DE GEVREESDE VIJAND

In enkele dagen tijds steeg het aantal zieken tot vijftien. Het was

daar in het vooronder een gekreun en gekerm, dat niemand er ’s nachts

van slapen kon. En elken dag kwamen er zieken bij. Vader Langjas greep

zich met de handen in het haar, verzon allerlei drankjes, die

verlichting zouden kunnen schenken. Soms hielp het ook wel wat, vooral

dank zij de troostrijke voorspiegelingen, waarmee het uitreiken gepaard

ging. Maar van werkelijke genezing kon natuurlijk geen sprake zijn,

zoolang de oorzaak van de ziekte niet was weggenomen: gebrek aan versch

voedsel.

Lijsken Cocs was er het ergst aan toe. Zijn licht-blauwe, nu flets

geworden oogen lagen diep, heel diep in de kassen; zijn spits neusje

werd met den dag spitser, en het zweet parelde in zijn stroo-blonde

haren. „’k Ga d’r an”, zuchtte hij. „Eerst m’n vader, toen Joppie.....

wij kunnen in onze familie niet tegen de scheurbuik, weet je?” Lijsken

zweeg, verraadde door een smartelijk vertrekken van den mond, dat hij

pijn leed.

„Heb je pijn?” vroeg Harmen, die bij Lijsken’s kooi zat.

Lijsken schudde ontkennend het hoofd. En met schorre stem zei hij, op

zorgelijken toon: „’t Is lam voor m’n moeder, dat ik d’r an ga! Want ik

had ’r van deze reis ’n mooie cent kunnen thuis brengen....”

Den volgenden dag hing de vlag halfstoks. Lijsken’s tengere

jongenslichaam werd in een zak genaaid en, onder het zingen van een

psalm, plechtig aan de golven toevertrouwd. De kanonnen wenschten den

kleinen, blonden koksmaat goede reis naar het oord, waar hij geen pijn

meer voelen zou.

Bontekoe betaalde aan Harmen van Kniphuyzen de volle gage van zijn

overleden vriend uit. Harmen kende Lijsken’s moeder en zou het haar

geven. Grienend borg Harmen het geld in een zakje.

De gedruktheid nam met den dag toe. Er waren nu reeds acht-en-twintig

zieken. En dubbel zooveel anderen klaagden over moeheid in de beenen.

Velen liepen rond met blauwe kringen onder de oogen, vale gezichten en

kleurlooze lippen. Toen er op een dag vijf tegelijk in hun kooi moesten

blijven, durfde Bontekoe niet verder zeilen. En tot groote vreugde der

zieken in het vooronder werd de steven gewend naar Madagascar, waar men

hoopte te kunnen ververschen. Diede Doedesz., die zich ook al lam

voelde, klom niettemin om het uur in het kraaiennest om met zijn

beproefde oogen naar land uit te zien. Den vierden morgen na het wenden

van den steven, rezen achter den gezichtseinder bergen op.

„Land! Land voor de boeg!!” Groote opgewondenheid. De zorgen woeien zoo

maar de poorten uit.

In den namiddag naderde men het land; het zag er aanlokkelijk uit. De

bergen waren met wouden begroeid, en het geheel maakte den indruk van

vruchtbaar te zijn. Maar nu de moeilijkheid: hoe te landen? Zoo ver het

oog reikte, was nergens een baai of inham, geschikt om de Nieuw-Hoorn

te bergen. Toch zette men de boot uit. Terwijl de Nieuw-Hoorn voor de

kust op en neer zeilde, voer de schipper met dertig stevige maats en

evenveel geladen musketten weg.

Maar toen men met de boot wilde landen, bleek de branding te sterk te

zijn. Terwijl men nog beraadslaagde, wat nu te doen, kwamen op het

strand naakte, bruine kerels aanloopen, die in luide kreten hun

verrassing uitten en toen staan bleven, de hand boven de wenkbrauwen,

om beter te kunnen zien.

Floorke bood aan, naar land te zwemmen. Hij knoopte z’n broek stevig

vast, snoof zoo er eens en sprong het water in. Als een haai schoot hij

door de golven. Tweemaal sloeg de branding hem terug; de derde maal

zette Floorke zijn tanden op mekaar en wist er zich doorheen te

worstelen. Zijn broek boette hij er bij in: even naakt als de zwartjes

plofte hij aan land neer. „Heila!” riep Floorke hijgend den verbaasden

inboorlingen toe, die tusschen zich en dit witte, roodharige monster

een behoorlijken afstand schenen te willen bewaren. „Toenggoe er eens

even! Zou je bij geval kunnen zeggen, waar de kapal voor anker kan

gaan? Jullie verstaan toch Maleidsch?”

