ZESTIENDE HOOFDSTUK.

Broeders en zusters zijn zelden zeer spraakzaam, wanneer zij met

elkander alleen zijn. Toen Charmion met haar broeder naar de Lochias

ging, kostte het haar toch al moeite woorden te vinden, zoo diep hadden

de gebeurtenissen van het laatste uur haar aangegrepen. Ook Archibius

wilde het niet gelukken zijn geest op iets anders te richten, en toch

was zijn hoofd vervuld van zaken, die in veel wijderen kring van

beteekenis, en daarom gewichtiger waren.

Stilzwijgend liepen zij naast elkander voort.--Toen zijn zuster vroeg

waar de jonggehuwden zich verbergen moesten, antwoordde hij dat dit,

hoe goed zij ook zwijgen kon, voor haar een geheim moest blijven. Op

de tweede vraag, hoe het mogelijk was geweest ongestoord het binnenste

gedeelte van den Isistempel in gebruik te nemen, kon hij ook slechts met

omzichtigheid antwoord geven.

In werkelijkheid was het de vrije beschikking over de onderaardsche

gangen van het heiligdom geweest, die den bouwmeester op de gedachte

had gebracht, Dion langs dien weg naar de boot van Pyrrhus te brengen.

Daarvoor was alleen noodig dat de Isistempel, die gewoonlijk dag

en nacht openstond, voor korten tijd alleen aan de vrienden der

vluchtelingen werd overgelaten, en dat hadden zij gedaan gekregen.

De geschiedschrijver Timagenes, die als afgezant uit Rome gekomen was

en de gastvrijheid van zijn vroegeren leerling Archibius genoot, had

volmacht gekregen om aan Cleopatra, zijn voormalige leerling, het

uitzicht te openen op de erkenning als Koningin voor haarzelve en hare

kinderen, en volkomen genade, ingeval zij Marcus Antonius aan Octavianus

wilde uitleveren of hem doen ombrengen. De Alexandrijn Timagenes vond

zelf dezen eisch even billijk als noodzakelijk, omdat daardoor zijn

vaderstad verlost zou worden van den man, wiens willekeur en overmoed

hare vrijheid bedreigden, en wiens verkwistende mildheid en onmatige

prachtlievendheid zooveel van haar schatten verslond. Voor den

Romeinschen staat, dien de historicus hier vertegenwoordigde, beteekende

het enkele bestaan van dezen man onrust zonder einde en burgeroorlog.

Bij de herstelling op den troon van den fluitspeler, door Gabinius en

Marcus Antonius, was Timagenes in slavernij geraakt. Ofschoon het hem

te Rome, waar de zoon van Sulla den geschiedschrijver vrijgekocht had,

gelukt was grooten invloed te verkrijgen, toch had hij een afkeer van

Antonius behouden, en daarom was hem de taak om in zijn vaderstad

zijn invloed tegen hem te gebruiken, welkom geweest. Hij hoopte door

Archibius, wiens trouwe gehechtheid aan de Koningin hem bekend was,

begrepen te worden. En ook Arius, Barine's oom, die vroeger de studiën

van Octavianus had geleid, moest hem steunen. Doch de krachtigste

medewerking bij zijn zending hoopte hij te vinden bij den grijzen

Alexander-priester, het opperhoofd der geheele Aegyptische

priesterheerschappij.

Aan hem had hij bewezen dat Antonius in ieder geval een verloren man

was, en Aegypte op het punt stond om Octavianus als een rijpe vrucht

in den schoot te vallen. Het zou nu spoedig in zijne macht staan om aan

het land zooveel vrijheid en zelfstandigheid over te laten als hij goed

vond. Ook over het lot der Koningin had de Cæsar alleen te beschikken,

en ieder die wenschte haar op den troon gehandhaafd te zien, zou eerst

de gunst van Octavianus dienen te winnen.

