Charmion ging nu naar hare woning terug. Wat reeds zoo menigmaal het
geval was geweest, was het ook nu weder. Zoo vaak zij de diepte van
gemoed, de mannelijke geestkracht, den rusteloozen ijver, de waakzame
zorg van Cleopatra voor haar land, de moederlijke toewijding dezer
zeldzame vrouw het vurigst had bewonderd, was zij op jammerlijke wijze
ontgoocheld.
Dan had zij het moeten aanzien hoe de Koningin, om een droom uit de
sprookjeswereld harer kindsheid te verwezenlijken, en haar geliefde
daarmede te verrassen, ontzettende sommen verkwistte, die zoodoende
aan de welvaart harer onderdanen onttrokken werden; hoe zij groote
en gewichtige zaken liet achterstaan bij de ijdele en angstvallige
verzorging harer eigene persoon; hoe kleingeestige jaloerschheid haar
de rechtvaardigheid en goedheid deed vergeten die haar anders eigen
waren; hoe zij, de vriendelijkste en meest vrouwelijke van alle
gebiedsters, in een toornige opwelling tegen een ondergeschikte zich tot
onrechtvaardigheid toe vergat, wanneer diens manier van doen haar met
verontwaardiging vervulde. Dezelfde eerzucht, die haar van nature eigen
was en haar de schoonste en roemrijkste harer daden ingegeven had, was
meer dan eens de drijfveer geworden tot handelingen, waarvan zij later
berouw had. Zooals zij het als kind reeds niet had kunnen hebben dat
een ander haar in het oplossen van moeilijke vraagstukken overtrof,
zoo had zij altijd de behoefte behouden om, waar zij zich vertoonde, de
eerste te zijn en zich nooit geëvenaard te zien. Misschien lag daarom de
voornaamste oorzaak van haar bitteren wrok tegen de ongelukkige Barine
in de omstandigheid, dat Antonius haar de wedergade van een armband had
vereerd, dien zij zelve droeg als een geschenk van haar geliefde.
Charmion had dikwijls gezien hoe Cleopatra menig onrecht, ja zelfs
menige beleediging gewillig en grootmoedig had vergeven, maar zich door
haar gemaal gelijkgesteld te zien in wat het ook zij, met eene Barine,
kon haar licht onverdragelijk voorgekomen zijn;--daarbij gaf hetgeen met
Cæsarion was gebeurd, ten gevolge van den dwazen hartstocht, dien de
jonge vrouw bij hem had gewekt, haar het recht hare mededingster te
straffen.
Vol vrees voor het lot van haar beschermeling, diep geschokt, en daarbij
afgemat naar lichaam en ziel, naderde Charmion hare woning. Dáár hoopte
zij verkwikking te vinden in de weldadige, gelijkmatig opgeruimde
stemming van Barine; daar wachtten haar de trouwe, zorgzame handen van
hare bruine dienares en vertrouweling.
De zon neigde reeds ten ondergang, toen zij de voorzaal betrad. De
wachter, die op post stond, deelde haar mede, dat er niets belangrijks
was gebeurd, en met een verruimd hart ging zij het woonvertrek binnen.
Evenwel, terwijl anders de Aethiopische haar met vriendelijke woorden
tegemoet kwam om haar den sluier en mantel af te nemen, en de schoenen
uit te trekken, was er ditmaal niemand om haar te ontvangen. Eerst in
het aangrenzend vertrek, dat zij aan hare gast had aangewezen, vond zij
Barine met roodgeweende oogen.
In Charmions afwezigheid was haar een brief van Alexas gebracht, waarin
deze haar schreef, dat zij den volgenden morgen vroeg op bevel der
Koningin een verhoor bij hem moest ondergaan. Haar zaak stond slecht,
doch als zij hem niet door die hardheid, die hem vroeger reeds zooveel
smart had berokkend, zijn plicht nog zwaarder maakte, dan zou hij zijn
uiterste best doen, om haar te behoeden voor gevangenschap, dwangarbeid
in de groeven, of nog erger dingen. Het onvoorzichtig spel, dat zij
met den Koning Cæsarion had gedreven, had het volk helaas tegen haar
vertoornd. Hoe diep dat ging bewees de woede, waarmede men het huis
van haar grootvader Didymus had omvergehaald. Dion, die zich misdadig
vergrepen had tegen den edelen zoon der Koningin, zou door niets voor
de verbolgenheid der volksmenigte te bewaren zijn. Hij, Alexas, wist
wel dat zij in dien Dion een vriend en beschermer verloor; doch hij was
geneigd om zijn plaats in te nemen, wanneer haar gedrag het hem hem niet
onmogelijk maakte genade met recht te vereenigen.
Deze boosaardige brief, die Barine een zachte behandeling beloofde
tot den prijs van hare gunst, zonder dat Alexas daardoor in zijn
hoedanigheid als rechter zichzelven aan de kaak stelde, verklaarde
Charmion, waarom zij de dochter van haar vriend zoo diepbewogen vond.
Wel gaf het haar een kleine verlichting om aan haar afschuw en wrok
tegen Alexas uitdrukking te geven, zoo sterk als haar zachtzinnige
aard dat maar vergunde, maar toch bleven angst, bekommering en
verontwaardiging in haar bedrukte ziel om den voorrang strijden.
