het
water omlaag.
De maats schreeuwen dooreen; niemand, die een ander verstaat. Hoeft ook
niet. Allen weten, dat in korten tijd de boot zal zijn volgeregend.
„Naar de wal!” Dat is de gedachte, die hen beheerscht. Ze roeien als
dollemannen; dan, als wortels en planten het onmogelijk maken, duwen ze
met de riemen heftig af in den ondiepen grond. Ze springen aan wal,
trekken de jol half op het land.
Dan hollen de kerels naar een reusachtigen boom en schuilen, nog wat
beteuterd, onder het bladerdak bijeen. Boven hun hoofden dreunt het
oorverdoovend concert van den fel neerslaanden regen. En ze staan er
nog geen vijf tellen onder, of het water heeft zich al een doortocht
gebaand, stroomt in goten en gootjes langs den machtigen stam omlaag,
vormt watervalletjes van blad op blad en stroomversnellingen langs de
schuine, harige takken. Wat zou het voor een boom zijn? De bladeren
zijn taai als leer en dik genoeg om er schoenzolen van te snijden.
De maats krijgen schik in al dat dreunen, daveren, trommelen, spetten,
knarsen en piepen in duizend tonen; de kitteling van de dikke, vallende
druppen brengt hen in een roes. Ze trekken de kleeren uit, laten het
heerlijk verfrisschende water op de bloote huid kletsen en maken van
louter plezier malle sprongen en rondedansen. De regen schenkt
levenskracht aan boomen en planten; waarom dan niet aan een
Hollandschen janmaat?
Rrrrèng!!! Verblindend licht, een slag, bestemd om de aarde te
splijten. De grond siddert onder de zweepstrieming; door het
regengeweld mengt zich het kermen van scheurend hout. Takken worden
links en rechts weggeslingerd, en uit een zwaren loofboom, twintig
passen van den boom waaronder de schipper nog met den bootsman staat,
ontvouwt zich..... is de duivel in het spel?..... een zwarte
sluiergedaante. Eén gedaante? Het zijn duizend, honderdduizend
dooreenkrioelende gedaanten, die zich, al tuimelend, schreeuwend van
elkaar losmaken en alle richtingen uitfladderen. Ze hebben den vorm van
vleermuizen, maar hun vlerken zijn zoo lang als Hilke’s armen.
„Kalongs!” schreeuwen de maats, die in Indië zijn geweest, hun
bibberende makkers toe. „Vliegende honden!”
De boom, die nu blijkt geheel kaalgevreten te zijn, is van top tot stam
gespleten. De witte scheur lekt als een schrale, bleeke vlam den
inkt-zwarten hemel in. Groote stukken bast liggen overal in het rond.
En op den grond wemelt een zwarte hoop krijschende dieren dooreen,
vergeefs trachtend op te vliegen; wanneer er zich een, vlerkenklappend,
uit den hoop tracht los te maken, grijpen tien anderen hem met de
tanden beet. Floorke pakt er een achter den kop en houdt hem
zegevierend omhoog. Woedend spert het beest den bek open, slaat met de
vlerken.
Intusschen rommelt het nog slechts in de verte. In het Westen teekenen
zich grillig gekartelde bliksemflitsen scherp af tegen de donkere
lucht, gloeien een oogenblik na als vuurpijlen en verbleeken dan
ineens.
Plots houdt de regen op. Geen druppeltje valt er meer; slechts onder de
boomen spettert het nog. De maats kennen dat spelletje der tropen nu
langzamerhand.—Aandachtig bezien ze Floorke’s buit. „Laat eens vliegen,
Floorke?”
Floorke werpt het dier de lucht in. Onzeker fladdert het weg, dreigt
aanhoudend over bakboord te zullen slaan: waarschijnlijk is een der
vlerken gewond. Het fladdert het strand nog over, tuimelt dan in het
water, krijscht en slaat hulpeloos met de vlerken. Een donkere gedaante
schiet toe, spert een afschuwelijken muil vol scherpe tanden open en
sleurt den kalong de diepte in. „Een verschrikkelijk land!” is de
verzuchting der maats.