Dat alles had de wijze Anubis zich zelf ook reeds gezegd, doch Timagenes

maakte hem het eerst opmerkzaam op Arius, als op den Alexandrijn dien

Octavianus het meest vertrouwde. Zoo was dan ook de hooge prelaat

in het geheim met Barine's oom in betrekking gekomen. Doch de

eerbied-afdwingende waardigheid en de gebreken van zijn hoogen leeftijd

weerhielden Anubis er van Arius, die reeds van vriendschap met de

Romeinen werd verdacht, persoonlijk op te zoeken. Daarom had hij zijn

vertrouwden schrijver, den nog jongen waarzegger Serapion gezonden, om

in zijne plaats te spreken met Octavianus' vriend, die door zijn zware

kwetsuur nog altijd verhinderd werd het huis te verlaten en naar hem toe

te komen.

Gedurende de onderhandelingen van Timagenes met den secretaris en Arius,

was Archibius gekomen om Barine's oom te overreden een poging te doen

tot redding van zijn nicht. Allen die het goed meenden met de Koningin,

moesten haar in dezen tijd van onrust gaarne terughouden van een daad,

die, daar zij ook den Raadsheer Dion betrof, een deel der burgerij

tegen haar in het harnas jagen moest. Daarom had de afgezant van den

Alexanderpriester, zoodra men hem in het vertrouwen genomen had, zich

dan ook volkomen bereid getoond alles te doen wat in zijn vermogen

stond, tot redding der bedreigden. Om den persoon van Barine, noch om

dien van Dion was het bij hem te doen--wèl ware hij bereid geweest een

nog grooter offer te brengen om den machtigen Archibius en vóór alles

Arius, die bij het nieuw opgaande licht, Octavianus, zooveel invloed

had, voor zich te winnen.

Juist toen de mannen aan het beraadslagen waren wat er tot redding van

Barine te doen viel, was de Nubische verschenen en had aan Archibius

toevertrouwd, wat er aan Dion's ziekbed afgesproken was met den

vrijgelatene en Gorgias. De vlucht der vervolgden zou alleen mogelijk

zijn wanneer zij de boot der redding onbemerkt konden bereiken, en dit

zou het beste bewerkstelligd kunnen worden door de onderaardsche gang,

die de bouwmeester weder opengesteld had.

Nu had Archibius, wien de afgevaardigde van den opperpriester zijn

medewerking had toegezegd, de verzamelde mannen in zijn vertrouwen

genomen, en Arius had voorgesteld dat zijn nicht Barine in den

Isistempel met Dion verbonden, en daarna beiden door de geheime gang

naar de boot gebracht zouden worden. Dit denkbeeld was goedgekeurd, en

de waarzegger Serapion had beloofd het heiligdom, na het vertrek van de

processie, dat na zonsondergang zou plaats hebben, een korten tijd voor

de vluchtenden en de huwelijksvoltrekking vrij te houden. Voor dien

dienst mocht hij van Octavianus' vriend, die zijn belofte met zulk een

warme erkentelijkheid had aangenomen, al zeer spoedig een anderen

vragen.

De priesters, zeide de waarzegger, beschermden altijd de onrechtvaardig

vervolgden, en aan deze schonken zij hunne hulp des te gereeder,

naarmate het hen meer verheugde de Koningin te behoeden voor een daad

die onvergefelijk zou zijn.

Wat de vluchtelingen betrof, hen stonden, dacht hem, slechts twee

mogelijkheden open: Cleopatra zou zich blijven vasthouden aan Marcus

Antonius en--wat de goden mochten verhoeden--met hem te gronde gaan, of

hem opofferen, en troon en leven behouden. In beide gevallen zouden de

geredden zonder gevaar terug kunnen komen. Het hart der Koningin was

goedertieren, en waar geen schuld was, kon zij nooit lang vertoornd

blijven. Vervolgens was het plan in bijzonderheden besproken door

Archibius, de Nubische en vrouw Berenice, die zich tijdelijk bij het

gezin van Arius bevond, en daarna had men alles aan den bouwmeester

medegedeeld.