Men zou verwacht hebben dat de jonge vrouw met haar levendigen geest,
beproefd had alles te weten te komen wat Charmion bij de Koningin en
Archibius had uitgericht, en wat er voor Cleopatra voor gewichtigs in
staat en stad was gebeurd; maar met veel hartelijke belangstelling vroeg
zij alleen naar den toestand van haar geliefde, van wien zij allerlei
dingen wilde hooren, waarvan Charmion niets kon zeggen. Zij had bij haar
kort bezoek aan Dion's legerstede niet vernomen hoe hij zijn eigen lot
en dat van Barine droeg, hoe hij de toekomst tegemoet zag, en wat hij
daarvan verwachtte.
Dat Charmion juist deze vragen met stilzwijgen beantwoordde, deed de
vrees der arme bedreigde niet weinig toenemen, daar zij niet alleen
zich zelve, maar ook hen, die zij het meeste liefhad, in zulk een groot
gevaar zag. Zij drong er bij hare gastvrouw nog meer op aan haar te
verlossen uit die slingering, die nog moeilijker te verdragen was dan de
vreeselijkste zekerheid; doch noch over Cleopatra's bedoelingen, noch
omtrent het lot en de verblijfplaats van hare grootouders en Helena kon
zij haar iets naders meedeelen. Hierdoor klom haar angst, want indien de
berichten van Alexas waarheid behelsden, dan moesten de haren nu zonder
dak zijn. Toen Charmion eindelijk bekende dat zij Dion slechts even had
gezien, voelde de arme gepijnigde ziel ten laatste hoe al de kracht van
het in stilte dragen van haar leed gebroken was.
Zij, die altijd zoo rijk was geweest in hoop, die, als het licht van den
avond verdween, zich reeds verheugde op het morgenrood van den volgenden
dag, zag nu reeds in Cleopatra's hand de schrijfstift, waarmede zij het
doodvonnis van haar zelve en van haar geliefde onderteekende. Met het
oog van haar geest zag zij de haren, en hoe het instortende huis hen
verpletterde, of hoe zij bloedden onder de steenen, geworpen door de
woedende menigte. Zij hoorde Alexas den beul bevel geven om haar op
de pijnbank te brengen, en zij dacht dat de Nubische niet naar huis
terugkeerde omdat zij Dion niet gevonden had. Zeker hadden de trawanten
der Koningin hem, met ketenen geboeid, naar de gevangenis gevoerd, in
dien niet reeds Philostratus het volk had overreed hem door de straten
te sleepen.
Met een koortsachtige opgewondenheid, die Charmion te meer deed
schrikken, omdat het in de dochter van haar vriend zoo iets vreemds
was, liet Barine haar al de schrikbeelden zien die hare door doodsangst,
smachtend verlangen, liefde en afschuw gefolterde phantasie haar
voortooverde. Charmion deed alles wat zij kon om haar tot rust te
brengen en aan de wanhoop te ontrukken; nu eens bestrafte zij haar, dan
weder overlaadde zij haar met liefkoozingen, doch niets hielp. Eindelijk
slaagde zij er in de ongelukkige te overreden met haar aan het venster
te gaan staan, vanwaar zij een verrukkelijk schouwspel konden gadeslaan.
In het Westen, achter het Heptastadium, midden tusschen het mastbosch
in de haven van Eunostus, ging de zon onder, en Charmion, die van de
kinderen der Koningin had geleerd hoe men een geschokt jong hart de rust
moest wedergeven, wees hare beschermeling op het gloeiende avondrood aan
den westelijken horizont, in de hoop dat hare gedachten daardoor op iets
anders gericht zouden worden. Zij vertelde haar daarbij hoe haar vader,
de schilder, haar opmerkzaam had gemaakt op den prachtigen lichtgloed,
dien de kleuren aannemen op dezen tijd van den dag, ook al gloeide de
avondhemel niet zoo sterk als ditmaal het geval was.
Maar Barine, die zich op andere dagen aan zulk een tooneel niet
verzadigen kon, was haar daar nu niet dankbaar voor, want deze
zonsondergang deed haar denken aan een anderen, dien zij zoo kort
geleden aan de zijde van Dion had bewonderd, en opnieuw barstte zij in
hevig snikken uit.
Nu wist Charmion geen raad meer. Zij legde haar arm om Barine's
schouder; op hetzelfde oogenblik werd de deur geopend en Anukis, de
Nubische trad binnen.
Hare meesteres wist wel, dat het niets verkeerd kon zijn wat haar zoo
lang van haar post bij Barine verwijderd had gehouden. Zeker was haar
zelfs iets gewichtigs wedervaren, dat haar kracht op sterke proeven had
gesteld. Dat bewees haar geheele uiterlijk. Haar glanzend bruine huid
had een aschgrauwe tint gekregen, haar hoog, met krullend haar omgeven
voorhoofd was vochtig, en de volle lippen waren bleek geworden.
Hoewel zij zich vreeselijk moest hebben ingespannen, scheen zij
toch geen rust te behoeven. Zij groette de beide vrouwen haastig,
verontschuldigde zich over haar lang uitblijven, en deelde Barine mede
dat zij Dion nu werkelijk bijna hersteld had gezien, doch toen verzocht
zij haar meesteres met een enkelen blik van verstandhouding, om haar te
volgen naar het nevenvertrek. Toch was aan de beangstigde jonge vrouw
die beteekenisvolle blik der Nubische niet ontgaan, en door nieuwe vrees
overvallen, wilde zij alles hooren wat er gebeurd was.