De dieren onder den boom zijn voor het meerendeel dood of gewond. Hajo
vindt er een, die met uitgestrekte, halfverschroeide vlerken op den rug
ligt; het heeft op de borst een jong zitten, dat zoo stevig zijn
nageltjes in moeders vacht gegraven heft, dat het Hajo niet lukt, het
beestje los te maken. Hij roept Rolf bij dit zonderlinge geval.
„Dat doen onze gewone vleermuizen ook, Hajo! Ze dragen hun jongen met
zich mee.”
Hajo krabt zich achter de ooren. „Nu begrijp ik eindelijk, waarom ik
nooit.....!”
„Heb je soms naar de eieren gezocht?” vraagt Rolf.
„Jawel!” zegt Hajo. „En gevonden ook. Maar toen ik ze door een kip liet
uitbroeden, kwamen er jonge eenden van!”
Rolf lacht en Hajo ook.—„We moeten verder, mannen!” klinkt Bontekoe’s
stem.
De boot wordt gekeerd en weer in zee geduwd. Verfrischt en uitgerust
springen de maats er in, stooten van den wal en heffen de riemen op.
Hoe harder men roeit, hoe vlugger de kletsnatte pakken zullen drogen!
De hemel wordt weer helderder; hier en daar gluren gele en witte
sterren tusschen de wolken door.
Onder vroolijk gekout roeit men een uur achtereen. De zandstrook langs
de kust wordt allengs breeder.—In het Oosten begint de lucht zich te
verven. Oranje, karmijn, violet, alle kleuren druipen dooreen. Een
groote wolk slaat in brand; de vlammen lekken langs den onderkant. Op
het land laten vogelstemmen zich hooren. Krijschen, gillen, fluiten
kondigt den morgen aan. En ineens barst het zonnegoud te voorschijn; de
stralenbundels schieten alle kanten uit, kaatsen verblindend tegen de
wolken. De dauw, die over het water hing, trekt weg; het rumoer op het
land zwelt aan tot een oorverdoovend geschetter. Grijze, blauwe, roode,
zwarte, groene vogels fladderen om en in de boomtoppen.
Het zal niet zoo drukkend heet worden als de vorige dagen: het onweer
heeft de lucht gezuiverd. De kerels worden hoe langer hoe opgewekter en
zingen een liedeke met het steeds weerkeerende refrein:
„Slaet den Speck op sienen neck!
„Slaet op den trom! Riekeldebom!”
De feestelijke morgen drupt als balsem in de ziel der mannen en doet
alle leed vergeten.
En in eens, na een begroeide bocht te zijn omgeroeid, komt men in een
prachtige zandbaai! Het lood vliegt overboord. Allen vreezen, dat hier
voor de Nieuw-Hoorn geen water genoeg zal staan..... maar de lijn
schiet al maar door en..... verduiveld! vijf-en-dertig vadem is het
hier nog diep! Men roeit de baai met forsche slagen binnen, een baai
zoo goddelijk mooi, dat het hart der oomes licht als een veertje wordt.
Hier zal de schuit veilig liggen! „Wat zeggen jullie van die baai,
jongens?”
„Om in je zak mee naar huis te nemen, schipper!”
De maats roeien naar den oever, slepen de jol een eind het strand op en
tijgen op weg, in vreugdevolle afwachting van de duizend-en-een
wonderen, die ze te zien zullen krijgen.
De eerste vondst is een groot binnenwater, tien scheepslengten verder
het strand op. Het is geheel doorschijnend; de zon doet den helderen
bodem blinken. „Wedden, dat ’t zoet water is?” vraagt Floorke. Hij bukt
zich, drinkt en spuwt vol afkeer alles weer uit.
„Zeker brak, hè?” informeeren de anderen.
„Hoe kom je er bij?” zegt Floorke „’t Water smaakt fijn. Proef maar
eens.”
„Neen, als het zoo lekker is, willen we het jou niet afhalen,”
verzekeren de oomes.
Wat verderop beginnen er een paar te schreeuwen. „Gommenikkie, wat een
visch! Wel honderd!”
Allen hollen er heen. „Waar zijn ze nou?”
„Weg natuurlijk!” is het spijtige antwoord. „Als jullie ook zoo
stampen.....!”
„Hoe zagen ze er uit, Gevert?” vraagt de schipper.