Evenmin als aan zijn zuster, had Archibius aan de beraadslagende mannen

en Barine's moeder toevertrouwd, waarheen de jonggehuwden de wijk

zouden nemen. Ook omtrent de zending van Timagenes en de staatkundige

vraagstukken die hem zoo ernstig bezighielden, deelde hij Charmion

slechts zooveel mede, als zij ter verklaring van het avontuur, waaraan

zij met zooveel liefde medehielp, noodig had te weten. Zij zelve had

ook niet begeerd meer te hooren, want zoo lang zij onderweg waren, had

de vrees dat Cleopatra haar zou missen en Barine's vlucht ontdekt zou

worden, haar geen rust gelaten. Wel had zij even melding gemaakt van den

wensch der Koningin om aan Archibius de opvoeding harer kinderen toe te

vertrouwen, doch eerst in haar woning was het haar mogelijk geweest

daarvan nog meer te zeggen.

Haar afwezigheid was onopgemerkt gebleven. De Regent, Mardion had de

processie ontvangen in naam der Koningin, want Cleopatra was uitgereden

naar de stad, niemand wist met welk doel.

Met een verlicht hart kwam Charmion met haar broeder in hare vertrekken

terug. Anukis deed de deur voor hen open. Niemand was haar komen

storen, en Archibius vond er een genoegen in, aan de verstandige,

trouwe vrijgelatene met eigen mond alles te kunnen verhalen. Hij had de

nederige dienares, die daarnaar luisterde als naar eene openbaring, niet

rijker kunnen beloonen dan met deze geringe moeite. Toen hij haar ten

slotte zijn dank uitsprak, wees zij dien met den meesten nadruk af,

en verzekerde dat het aan haar stond, erkentelijk te zijn. Haar fijne

geest had nauwkeurig het onderscheid opgemerkt in de wijze, waarop een

hooggeplaatste spreekt tot zijns gelijken of tot een mindere, en nu had

hij, bij wien voor haar alles wat man heette, verre achterstond, haar

den geheelen loop der gebeurtenissen beschreven alsof zij zijns gelijke

was. Zelfs de Koningin had met zulk eene mededeeling tevreden kunnen

zijn.

Toen zij heenging om zich aan het overige dienstpersoneel te vertoonen,

zeide zij tot zich zelve, dat zij toch een boven velen bevoorrecht

schepsel was, en toen een jonge kok haar plaagde met haar korten hals,

gaf zij lachend ten antwoord: »Mijn schouders zijn zoo in de hoogte

blijven staan, omdat ik ze zoo dikwijls heb opgehaald over de gekken die

mij uitlachen, en die toch niet half zoo gelukkig en dankbaar zijn als

ik."

Charmion was doodelijk vermoeid in een leunstoel neergevallen, en

Archibius nam tegenover haar plaats. Zij waren altijd gaarne bij

elkander, doch heden was beiden het hart zoo vol, dat het hen ging

als de afgematten, die van vermoeidheid den slaap niet kunnen vinden.

Hoeveel hadden zij elkander niet te zeggen, en toch duurde het een

geruime poos eer Charmion het stilzwijgen verbrak en terug kwam op

den wensch der Koningin. Zij verhaalde haar broeder hoe Cleopatra op

die gedachte gekomen was door het huisje dat de kinderen zelf hadden

gebouwd, hoe hartelijk en vriendelijk zij was geweest, maar hoe zij met

dat al, een oogenblik later, bij het enkele noemen van den naam Barine,

haar zoo onbarmhartig en vertoornd weggezonden had.

»Ik weet niet wat gij van plan zijt te doen," besloot zij, »maar hoe

ik haar ook liefheb, moet ik voor mijzelve misschien het moeielijkste

besluit nemen; want, zie! indien zij hoort dat ik het was die de dochter

van Leonax aan haar en den snooden Alexas ontvoerde, welk lot staat mij

dan niet van haar te wachten, te meer daar Iras niet meer zoo aan mij

gehecht is als vroeger, en mij van hare zijde reeds heeft getoond, dat

zij de liefde en de zorgen die ik haar bewezen heb, vergeten is.--Dat

zal nog toenemen, en het ergste is dat, wanneer de Koningin haar bij mij

gaat voortrekken, ik--wanneer ik rechtvaardig wil zijn--haar dat niet

tot verwijt mag maken, want zij is scherpzinniger dan ik, en heeft een

levendiger geest. Mij heeft de staatkunde van het begin af tegengestaan;

Iras daarentegen heeft alles over voor de vergunning om mede te mogen

spreken, waar het aankomt op de regeering van het land en vooral op het

nooit rustende ernstige spel met Rome en zijne regeering."