Charmion gebood hare dienares dan ook te spreken. Anukis verzekerde,
eer zij begon, dat de tijdingen die zij medebracht, werkelijk zeer
goed waren,--alleen stelden zij groote eischen aan den moed en de
standvastigheid van Barine, die zij trouwens gehoopt had anders weder te
zien. Er was geen tijd te verliezen. Een uur na het ondergaan der zon
werd zij op de afgesproken plaats verwacht.
Hier viel Charmion haar in de rede met den uitroep: »Onmogelijk!" en
herinnerde haar aan de wachters, die Alexas, volgens overeenkomst met
Iras, die in het paleis woonde, reeds den vorigen dag in de voorzaal en
aan alle uitgangen, zelfs onder de vensters, had geplaatst.
Doch de Nubische verklaarde dat zij dat alles reeds had bedacht; alleen
moest zij, om tijd te winnen, Barine verzoeken om onder het spreken zich
het haar te laten zwart verwen en krullen.
De verrassing, die op het bedroefde gelaat der jonge vrouw eensklaps
zichtbaar werd, deed Anukis uitroepen:
»Laat ons vol vertrouwen de hand aan het werk slaan. Gij zult spoedig
alles vernemen. Er is veel te verhalen. Onderweg heb ik mij voorgenomen
alles zorgvuldig achter elkander te vertellen, maar ik zie dat het niet
gaat. Neen, neen! Wie een kudde schapen uit den brandenden stal wil
halen, trekt eerst den belhamel er uit--de hoofdzaak bedoel ik,--en
daarmede, al behoort die eigenlijk pas bij het einde, wil ik dan nu
beginnen. De uitlegging hoe dat alles is gegaan...."
Doch hier viel Barine haar in de rede met den blijden uitroep: »Ik moet
vluchten, en Dion weet er van, en zal mij volgen! Ik zie het aan uw
gezicht."
Inderdaad verried elke trek op het leelijke gelaat van de Nubische
dat het iets verblijdends was, wat haar gemoed vervulde. Stoute
ondernemingsgeest straalde uit haar zwarte oogen, en een vriendelijke
glimlach verfraaide haar grooten mond met de dikke lippen, terwijl zij
antwoordde:
»Zulk een verliefd hart verstaat de kunst van waarzeggen beter dan de
eerste profeet van den grooten Serapis. Ja, jonge meesteres, hij dien
gij bedoelt, moet uit deze gevaarlijke stad, waar u beiden zooveel
gevaar dreigt, verdwijnen. Hem zal het stellig gelukken, en, als de
goden ons bijstaan, en wij verstandig en moedig zijn, ook u.--Wie weet,
hoe spoedig gij elkander zult wederzien! Van welke zijde de hulp komt,
zeg ik u later. Nu komt het er het allereerst op aan u te veranderen, en
wel--heb daar maar geen spijt van!--in het allerleelijkste: in de bruine
Anukis. In hare gedaante moet gij uit dit paleis vluchten. Nu weet gij
het, en terwijl ik het noodige uit mijn kleerenkast ga halen, verzoek ik
u, meesteres, te bedenken, hoe wij de zwarte verf zullen krijgen voor
het kleuren van deze ivoren huid en dit gouden haar."
Zij verliet de kamer, doch Barine wierp zich aan de borst van haar
vriendin, en riep half schreiend, half lachend uit: »Al moest ik ook
altijd zoo bruin en krom blijven als de trouwe Aisopion, als hij mij
zijn liefde maar niet onttrekt, zou ik door het vuur en het water willen
gaan,--ik zou.... o, Charmion, wat wisselt sneller in ons hart dan
vreugde en smart? Op dit oogenblik zou ik aan iedereen, zelfs aan uwe
Koningin, die mij toch al die vrees berokkend heeft, een weldaad willen
bewijzen!"
De wanhopige vrouw van zoo even was door de nieuw opgewekte hoop in een
overgelukkige veranderd, en Charmion zag dat met dankbaarheid aan,
terwijl zij in stilte wenschte, dat de Koningin dezen uitroep mocht
hebben gehoord.
Zij begon nu al de haarkleurmiddelen die Cleopatra had afgekeurd, en
waarvan zij daardoor een grooten voorraad in haren medicijnkist had, aan
een nauwkeurig onderzoek te onderwerpen, doch onder die bezigheid zag
zij achter al hetgeen nog onopgehelderd was en dat haar in verwarring
bracht, nieuwe groote gevaren. Barine echter zag over die alle heen de
vertroostende wedervereeniging met haar geliefde, die haar wachtte, en
was vol vroolijke opgewektheid, toen Anukis terugkwam.
Nu begon onverwijld het werk der vermomming, en terwijl de Nubische de
handen repte, stond ook haar mond geen oogenblik stil, en zoo kreeg
Barine allengs het geheele verhaal te hooren van al wat er op dien
gewichtigen dag voorgevallen was. Zij luisterde met toenemende spanning,
en hare vreugde vermeerderde naarmate zij meer zag van den weg, dien de
zorg en het beleid harer vrienden voor haar hadden gebaand. Daarentegen
werd Charmion steeds stiller en ernstiger, hoe duidelijker zij het
gevaar zag, dat haar beschermeling tegemoet ging. Toch moest zij
bekennen dat het een misdaad zou zijn, tegen de veiligheid, misschien
tegen het leven van Barine, indien zij haar van dit wel overlegde plan
tot vluchten afhield.