„Bruin, schipper! Met lange streepies. En van onderen wit, waar,
Rooie?”
„Ze bennen wel een el lang!” verzekert „Rooie”.
„Daar gaat er weer een!” Met snelle, sierlijke wendingen schiet een
visch voorbij, die vrij juist aan Geverts en Rooie’s gezamelijke
omschrijving beantwoordt. De rug heeft een mooien staalglans, en nu het
dier zich even op zij werpt, flitst een zilveren buik. Floorke stapt
voorzichtig het water in, gaat voetje voor voetje op een visch toe, die
iets verderop in het water staat, roerloos als een snoek..... Floep!
Weg is onze waterbewoner.
„Je hadt ’m zout op z’n staart moeten leggen!” grinniken de oomes.
„Praat me niet van zout!” gromt Floorke, terwijl hij nog eens spuwt.
„Wat was het voor een visch, schipper?”
„Het leek me een harder toe”, zegt Bontekoe. „We zullen straks, als de
Nieuw-Hoorn geborgen is, eens een net door het water halen!”
Men loopt het binnenwater om. Het is wel een kwartier lang gaans.
„Heila! Kijk daar eens!” Verbluft staan de kerels stil. Uit de boschjes
aan den overkant komt deftig, met afgemeten schreden, een roze-roode
vogel stappen. Hij staat bijna een el hoog op de pooten, torst op een
langen, dunnen, hoekig gebogen hals een zwaren, krommen snavel. Nog
twee komen te voorschijn, dan wel een dozijn, half fladderend, met
groote, luchtige schreden. Alle blijven onverwachts staan, wenden de
koppen in de richting der schepelingen en stooten in een schorren kreet
verwondering uit, waarop de zonderlinge, roze steltgangers bij
tientallen tegelijk de boschjes uitkomen en, als ze Bontekoe en zijn
mannen ontdekt hebben, al even verbaasd zijn. Maar lang duurt bij de
meeste de verwondering niet. Ze plukken zich ijverig de veeren, waarbij
ze hun hals in allerzonderlingste bochten wringen, schrijden waardig
het strand over en, bij het brakke binnenwater gekomen, steken ze er
even onversaagd hun kop in als Floorke daarstraks. Maar in het visschen
zijn ze gelukkiger: hier en daar heeft er al een iets spartelends in
den snavel.
„Flamingo’s!” zegt Bontekoe.
De vogels doen nauwelijks een poging tot vluchten als de mannen—na de
bocht geheel omgeloopen te hebben—naderen. Ze loopen kalmpjes, met
statig poot-opheffen, een eindje het water in, gunnen zich daarbij den
tijd om onderweg een vischje te pikken en het, met opgerichten snavel,
door den langen hals te doen glijden. Hajo besluit er een mee te nemen,
voor Doris. Maar wat zou hij het beest te eten moeten geven?
„Vischjes, garnalen, krabbetjes.....”, meent Rolf.
„Nou”, zegt Hajo, „we gaan er mee naar de haven, dan kan hij zelf
vangen, wat hij wil. Wat zullen de jongens opkijken! Ze zullen denken,
dat ik hem zelf heb rood geverfd!”
Men verlaat het strand. Ook hier liggen aan den boschrand, in de
schaduw der boomen, tallooze groote schildpadden. „Er wonen hier vast
geen menschen”, meent Hilke. „Anders zouden de dieren wel schuwer
zijn!”
Zonder veel moeite baant men zich een weg door het lage hout.
Orchideeën hangen aan de stammen; heur sierlijke bloemen glanzen in het
halflicht onder het loof wonderlijk mooi tegen het donkere hout. De
meest zonderlinge gewassen groeien dooreen: er zijn sterk behaarde
struiken met groote, saprijke bessen; lage boompjes, die, in plaats van
op een stam, op wel vijftig stelten staan; de vruchten zitten als
druivetrossen bijeen. En overal tusschen de boomen schieten hooge
varens op, die hun bladeren, als groote handen met lange, spitse
vingers, den oomes beschermend boven het hoofd houden. Duizenden
kleine, bontgekleurde vogeltjes hangen schommelend aan de
vruchtentrossen, wippen fladderend en duikelend van twijg op twijg,
zonder hun keeltje ook maar een oogenblik rust te gunnen. Er zijn er
met heel lange, sierlijke staarten; er zijn andere, die een dikken bef
om den hals dragen als deftige raadsheeren; er zijn er met dunne,
spitse snavels, wel zoo lang als het heele lichaampje, en weer andere
met een zwierigen kuif op den kop, echte minstreels en verbazend met
zichzelf ingenomen.