De monden der inboorlingen sperden zich wijd open. Mooi gebouwde kerels

waren het: groot, zwart als houtskool, wollig, dicht haar en van boven

tot onder getatoeëerd met sterren en bloemenmotieven. Een kwam er met

groote, elastische schreden op Floorke af, legde hem zijn zwarte hand

op den schouder en wees naar het Zuiden. Hij zei iets, waar Floorke

geen spier van verstond, wees toen op de Nieuw-Hoorn en toen weer naar

het Zuiden.

„’k Heb je al in de gaten, kameraad!” zei Floorke verheugd. „In ’t

Zuiden landen, hè? Hebben jullie ook wat te bikken? Makan?” En Floorke

maakte een beweging van kauwen en den mond volproppen. Het resultaat

was, dat de zwartjes allen begonnen te lachen.

„Lach, als je gekielhaald wordt!” gromde Floorke. Hij liep het water

weer in, stortte zich in de branding.

„En?” vroegen z’n makkers, terwijl ze hem in de boot heschen.

„In ’t Zuiden..... pf! kunnen we landen..... pf! En m’n broek..... pff!

ben ik kwijt.”

„Kon je de menschen verstaan, Floorke?”

„Best, schipper. Ik versta alle talen.”

„En hoe zagen ze er uit?”

„Zwart als ’n laars, schipper, en besneje als de ebbenhouten kast van

m’n moei!” Floorke’s oogen richtten zich groot, met sprakelooze

verontwaardiging naar het strand. „Wel sakkerloot! Daar loopt er een

met mijn broek aan!” En Floorke wilde pardoes weer overboord springen.

Maar de maats hielden hem tegen. En Bontekoe zei lachend: „Ik zal je

geld voor een nieuwe broek geven, Floorke.”

„Zoo’n beste broek!” zuchtte Floorke.

Naar het Zuiden! Men voer dicht langs de kust, dagen lang, zonder een

baai te ontdekken. De stemming in het vooronder zakte weer geducht. De

oomes verloren het vertrouwen in Floorke’s talenkennis; Floorke zelf

schold op de „nikkers”, die hem zijn broek en zijn eer geroofd hadden.

Het aantal zieken klom tot boven de veertig.

Padde kreeg het druk met het verplegen van den Schele, die zich ook

niet voelde, zooals het wezen moest. Onze drie jonge vrienden zelf

waren nog gezond.

Op een morgen was het land uit het gezicht verdwenen. Men zeilde

Zuidwaarts tot op negen-en-twintig graden, maar toen zich nog steeds

geen land, laat staan Floorke’s ankerplaats vertoonde, wendde men den

steven weer en voer in Noord-Oostelijke richting tot op zeventien

graden. Van daaruit werd de koers gesteld op de zeestraat tusschen

Mauritius en Réunion, ten einde een van die beide eilanden aan te doen.

In die dagen had men den tweeden doode: Boutjens. De maats hadden zich

ook tijdens zijn laatste dagen weinig om hem bekommerd; het was Hajo

geweest, die hem elken morgen de warme koffie bracht en ’s nachts,

wanneer hij Boutjens hoorde kreunen, was opgestaan om een kroes water

voor hem te halen. Aanvankelijk keerde Boutjens zich grommend af,

wanneer Hajo naderde, en hij dronk pas, wanneer hij wist, dat de jongen

hem niet meer bespieden kon. Maar den avond vóór zijn dood tastte hij

met zijn vermagerde vingers naar Hajo’s handen en vroeg met zwakke,

schorre stem: „Waarom..... waarom doe je dat?”

„Omdat je hier niet één vriend hebt, die je verpleegt”, zei Hajo.

„Dan is het goed”, zuchtte Boutjens. „Ik dacht, dat je....!” En

Boutjens begon te huilen. „’k Heb zoo’n pijn, al dagenlang, en ze laten

me maar schreeuwen. Van morgen is de barbier bij me geweest en hij

heeft me over God en over de Hemel gesproken;—nou weet ik, dat ’t met

me gedaan is. Onder in m’n kist..... ik bedoel natuurlijk m’n

scheepskist.....” Boutjens stokte even „Als ik van m’n kist praat, zie

ik ’n doodkist voor me, maar daar grijp je op zee natuurlijk naast!