Dat zij het ondernemen moest, stond bij haar vast, doch nu het oogenblik
naderde dat het geliefde kind zich in gevaar begeven moest; nu zij
zichzelve moest bekennen dat zij een plan steunde, dat tegen het
uitgesproken bevel der Koningin indruischte, en daarmede iets beoogde
waarvan het welslagen Cleopatra's misnoegen, ja zelfs haar toorn dreigde
op te wekken,--nu werd zij daardoor pijnlijk aangedaan. Voor zichzelve
koesterde zij geen vrees. Geen oogenblik dacht zij aan de slechte
gevolgen, die Barine's vlucht voor haar zelve kon hebben. Het eenige
wat haar drukte was het besef, dat zij voor het eerst handelde tegen
den uitdrukkelijken wil van haar, wier wenschen te vervullen en wier
pogingen te steunen, tot nu toe de dierbaarste plicht van haar leven was
geweest. Wel bedacht zij ook dat zij, door Barine te helpen vluchten,
Cleopatra behoedde voor naberouw, wel was zij vast overtuigd dat zij dit
schoone jonge leven, welks bloesems door storm en vorst werden bedreigd,
op het oogenblik dat het reinste geluk haar was weggelegd, moest
trachten te redden; maar met dat al bracht deze daad, hoe loffelijk ook
op zichzelve, haar in botsing met het voornaamste streven en trachten
van haar bestaan. En hoeveel hooger stond in hare schatting de vrouw,
die--zij durfde het niet indenken--die zij op het punt was te verraden,
dan die andere: hoe veel meer aanspraak op hare liefde en trouw had
Cleopatra niet bij haar verworven!
Zou zij iets anders dan dankbaarheid kunnen gevoelen, indien het
reddingsplan gelukte? En toch kon zij slechts met tegenzin haar hand
uitsteken om de fraaie, goed geëvenredigde gestalte van Barine op de
mismaakte der Nubische te doen gelijken, of de vinger in de zalf te
doopen, die eigenlijk voor Cleopatra was bestemd. Ook om de schoonheid
der blonde haarvlechten van de jonge vrouw ging het haar aan het hart,
een deel daarvan te moeten afsnijden.
Toch, zou de vlucht gelukken, dan was dat alles niet te vermijden, en
hoe verder Anukis kwam met haar verhaal, des te minder tegenwerpingen
vond hare meesteres. Alleen reeds het door de Nubische afgeluisterd
gesprek tusschen Iras en Alexas, maakte het noodzakelijk om Barine
en haar verloofde aan de macht van zulke vijanden te onttrekken. Het
scheen inderdaad alsof het lot zelf den bouwmeester Gorgias aan Dion's
legerstede bijeengebracht had met den trouwen man, dien Anukis bij hem
gevonden had, wiens naam zij nu niet noemde, doch van wiens woonplaats
zij verzekerde: dat de mol onder den grond geen veiliger schuilplaats
bezat dan hij. Ook dat de bouwmeester juist vrijen toegang tot de
onderaardsche gangen van den Isistempel gekregen had, geleek een wonder.
De verstandige Aisopion had eerst nu, nadat zij haar omtrent de
hoofdzaak had ingelicht, aan hare meesteres een tafeltje in de hand
gegeven, waarop te lezen stond: »Vooraf een groet van Archibius aan zijn
zuster Charmion. Indien ik u goed ken, dan valt het u even moeilijk als
mij, deel te nemen aan dit avontuur, maar toch moet dat geschieden ter
wille van de nagedachtenis van haar vader, en om het geluk en het leven
van zijn kind te redden van den ondergang. Daarom is het uwe taak Barine
te brengen naar den tempel van Isis in den Muzenhoek. Daar zal zij haar
geliefde vinden en, als het kan, met hem in den echt vereenigd worden.
Ik zelf zal voor het offer daarbij zorgen. Zoodra de verbintenis heeft
plaats gehad, zal het u vergund zijn naar huis terug te keeren. Daar het
heiligdom zoo spoedig kan worden bereikt, behoeft gij maar voor korten
tijd den dienst te verlaten. Zeg aan Barine nog niet welke plannen wij
met haar hebben. De teleurstelling kon te groot zijn, wanneer het
onuitvoerbaar zou blijken te zijn."
Deze brief en de zaak, waarop hij het uitzicht opende, veranderde de
welwillende doch gedrukte gezindheid van Charmion in den blijden, ja
geestdriftvollen wensch om hare hulp te verleenen. Het huwelijk van
Barine met den man wien haar hart toebehoorde, was nu mogelijk geworden,
en zij was de dochter van Leonax, die eenmaal dierbaar was geweest aan
haar eigen hart. Alle vrees en twijfel waren plotseling vervlogen, en
toen Aisopion haar vermommingswerk had volbracht en Barine tegenover
haar stond als een Nubische met hoogen rug en een bruin, gerimpeld
gezicht, toen moest zij bekennen dat het niet moeilijk zou vallen in
deze gedaante uit het paleis te ontsnappen.
Thans deelde zij ook aan Barine mede, dat zij van plan was haar zelve
te vergezellen, en ofschoon de jonge vrouw zich met haar geverfd gelaat
er van onthouden moest haar vriendin te kussen, zoo gaf zij toch in
de volheid van haar hart aan haar en de trouwe vrijgelatene duidelijk
genoeg te kennen, welk een groote dankbaarheid haar ziel deed ontroeren.