»Dit spel is reeds verloren," zeide haar broeder met zulk een ernst, dat

Charmion opsprong en zacht en angstig herhaalde: »Verloren?"

»Voor altijd," verzekerde Archibius, »als niet...."

»Den goden zij dank,--toch nog een »als"...."

»Als niet Cleopatra besluit tot een daad die haar dwingt ontrouw te

worden aan haar zelve, en haar edel beeld te schenden voor alle eeuwen."

»Waardoor?"

»Wanneer gij er ook van hooren moogt, het zal altijd nog te vroeg zijn."

»En als zij dat doet, Archibius? Gij zijt de man, dien zij het meest

vertrouwt. Zij zal aan uwe hoede toevertrouwen wat zij meer liefheeft

dan zich zelve."

»Meer liefheeft? Indien ik u goed begrijp, dan denkt gij aan de

kinderen."

»De kinderen, ja! Honderdmaal ja--die heeft zij boven alles lief! Geloof

mij--voor hen zou zij bereid zijn in den dood te gaan."

»Laat ons dat hopen."

»En gij--als zij de ontzettende daad begaat.... ik kan slechts vermoeden

wat gij bedoelt.... Doch als zij afdaalt van de hoogte, waarop zij zich

tot nu toe staande gehouden heeft--zoudt gij dan nog bereid zijn...."

»Voor mij," viel hij haar met kalmte in de rede, »is het de vraag niet

meer wat zij zal doen of niet doen. Zij is ongelukkig, en zal nog

dieper, veel dieper zinken. Dat weet ik, en juist dat dringt mij haar

met opoffering van alle krachten te dienen. Ik behoor aan haar, zoo goed

als de kluizenaar die zich aan Serapis heeft gewijd, aan zijn god. Ieder

van zijn gedachten is voor hem. Den god, die hem schiep, wijdt hij

lichaam en ziel tot in den dood, dien hij over hem beschikt. De banden

die mij hechten aan deze vrouw--gij kent de oorsprong daarvan--zijn niet

minder onverbrekelijk. Wat zij wenscht en wat mij bij de vervulling

daarvan, niet dwingt mij zelven te verachten, dat sta ik haar bij

voorbaat toe."

»Zoo iets" riep Charmion uit, »zal zij zeker niet verlangen van den

vriend harer jeugd." Daarop ging zij naar hem toe, strekte hare beide

handen naar hem uit, en ging met blijde ontroering voort: »Zóó moest gij

juist gevoelen en spreken, en daarin ligt ook het antwoord op de vraag,

die sinds gisteren mijn ziel bezig houdt. De vlucht van Barine, de

genade en ongenade van onze gebiedster, Iras, mijn arm hoofd dat voor

staatkunde terug deinst, terwijl Cleopatra juist in dezen tijd een

scherpzinnige vertrouweling noodig heeft...."

»In het geheel niet," viel haar broeder haar in de rede. »Het komt

alleen aan mannen toe haar in deze dingen raad te geven. Ik verwensch

dat gewauwel van vrouwen aan de toilettafel! Dat heeft reeds menigen wel

doordachten raad der verstandigste mannen in den wind doen vervliegen,

en nooit kon het staatsbeleid van eene Iras noodlottiger worden dan

juist nu, indien het lot niet reeds het laatste woord gesproken had."