Onder in m’n scheepskist ligt een plank. Die kun je optillen; daar

heeft niemand verdacht op, zie je? Nou, onder die plank liggen dertien

zilveren guldens. Die geef ik jou; niemand anders mag er met z’n

vingers aankomen. Pas vooral op, dat Schieltjens Blauw het niet in de

gaten krijgt, want da’s een schurk.”

Boutjens kreunde en zweeg eenigen tijd, hijgend van vermoeidheid.

Langzaam-aan werd zijn adem weer rustiger; hij sloot de oogen en

murmelde: „Wie z’n zonden berouwt..... is geen schurk.”

Toen men hem den volgenden morgen overboord liet glijden, zag men onder

water den witten buik van een grooten haai glinsteren; met een ruk werd

Boutjens’ lichaam in de diepte gesleurd. Een kreet van afschuw steeg op

uit de groep mannen, die juist hun psalm beëindigd hadden.

Toen den volgenden dag Zwarte Gijs, de brave smid, op dezelfde droevige

wijze van zijn talrijke kameraden afscheid nam, schoten drie haaien

toe. Hun instinct leidde hen op den goeden weg.....

Zwarte Gijs liet in Enkhuizen twee dochtertjes na. In overleg met den

schipper besloot Hajo het geld, dat hij van Boutjens had geërfd, voor

de arme meisjes ter zijde te leggen.

Ook de volgende dag vroeg zijn offer. Ditmaal deed men alles in stilte,

om de zieken in het vooronder niet onnoodig te herinneren aan..... wat

hun misschien allen te wachten stond.

Na twee dagen kreeg men het Oost-einde van Réunion in het zicht, liet

het schip dicht langs den wal loopen en peilde. Eerst op veertig vadem

diepte raakte het lood grond: de kust was dus zeer steil. Niettemin

besloot Bontekoe het anker te laten vallen.

Met bonzend hart vernamen de zieken in het vooronder het klapperen van

de ankerspillen en daarna den zwaren plons in het water. Eindelijk!! Ze

kwamen uit hun kooien het dek op kruipen en smeekten den schipper, aan

land te worden gezet.

Bontekoe keek weifelend naar z’n arme kerels. Op deze steile kust kon

de Nieuw-Hoorn licht afdrijven, en dan zou men van de helft van het

volk gescheiden zijn. „Moed, mannen!” zei hij daarom. „We zullen de

boot eens aan land sturen, om te zien, of er wat te halen valt!”

Terwijl de gezonde maats met het uitzetten van de jol bezig waren,

besprak Bontekoe in de kajuit met den koopman het verzoek van de

zieken. Rol verzette zich met hand en tand tegen het aan land brengen

van de zieken op een plaats, waar geen ankergrond was. En ofschoon

Bontekoe gebaarde, het niet met hem eens te zijn, moest hij zichzelf

bekennen, dat Rol gelijk had.

Een kwartier later voer Bontekoe met twintig maats aan wal. Ze trokken

de boot een eindje het strand op, om te voorkomen, dat de opkomende

vloed haar zou wegsleuren, en begonnen hun onderzoekingstocht. Zelfs de

hooggespannen verwachtingen van Floorke, die reeds van verre allerlei

heerlijkheden meende te ontdekken, werden nog overtroffen. Vijftig

ellen het strand op stonden verspreide boomgroepen, in welker schaduw

zij honderden en nog eens honderden groote schildpadden vonden. Het

bosch achter de boomgroepen weergalmde van vogelgekrijsch. Opgewonden

baanden de mannen zich een weg door ellenhooge varens, kwamen toen op

een zonnige open plek met hoog gras, dat aan een zijde geheel was

platgetreden. In de verte klonk gestamp van hoeven; het scheen een

kudde runderen te zijn, die zich uit de voeten maakte. De maats liepen

in de schaduw van hooge boomen de open plek rond, gluurden overal

tusschen de stammen door, het loof in, waar schreeuwende parkieten

lustig om twijgjes duikelden. Hoenders vlogen met veel gedruisch voor

de voeten der oomes op en scharrelden tusschen wilde ananas-planten met

lak-roode hart-bladeren kakelend in het struikgewas weg. Groote,

blauw-grijze houtduiven gluurden door de takken omlaag en drukten in

een zacht: roekoe.....! verwondering uit over de onbekende twee-voeters

daar beneden. Het kostte den maats weinig moeite de argelooze dieren

met stokken vleugellam te slaan. Met ananassen, schildpadden en duiven

voor de kombuis keerde de jol naar het schip terug.