De Nubische bleef alleen achter. Eerst ruimde zij naar gewoonte
zorgvuldig alle sporen harer werkzaamheid op; daarna hief zij biddend
hare armen omhoog en smeekte de goden van haar vaderland om bescherming
voor de schoone vrouw aan wie zij haar eigen misvormde gedaante, die nu
toch ergens voor diende, had geleend en die nu zulke groote gevaren te
gemoet ging, doch tegelijkertijd een geluk, waarop het lot haar reeds
alle hoop had ontzegd.
Charmion had haar bevolen, indien Iras niet bijtijds van den Choma
teruggekeerd zou zijn en de Koningin haar noodig mocht hebben, haar dan
te verontschuldigen en te zeggen, dat zij onverwachts was uitgegaan,
terwijl zij zelve dan in hare plaats den dienst moest waarnemen. Immers
was het gedurende den veldtocht ook eens voorgekomen dat, toen Charmion
plotseling onwel werd, aan Aisopion de zorg voor hare persoon werd
overgelaten, en deze had daarbij toen veel lof ingeoogst.
Zooals gewoonlijk wanneer de vertrouwde der Koningin uitging om inkoopen
te doen, werd zij gevolgd door een bruine vrouw. In de gangen van
het uitgestrekte paleis waren reeds de lampen en lantaarns, op de
binnenpleinen de fakkels en pekpannen aangestoken; maar hoe helder
die ook op verscheidene plaatsen brandden, en hoeveel lijfwachten,
officieren, eunuchen, beambten, schrijvers, trawanten, koks, bewakers
en slaven, poortwachters en boden zij ook voorbijgingen, geen van allen
schonk hen meer dan een vluchtigen blik.
Zoo kwamen zij tot aan het laatste binnenplein, doch toen kwam er een
oogenblik waarin de beide vrouwen dachten dat haar hart stilstond, want
zij ontmoetten den man, van wien zij het ergste te vreezen hadden: den
Syriër Alexas. En hij ging de vluchtelingen niet voorbij maar hield
Charmion staande, en deelde haar beleefd, ja zelfs nederig mede, dat hij
van die lastige zaak van haar beschermeling, die hem zeer tegen zijn zin
op de schouders was gelegd, gaarne ontslagen wilde zijn. Daarom had hij
besloten, den volgenden dag in alle stilte Barine in het verhoor te
nemen.
De lijfslaaf van den Syriër volgde zijn heer, en terwijl deze met
Charmion sprak, wendde die zich tot de gewaande Nubische, gaf haar een
lichten stoot tegen den schouder, en fluisterde haar toe: »Heden avond,
evenals gisteren. Gij zijt ons nog het slot der geschiedenis van Prins
Setnau schuldig."
Het was de vluchtende Barine op dat oogenblik te moede alsof zij stom
geworden was, en nooit weder het gebruik van haar spraakvermogen
terugkrijgen zou. Toch kon zij het er toe brengen met het hoofd te
knikken, en tegelijk maakte de gunsteling een buiging voor Charmion.
De slaaf moest hem volgen, maar zij kwam met haar beschermster door de
poort tusschen de laatste pylonentorens eindelijk in de open lucht. Daar
woei haar de zeelucht opwekkend en verfrisschend tegen, als een groet
uit het rijk der vrijheid en des geluks, en hoe vreesachtig zij ook was,
kreeg zij thans, midden in het gevaar zooveel tegenwoordigheid van geest
terug, dat zij haar vriendin kon meedeelen wat de lijfslaaf van Alexas
haar had toegefluisterd, opdat Aisopion hem dien avond daaraan
herinneren kon, en hem versterken in het geloof, dat niet zij, maar de
Nubische de vertrouweling der Koningin had begeleid.
De weg naar den Isistempel was kort. Zij zagen aan de sterren dat
zij op het rechte tijdstip het doel van hun tocht konden bereiken;
doch onverwachts hadden zij een tweede oponthoud. Van de trappen, die
naar het inwendige van het heiligdom leidden, kwam hen een optocht
tegemoet, die geen einde scheen te willen nemen. Vooraan werd door acht
pastophoren het beeld van Isis gedragen. Daarop volgde de korfdraagster
der godin met eenige andere priesteressen, en de voorlezer met
het opengeslagen boek. Achter hem aan kwamen de vier profeten; de
opperpriester, hun aanvoerder liep vol waardigheid onder een baldakijn.
De overige priesters der godin droegen geschriften, heilige voorwerpen,
standaards en kransen. De priesteressen, onder welke eenige met
loshangend haar en fraaie kransen, het sistrum of klapperblik van Isis
schudden, mengden zich in den stoet der geestelijken, en paarde hare
hooge stemmen aan die der zingende mannen. Neokoren of tempeldienaars en
een groot aantal aanbidders en aanbidsters van Isis besloten den stoet,
allen bekranst, en met bloemen in de hand. Fakkel- en lantaarndragers
verlichtten den weg, en de geur van den wierook, die opsteeg uit het
kolenbakje in de hand van een bronzen arm, die door pastophoren heen en
weder werd gezwaaid, omzweefde de processie en vervulde nog lang daarna
de lucht.