»Dus dit bezwaar is ook opgeheven!" riep Charmion levendig uit, »dan

weet ik voor mij zelve wat ik doen zal! Zooals altijd, wijst gij mij ook

nu weder den rechten weg. Het is waar, ik had het mij verrukkelijk

schoon voorgesteld op het landgoed dat wij Irenia--Vrede-oord--noemden,

of te Kanopus in het lieve, kleine paleis, de jaren die mij nog gegeven

zullen worden, in rust door te brengen, en terug te keeren tot alles wat

onze kinderjaren zoo heerlijk heeft gemaakt. De philosofen, de bloemen

in den tuin, de dichters--ook die nieuwe Romeinsche, waarvan Timagenes

ons zulke verrukkelijke proeven zond, zouden onze eenzaamheid

veraangenamen. Het kind, de dochter van den man, van wiens liefde ik

afstand deed, en misschien later ook hare knapen en meisjes, zouden voor

mij als mijn eigen kinderen zijn. Even dierbaar als zij Leonax zouden

geweest zijn, zoo hartelijk zou ik ook hen hebben bemind.--Zóó heb ik in

stille uren dikwijls de toekomst gezien. Maar dezelfde Charmion, die,

toen haar hart nog warmer klopte en het leven voor haar open lag, hare

eerste vurige neigingen offerde op het altaar der vriendschap voor hare

vorstelijke speelnoot, zou die nu, uit zelfzuchtige beweegredenen,

Cleopatra in het ongeluk verlaten? Neen! Neen!--Evenals gij, behoor ook

ik--er kome van wat wil--aan de Koningin!"

Van zijne instemming overtuigd, zag zij haar broeder in het gelaat, doch

deze maakte een handgebaar en antwoordde met ernst: »Neen, Charmion!

Wat ik als man op mij neem, zou voor u noodlottig kunnen worden.... Het

tegenwoordige is niet zoet genoeg om dat te verbitteren met alsem uit de

toekomst. En toch!.... Gij moet een enkelen blik slaan in haar duister

rijk om mij te verstaan. Gij kunt zwijgen, en wat gij hooren zult,

blijft een geheim tusschen ons beiden. Slechts één ding," en hij liet

zijn stem dalen, »slechts één kan haar redden: de moord van Antonius

of een schandelijk verraad, dat hem in de handen van Octavianus doet

vallen. Dat is het wat Timagenes mij heeft doen inzien."

»Dat?" vroeg zij dof, en liet haar grijzend hoofd op de borst vallen.

»Ja, dat is het," herhaalde hij met vastheid. »En als zij voor de

verzoeking bezwijkt en ontrouw wordt aan de liefde die haar gansche

leven heeft doorstroomd, zooals de Nijl het land harer vaderen, dan,

Charmion, blijf haar dan, onder iedere voorwaarde getrouw, en hecht u

vaster aan haar dan ooit; want dan, zuster, zal zij ongelukkiger zijn,

tien- honderdmaal ongelukkiger dan wanneer Octavianus haar alles,

misschien zelfs het leven ontneemt."

»En dus verlaat ik haar niet, maar wat er ook gebeurt, ik blijf bij haar

tot aan het eind," riep Charmion met vuur. Doch Archibius sloeg geen

acht op deze geestdrift en warmte, die zijne kalme zuster anders niet

eigen waren, en ging bedaard voort: »Zij heeft ook u voor zich gewonnen,

en het schijnt u nu onmogelijk toe u van haar los te scheuren. Velen

is het evenzoo gegaan, en dat heeft niemand tot schande gestrekt. Het

ongeluk is als het ijzer, dat alledaagsche naturen als een zwaard van

elkander scheidt, en edele als met een hamer des te vaster aaneen

smeedt. Het schijnt u daarom juist nu dubbel moeilijk haar te verlaten;

maar gij hebt liefde noodig. Het recht om te leven en uzelve te behoeden

voor den droevigsten achteruitgang, komt u even goed toe als die

merkwaardige vrouw op den troon. Houd aan haar vast zoolang gij zeker

zijt van hare liefde, en blijf haar getrouw door alles heen, tot aan het

eind. Doch de redenen die u van haar willen aftrekken en voeren tot de

boeken, de bloemen en de kinderen, wegen zwaar, en als het u ontbreekt

aan den dauw van hare liefde en genade, dan zie ik reeds hoe gij

jammerlijk wegkwijnen zult. De koude die van Cleopatra uitgaat, wanneer

haar hart voor u is verkoeld, de speldeprikken die Iras u, die weerloos

zijt, geven zal, zouden u te gronde richten. Dat mag zoo niet zijn,

zuster, dat willen wij verhoeden.... Neen, laat mij uitspreken! Ik heb

den raad dien ik hoop dat gij volgen zult, goed overwogen. Indien gij

bemerkt dat de Koningin u nog altijd liefheeft als in vroeger dagen,

blijf dan bij haar; doch als gij het tegendeel ondervindt, zeg haar dan

morgen reeds vaarwel. Mijn Irenia is het uwe..."