De zieken lagen op het dek te wachten. Toen ze zagen, wat hun makkers

van het land meebrachten, smeekten ze Bontekoe opnieuw met gevouwen

handen, hen toch aan wal te willen zetten. Bontekoe beraadslaagde met

den koopman, of hij het wagen mocht.

Rol schudde het hoofd. „Als vertegenwoordiger van de heeren

bewindhebbers moet ik me ten stelligste verzetten tegen een

waaghalzerij, waarbij het slagen van de heele reis op het spel wordt

gezet!” verzekerde hij.

Bontekoe luisterde met nauw verholen drift. „Als vader van mijn maats

kan ik er niet toe komen, de arme kerels voor de haaien te gooien!” zei

hij toen. „En als de heeren bewindhebbers zich dat niet kunnen

voorstellen, moeten ze zelf maar eens als schipper een reisje naar de

Oost maken!”

Rolf boog het hoofd. „Ik wensch vast te stellen, dat ik me verzet heb.”

„Wil je ’t op schrift hebben?” vroeg Bontekoe schamper. En hij ging

naar de zieke oomes. „Jongens, help mekaar maar in de jol; ik zal je

aan land laten zetten.”

„Leve de schipper! Hoy! Hoera!! Leve de ouwe!!”

Of de kerels gauw in de boot waren! Bontekoe liet hun een zeil

meegeven, om daarvan een tent op te slaan, verder twee gezonde

koksmaats, olie, azijn, potten om in te koken, wapens en gerei. De

schipper stapte zelf met een dozijn roeiers in de jol om hen weg te

brengen. Hij wilde de vreugde der arme kerels mee beleven.

Ze wisten van blijdschap geen raad. De tranen stonden hun in de oogen,

toen ze in het zachte gras bijeenkropen. „We voelen ons al weer half

gezond, schippertje!”

De andere maats begonnen een nieuwen onderzoekingstocht, nu in een

andere richting. Men ving een kleine tweehonderd houtduiven, reeg de

vette dieren aan lange stokken en braadde ze voor zieken en gezonden.

Een feestelijke aanblik: al die knappende vuurtjes in de schemering.

Voorloopig, zoolang men niet wist, wat dit eiland herbergde, werd voor

alle zekerheid een wacht uitgezet.

Aan boord zat men ook niet stil. Enkele schildpadden, door de maats

meegenomen van hun eerste landing, werden gekookt met gedroogde

pruimen, die nog in het ruim lagen. Dat smaakte! De oomes aten, tot ze

zat waren, smookten een pijpke, keken naar de sterren en vonden de

wereld nog zoo onherbergzaam niet.

Drie uren na zonsondergang keerde de schipper met zijn gezonde mannen

terug. Bontekoe beval de boot niet in te halen: hij wilde er dien

zelfden nacht een eind de kust mee afvaren, om voor het schip een

ankerplaats te zoeken.

Rolf klampte zijn oom aan. „Mogen we mee, oom? Hajo en ik?”

„Deden jullie niet beter, naar kooi te gaan?”

„Wij slapen toch niet, oom, zoolang de Nieuw-Hoorn nog geen kooi

heeft!”

„Nou, vooruit dan maar!” zei Bontekoe glimlachend.

„Mag ik u bedanken, oom?”

Bontekoe liet een welwillenden blik over zijn neef gaan. „Wat heb je

gedurende de reis zooal uitgevoerd? Geluierd?”

„Jawel, oom!”

„Dacht ik al. De barbier zal wel opgesneden hebben. Hoeveel woorden

Maleisch ken je?”

„Tjoemah sedikit sadjah, toewan. Tetapi saban hari saja adjar.”

„Mm.—Wijs me op deze sterrenkaart de Tweelingen eens aan?”

„Dat is Castor, oom, en dat is Pollux.”

„Wijs ze me nou eens aan den hemel?”

„Kan ik niet, oom.”

„En waarom niet, domoor?”

„Omdat we hier alleen de Zuidelijke sterrenhemel zien, oom.”

„Goed. Maar waarom noemen ze ze de Tweelingen?”

„Weet ik niet, oom. U wel?”

„Neen, aap van een jongen, ik ook niet.”

Rolf trok een zedig gelaat. „Kan ik gaan, oom?”

„Ja, kras maar op!”

Hajo sprong drie el in de lucht, toen Rolf hem vertelde, dat hij mee

mocht. „En de schipper gaat ook mee, zeg je?!”

„Ja zeker.”

„O, Rolf! Rolf!!” Hajo maakte een rondedans, waarop een Zoeloe

jaloersch zou zijn.

De Scheepsjongens van Bontekoe · 第 23 / 67 题