De wachtende vrouwen zagen hen den kant van de Lochias uitgaan, en
vernamen uit de gesprekken der omstanders, dat zij aan »de nieuwe Isis",
de Koningin, den groet der godin gingen brengen, en tot doel hadden haar
mede te deelen hoe trouw zij ook in nood en gevaar aan haar dacht.
Cleopatra kon niet anders dan dit vriendelijk huldeblijk aannemen, en
was daarom verplicht zich te vertoonen met de kronen van het vereenigde
koninkrijk Aegypte op het hoofd en in vol priesterlijk ornaat. Alleen
de beide vertrouwde kamervrouwen waren in staat haar daarbij in alle
bijzonderheden die het gebruik voorschreef, behulpzaam te zijn. Aan
dienstdoende vrouwen van lager rang als de Nubische was, had zij dit
nooit overgelaten. Dus zou Cleopatra de afwezige Charmion toch missen.
Dit vervulde deze met nieuwe onrust, en toen eindelijk de trappen weder
vrij waren, vroeg zij zichzelven af hoe dat alles zou eindigen.
Bovendien scheen het werkelijk, alsof de vluchteling en hare gezellin
zich te vergeefs hadden blootgesteld aan zulk een groot gevaar. Eenige
tempeldienaars drongen de aanwezigen, die het heiligdom wenschten te
bezoeken, terug, en riepen de menigte toe, dat het tot aan de terugkomst
der processie gesloten bleef.
Barine zag hare beschermster angstig vragend aan, doch eer deze nog haar
gevoelen kon uiten, kwam hen reeds op de trappen van den tempel de hooge
gestalte van een man tegemoet. Het was Archibius, en hij beval haar met
kalmte en ernst dat zij hem zouden volgen. Nu leidde hij haar zwijgend
rondom het heiligdom naar een zijpoort, waardoor een oogenblik te voren
ook een draagstoel met begeleiders binnengelaten was.
Langs vele trappen in het inwendige van het lang uitgestrekte gebouw
kwamen zij in de zwak verlichte cella.
Zooals in den tempel van Osiris te Abydos zeven zuilengangen waren,
vond men er hier drie, die naar even zooveel kamers leidden, die het
Sanctuarium van het heiligdom vormden. De middenzaal was aan Isis
gewijd, die ter linkerzijde daarvan aan haar gemaal Osiris en ter
rechter aan Horus, den zoon der groote godin. Daarvóór verhieven zich in
de schemering slechts half zichtbaar de altaren, die op Archibius' bevel
met offergaven waren bedekt.
Naast dat van Horus stond de draagstoel, die vóór de vrouwen uit, in den
tempel was gebracht, en daaruit stapte nu, door zijn vrienden
ondersteund, een slanke, jonge man.
Plotseling dreunde in de zuilenzaal een doffe slag. Het was de ijzeren
hoofdpoort van den tempel die dichtgeslagen werd. Het knarsend geraas
dat daarop volgde, ontstond door de metalen grendels, die een oude
neokore dichtgeschoven had. Barine kromp van schrik ineen, maar vroeg
evenmin naar de oorzaak van deze geluiden, als zij al het overige
opmerkte dat zich in rijken overvloed aan haar oog vertoonde. De man,
die daar aan den arm van een ander naar het altaar ging, was Dion, de
geliefde die om harentwil zich in dit gevaar begeven had. Haar blik
bleef op hem rusten, haar geheele ziel ging hem tegemoet, en zonder te
weten wat zij deed, riep zij luide zijn naam.
Verschrikt zag Charmion den kring der omstanders rond, doch weldra
haalde zij diep adem en was weer gerust gesteld, want de lange man die
Dions arm ondersteunde, was de wakkere bouwmeester Gorgias, zijn beste
vriend, en die andere, die nog grooter en forscher was, haar broeder
Archibius. De gedaante, die zich daar van hare vermomming ontdeed, was
vrouw Berenice, Barine's moeder. Enkel vertrouwde vrienden dus! Alleen
den jongen aardigen ephebe, die naast haar broeder stond, kende zij
niet.
Barine, die zij nog altijd aan den arm hield, trachtte zich nu van haar
los te maken om haar moeder en den geliefden man tegemoet te ijlen; maar
Archibius ging naar haar toe, en vermaande haar op zachten toon geduld
te hebben, en zich te onthouden van alle vragen of begroetingen, »altijd
in veronderstelling," zoo besloot hij, »dat het volgens uw wensch is
hier, voor het altaar, in den echt verbonden te worden met Dion, den
zoon van Eumenes."
Charmion voelde hoe bij dit vooruitzicht Barine's arm op den haren
beefde, doch de jonge vrouw volgde den wenk van haar vriend. Zij wist
eigenlijk niet wat er met haar gebeurde, en of zij, in de overmaat van
de zaligheid die haar deel werd, luid zou juichen van vreugde, of stille
tranen storten van dankbaarheid en ontroering.
Alle omstanders hadden tot nu toe gezwegen. Nu nam Archibius uit de
hand van den verloofde een rol, stelde zichzelven aan de aanwezigen
voor als kyrios of voogd der bruid, en vroeg Barine of zij hem als
zoodanig erkende. Daarop gaf hij aan Dion het geschrift, dat het
huwelijkscontract bevatte, spoedig terug, daar hij den inhoud kende en
goedkeurde. Vervolgens deelde hij de aanwezige mede, dat zij hem bij dit
huwelijk dat met zooveel spoed gesloten moest worden, ook beschouwen
moesten als paranymph of leidsman en vrouw Berenice als leidsvrouw der
bruid. Daarop ontstaken zij een fakkel aan het vuur van een der altaren.