»Maar zij bemint mij, en als zij dat niet meer deed..."

»De toetssteen daarvan ligt voor de hand. Wij zullen aan haar zelve de

beslissing overlaten. Gij bekent haar dat gij het waart die Barine

hielpt om zich te onttrekken aan haar straffende hand."

»Archibius!"

»Zoo gij dat niet doet, zoudt gij een geheele keten van leugens moeten

smeden. Let wel op, of het kleine in haar karakter, dat haar dreef om de

dochter van Leonax in de hand van een onwaardige te geven, sterker is

dan het groote! Onderzoek of zij de zelfopofferende trouw, die gij haar

uw geheele leven hebt gewijd, wel waard is. Als zij, in weerwil van deze

bekentenis, voor u blijft wat zij altijd is geweest...."

Hier werd hij in de rede gevallen door de Nubische, die kwam vragen of

hare meesteres, ondanks het late uur, Iras nog even zou willen te woord

staan.

»Laat haar binnenkomen," antwoordde Archibius na een vluchtigen blik van

verstandhouding op zijn zuster die nog zeer bleek zag, sedert hij haar

dien eisch had gesteld. Dat merkte hij op, en zoodra de dienares zich

had verwijderd, greep hij Charmions hand en zeide met vertrouwelijke

hartelijkheid: »Ik heb u alleen maar mijn gevoelen gezegd, maar op onzen

leeftijd moet men met zich zelve te rade gaan, en gij zult ook ditmaal

zeker toch wel het rechte vinden."

»Ik heb het al gevonden," zeide zij zacht en met neergeslagen oogen.

»Dit bezoek heeft mij tot een spoedig besluit gebracht. Zoover mag het

met mij niet komen, dat ik mij voor Iras moet schamen!"

Nauwelijks had zij deze woorden geuit, of de jongere vertrouweling der

Koningin kwam de kamer binnen. Zij was gejaagd, en terwijl zij in de

welbekende vertrekken onderzoekend rondzag, zeide zij na een korte

begroeting: »Niemand weet, waarheen de Koningin gereden is. Mardion

heeft reeds in hare plaats de processie ontvangen. Heeft zij u in haar

vertrouwen genomen?"

Charmion antwoordde ontkennend, en vroeg op hare beurt of Antonius al

aangekomen was, en hoe zij dien gevonden had.

»Treurig," luidde het antwoord. »Ik heb mij zooveel ik kon gehaast om de

Koningin terug te houden van een mogelijk bezoek aan hem. Doch zij was

reeds afgewezen. Het is ontzettend."

»De ontgoocheling van Parætonium komt nog bij de overige ongelukken,"

merkte Archibius op.

»Dat is een veertje in vergelijking met het andere," voegde Iras er

misnoegd bij. »Welk een tooneel! Een ineengekrompen ziel, die nooit

overgroot was, in het lichaam van een reus. De afstammeling van Herakles

is door zijn tegenspoed geheel ineen gezonken. De zwakke man zal den

fieren moed der Koningin nog met zich medetrekken in het stof."

»Laat ons alle krachten inspannen om dat te verhinderen," hernam

Archibius met vastheid; »de goden hebben u en Charmion aan hare zijde

geplaatst, om haar te ondersteunen wanneer de kracht haar ontzinkt. Nu

is het de tijd om te toonen wie gij zijt."

»Ik ken mijn plicht," gaf Iras bits ten antwoord.

»Bewijs dat dan!" zeide Archibius ernstig. »Gij meent reden te hebben om

vertoornd te zijn op Charmion."

»Wie zoo hartelijk is voor mijne vijanden, zal het zeker wel zonder mijn

vriendschap kunnen doen. Waar is uw beschermeling nu?"

»Dat zult gij later wel hooren," antwoordde Charmion en trad haar nader.