Heel dit kleine volkje legt een haast en een ijver aan den dag, alsof
er in de wereld niet anders te doen valt dan honing snoepen! En niet
één laat zich in z’n hoogst gewichtigen arbeid ook maar in het geringst
door de komst der oomes storen. De papegaaien met hun vlam-roode
staarten draaien nieuwsgierig den kop en krijschen hartverscheurend.
Soms vliegt er in eens een vlucht schetterend op en pakt met heidensch
kabaal de biezen.
Men komt aan een smal, snel vlietend stroompje, dat van de bergen
Zuidwaarts in zee uitloopt. Het water is helder en smaakt heerlijk. De
mannen loopen den oever een eindje langs en zien dikke palingen over
den bodem kruipen! En plots slaan allen van verrassing de handen ineen,
als een koppel vette ganzen, die van plan zijn een bad te nemen,
giegegaggelend uit de struiken komt zetten. „We gaan hier nooit weer
weg, schipper!” roepen de maats opgewonden.
De Neus heeft een gans beet gepakt en het schreeuwende dier zonder veel
omslag den nek omgedraaid. Voor de kombuis! Maar dan moet hij vlug
maken, dat hij wegkomt, want de makkers van het blank gepluimde
slachtoffer komen sissend, waggelend, met kleppende vlerken en wijd
opengesperden bek op hem af.
Ook de andere maats springen bedachtzaam ter zijde. „Mannen!” zegt
Bontekoe, „we zullen nu terugkeeren en het schip in de baai brengen.
Het zal hier zoo ongeveer vijf mijl vandaan liggen; we kunnen vanmiddag
hier dus weer terug zijn en nog voor een goed maal zorgen.”
En zoo keeren de maats weer om naar het strand, waar de flamingo’s,
wier getal intusschen tot honderden is aangegroeid, hen schreeuwend
welkom heeten.
„Nou zul je eens wat zien!” voorspelt Floorke. Hij schreeuwt, klapt in
de handen en rent zoo op de vogels af, die thans verschrikt de vleugels
openen. En de oomes krijgen zoo iets wonderlijk moois te zien, dat hun
monden ervan openvallen. Het is een veld vol pioenrozen in knop, dat
eensklaps al zijn roze-roode kelken opent en als een heerlijke
bloemenweelde ten hemel stijgt.
„Heb ik te veel gezegd?” bluft Floorke.
Maar de maats antwoorden niet, staren sprakeloos naar boven, tot de
halzen hun pijn doen. Dan springen ze in de boot en roeien weg.
Naar de zon te oordeelen, kan het een uur of acht in den ochtend zijn.
Er is wat wind gekomen; tot groote vreugde van allen kan het zeil
geheschen worden. Het blanke doek bolt danig; men hijscht uit louter
plezier de vlag, die in het achterkastje ligt opgeborgen. In de
allergemakkelijkste houdingen, die ze maar bedenken kunnen, liggen de
oomes door mekaar, brullen telkens van pret, wanneer de boom over hun
hoofden scheert, laten hun vingers door het frissche, stralend blauwe
water slieren, spreken opgewonden over hun avonturen van den verloopen
nacht en over wat straks komen gaat. En ze jammeren in koor hun
gansche, uitgebreide répertoire scheepsliedjes uit—het eene nog
treuriger dan het andere.
Want vroolijk zingen doet een Hollandsche janmaat, wanneer hij wat
verzetten moet. Gaat alles voor den wind, zooals op dien heerlijken
morgen, dan is geen wijsje hem treurig genoeg.
Zeven uren later lag de Nieuw-Hoorn aan beide ankers veilig gemeerd in
de baai, die zwijgend, maar met algemeene stemmen: de Flamingo-baai was
gedoopt.
De zon brandde.