Archibius legde nu als kyrios naar Aegyptische, de moeder der bruid als
leidsvrouw naar Grieksch gebruik, de handen der verloofden in elkander,
en Dion gaf hierbij aan zijne uitverkorene een eenvoudigen ijzeren ring.
Dat was dezelfde die zijn vader bij zijn eigen huwelijk aan zijn vrouw
gegeven had, en hij fluisterde haar in het oor: »Mijn moeder stelde dien
op hoogen prijs; nu is het aan u, dit oude kleinood in eere te houden."
Nadat Archibius had verklaard dat de noodige offers gebracht waren aan
Isis en Serapis, Zeus, Hera en Artemis, en dat de echtverbintenis
tusschen Dion, den zoon van Eumenes en Barine de dochter van Leonax,
voltrokken was, drukte hij hen beiden de hand.
Het scheen dat de tijd drong, want hij vergunde aan vrouw Berenice en
aan zijn zuster nog slechts één oogenblik om Barine te omhelzen, en
Gorgias om haar en Dion de hand te drukken. Daarop gaf hij een wenk, en
de moeder der jonggehuwden volgde hem, wegsmeltend in haar tranen, en
Charmion verbijsterd en als het ware bedwelmd. Niet eerder dan toen een
oude neokore haar met de beide anderen door de zijpoort in de open lucht
had gebracht, werd het haar recht duidelijk, welke gewichtige
gebeurtenis zij als getuige had bijgewoond.
Barine zelve was het te moede alsof ieder oogenblik haar uit een zaligen
droom kon wekken, en toch bekende zij zichzelve met blijdschap dat zij
wakker was, want die man die daar aan den arm van zijn vriend voortliep,
was Dion. Zij zag echter bij het flauwe schijnsel in de slecht verlichte
tempelzalen wel dat hij pijn leed. Het gaan scheen hem zoo moeilijk te
vallen, dat het haar verheugde toen hij gehoor gaf aan het verzoek van
Gorgias om weder in den draagstoel te stappen.
Maar wie zouden hem dragen? Dat zou zij spoedig genoeg gewaar worden,
want terwijl zij nog naar hen uitzag, hadden de bouwmeester en de
ephebe, in wien zij reeds lang den jongen Philotas, den helper van haar
grootvader had herkend, de stokken gegrepen.
»Volg ons," riep Gorgias haar op gedempten toon toe, en zij gehoorzaamde
en bleef vlak achter den draagstoel gaan, terwijl deze eerst langs
een breede trap, daarna langs een smalle, en eindelijk door een gang
gedragen werd. Hier stuitten de vluchtelingen op een deur;--doch de
bouwmeester opende die en hielp zijn vriend uitstappen. Vóór zij nu
verder gingen, plaatste hij den stoel in een vertrek waar allerlei
gereedschappen lagen, en dat hij bij het onderzoek van de onderaardsche
tempelzalen had ontdekt.
Tot nu toe was tusschen de vluchtelingen geen enkel woord gewisseld.
Thans riep Gorgias Barine toe: »De gang is laag.--Gij moet bukken. Bedek
uw hoofd, en schrik niet wanneer vleermuizen om u heen vliegen; die zijn
sinds lang niet in hunne rust gestoord geworden. Wij hadden u ook uit
den tempel naar de zee kunnen laten brengen en u daar opwachten, maar
dat zou licht in het oog gevallen en gevaarlijk geworden zijn. Moed
gevat, jonge echtgenoote van Dion. De gang is niet kort, en het zal
moeilijk vallen vooruit te komen--maar bij den weg naar de steengroeven
vergeleken, is hij effen en gemakkelijk als een koninklijke heirbaan.
Als gij denkt aan den eindpaal van den tocht, dan zullen de vleermuizen
u voorkomen als zwaluwen, die de naderende lente aankondigen."
Zij knikte hem dankbaar toe, en kuste Dion die nu aan den arm van zijn
vriend, met moeite voortliep, de hand. Het licht van de fakkel, die de
trouwe opzichter van Gorgias voor hen uit droeg, viel juist op hare
bruingeverfde armen, en gedurende den verderen tocht hield zij zich
achter de anderen. Zij dacht dat het haar geliefde smartelijk kon zijn
haar zoo misvormd weder te zien, en spaarde hem dat, hoe gaarne zij ook
dichter in zijn nabijheid gebleven ware. Zoodra de gang nog lager werd
namen de vrienden den herstellende in hunne armen, en nu hadden zij een
moeilijk werk te verrichten, want zij moesten diep gebukt voortloopen
met den last van dien langen man en zich tegelijk verweren tegen de
vleermuizen, die door de fakkel van den opzichter bij troepen werden
opgejaagd.
Barine's hoofd was wel-is-waar bedekt, maar op een anderen tijd zouden
de leelijke dieren, die telkens vlak langs haar hoofd en armen vlogen,
haar toch met ontzetting en afschuw vervuld hebben. Nu sloeg zij er
bijna geen acht op, want haar blik hing aan den man die daar in liggende
houding op de armen der dragers rustte, wien zij toebehoorde met lichaam
en ziel, en wiens geduldig gedragen lijden haar door de ziel sneed.