»Als het u bekend wordt, zult gij echter meenen nog meer recht te hebben

om aan mijne liefde te twijfelen; maar niet om u te krenken, alleen om

een wezen dat mij dierbaar is, voor ongeluk te behoeden, ben ik tusschen

u en Barine gekomen. En nu wil ik u dit zeggen: Wanneer gij mij gekwetst

hadt tot in merg en been, en alles waaraan een Griekenhart waarde hecht

mij opriep om mij daarover te wreken,--dan toch zou ik mij nu, juist nu,

den dwang aandoen om aan deze neiging geen gehoor te geven, omdat er in

deze borst een liefde leeft, die sterker en machtiger is dan de felste

haat. Deze liefde hebben wij gemeen. Wees verbolgen op mij, tracht mij,

die u tot nu toe als een moeder ter zijde stond, leed te doen en nadeel

te berokkenen, doch wacht u mij te berooven van die kracht en vrijheid,

die ik noodig heb om aan mijne gebiedster te geven wat ik kan. Ik sprak

er zooeven met mijn broeder over, of het voor mij niet geraden zou zijn

Cleopatra te verlaten."

»Nu?" viel Iras driftig uit. »Neen, neen! dat niet! Dat mag niet zijn.

Zij kan u niet missen, nu minder dan ooit."

»Misschien beter dan u" verzekerde Charmion, »doch in vele opzichten

zouden mijn diensten inderdaad moeilijk te vervangen zijn."

»Door niemand onder de zon," riep Iras met warmte uit. »Als zij ook u in

deze dagen verliezen moest...."

»Er komen nog donkerder dagen dan deze," viel Archibius haar in de rede,

alsof hij zeker van zijn zaak was. »Misschien zult gij het reeds morgen

hooren. Het hangt mede van uw gedrag af, of Charmion aan haar wensch

naar rust zal toegeven, of blijven bij de Koningin. Gij wilt dat zij

blijven zal, en daarom moet gij haar het volharden niet al te moeilijk

maken. Wij drieën, mijn kind, zijn wellicht de eenigen aan het hof, wien

het geluk der Koningin nader aan het hart ligt dan ons eigen, en daarom

moeten wij niet gedoogen dat het geringste misverstand, wat dat ook zij,

onze eendracht verstoort."

Iras wierp het hoofd achterover, en riep in hevigen toorn uit: »Was ik

het dan misschien, die iets tegen u heb misdreven? Ik zou niet weten

hoe. Maar Charmion en gij--hoe lang hebt gij het reeds geweten, dat

dit hart zich ook voor een andere liefde had geopend; maar gij--juist

gijlieden, plaatstet u tusschen mij en hem, op wien mijn hart van

jongsaf heeft gehoopt; gijlieden, gij hebt de brug gelegd die Dion met

Barine verbindt. Ik had de gehate vrouw in mijn macht, om haar aan hem

te ontrukken, en ik dankte de goden daarvoor--maar gijlieden--het is nu

niet moeilijk meer te raden wat gij mij nog verzwijgen wilt--gij zult

haar helpen, of hebt dat reeds gedaan, om mij te ontkomen. Gij hebt mij

de wraak ontstolen, gij hebt de zangeres teruggebracht op den weg, waar

hij haar vinden moet, op wien ik een beter en ouder recht heb dan zij.

En hij zal zich misschien toch nog wel bedenken wie van ons beter

geschikt is, zijn echtgenoot te zijn, indien ten minste Alexas en zijn

waardige broeder er niet voor zorgen dat wij weldra tevreden moeten zijn

met een doode in liefde te gedenken. Weet dus, dat ik niet het gevoel

heb u nog iets verschuldigd te zijn, maar geloof dat Charmion voor al

het goede dat zij mij bewezen heeft, ruimschoots betaald is."

Hierop liep zij ijlings naar de deur, maar op den drempel bleef zij

staan, en riep nog eens in de kamer: »Zóó is het met mij gesteld; maar

daarom ben ik toch bereid hand in hand met u, als met een vriendin, in

alles de Koningin te dienen, want ook gij zijt, zooals ik reeds zeide,

noodig tot haar welzijn. In al het overige ga ik zonder u mijn eigen

weg."

Cleopatra: historische roman van George Ebers · 第 25 / 46 题