Zijn hoofd lag tegen de borst van Gorgias, die dicht vóór haar liep.
Zij kon het niet zien, omdat de bouwmeester er zich overheen boog, maar
zij zag naar de voeten van haar echtgenoot, en zoo menigmaal die zich
samentrokken, meende zij te voelen dat hij pijn leed. Dan zou zij gaarne
naar hem toe zijn gegaan om in de benauwde, lage gang zijn voorhoofd
te drogen, en hem een vriendelijk bemoedigend woord van liefde toe te
fluisteren. Somtijds werd haar dat ook vergund, wanneer de vrienden even
den zwaren last lieten rusten. Het was trouwens altijd maar voor een
kort oogenblik dat zij zich dat veroorloofden, maar het was toch lang
genoeg om haar te doen zien, hoe de krachten van den lijder afnamen.
Toen zij eindelijk het doel van den tocht hadden bereikt, moest Philotas
den uitgeputten man met alle kracht ondersteunen, terwijl Gorgias
behoedzaam de gesloten poort opende. Deze kwam uit boven een vrije hooge
trap, die naar zee leidde, vlak naast den tuin van Didymus. Zij was die
trap als kind menigmaal met haar broeder afgegaan om een klein bootje op
het water te laten drijven.
De bouwmeester hield de deur slechts half open, en het bleek dat hij
verwacht werd; want weldra hoorde zij hem fluisteren en plotseling ging
de poort geheel open. Een lange man nam Dion op, en droeg hem naar
buiten. Terwijl Barine hem met ingehouden adem nazag, kwam een andere,
die niet minder groot was, haar tegemoet, verzocht haar haastig zich dat
te laten welgevallen, hief haar als een kind in zijne armen op, en zoo,
terwijl zij de koele nachtlucht inademde en het water, dat de drager met
haar doorwaadde, tot haar opsprong en hare voeten nat maakte, zocht haar
blik den jongen echtgenoot; doch zij vond hem niet, want de nacht was
donker, en de lichten aan de kust konden deze plaats niet bereiken, daar
de hooge muren van de kade dit beletten.
Zij ontstelde daarvan, maar een oogenblik later kwamen uit de
duisternis, waarin de havenlichten slechts een zwak schijnsel gaven, de
omtrekken van een groote visschersboot te voorschijn: onmiddellijk zette
de sterke man die Barine droeg, haar in het schip neder, en een diepe
stem fluisterde haar toe: »Alles in orde. Aanstonds breng ik u
versterkenden wijn."
Daar zag zij haar echtgenoot, voor wien men op de voorplecht een leger
had bereid, bewegingloos liggen. Zij boog zich over hem heen en bemerkte
dat hij het bewustzijn verloren had. Zij wreef zijn voorhoofd met wijn,
legde zijn hoofd op haar schoot, sprak hem zachtjes toe, vernieuwde bij
het licht van eene kleine lantaarn, het verband op zijn schouder, en
bemerkte onder dat alles niet dat de boot het water doorkliefde. Eerst
toen de schippers het driehoekige zeil omwendden kwam zij tot het besef
daarvan.
Niemand had haar nog gezegd waarheen de reis ging, maar zij vroeg daar
ook niet naar. Het was overal goed, waar zij maar bij hem mocht zijn.
Hoe eenzamer de plek, waar hij haar heen voerde, hoe meer zij samen
zouden kunnen zijn. Hoe vol dank en liefde was haar hart! Zij boog zich
over hem heen, kuste zijn voorhoofd en dacht terwijl zij den heeten
koortsgloed daar van voelde: »Ik zal u verplegen totdat gij weder gezond
zijt."
Daarbij richtte zij oog en hart naar boven om haar lievelingsgod, aan
wien zij de gave van den zang verschuldigd was, en die alles wat rein
en schoon is, onder zijne bescherming neemt, Phoebus Apollo, te danken,
en te smeeken het licht van den nieuwen morgen te doen opgaan over een
herstellende. Terwijl zij nog bad, kwam de boot aan land. Alweder werden
zij en haar geliefde door krachtige armen naar den oever gedragen, en
zoodra haar voet vasten grond onder zich voelde, verbrak haar redder,
de vrijgelatene Pyrrhus, het stilzwijgen en zeide: »Gemalin van Dion,
ik heet u welkom op ons eiland. Gij zult het hier wel is waar voor
lief moeten nemen; doch als het u bij ons even goed bevalt, als het ons
verheugt u te dienen en uw heer, die ook de onze is, dan zal het uur van
scheiden nog lang op zich laten wachten."
Nu ging hij haar voor in zijn huis, en wees haar als haar toekomstige
woning twee groote witgepleisterde vertrekken aan, die geen ander
sieraad bezaten dan de uiterste zindelijkheid.
Op den drempel stond Pyrrhus' vrouw, wier haren reeds begonnen te
grijzen, een jonge vrouw en een meisje, dat nauwlijks de kinderschoenen
ontwassen was. De oudste verwelkomde Barine op eerbiedige wijze, en
verzocht haar eveneens het zich als gast bij haar te willen aangenaam
maken. In de zuivere lucht op het Slangeneiland kon men spoedig genezing
vinden. Zij zelve en--zij wees op de andere--de vrouw van haar oudsten
zoon en haar eigen dochter Dione zouden haar gaarne op hare wenken
bedienen.