Archibius had zich zoo geheel in het verleden verdiept, dat hij eenigen
tijd noodig had om tot het tegenwoordige terug te keeren. Hij sprak nu
met de vrouwen af wanneer zij gereed moesten zijn tot het vertrek.
Het viel vrouw Berenice zeer moeilijk haar overreden broeder in de
stad achter te laten, en Barine had gaarne vóór het afscheid Dion
nog eens gezien. Ook vonden beiden het hard Alexandrië te verlaten,
eer de beslissende tijding van leger en vloot aangekomen was. Zij
verzochten daarom nog eenige dagen uitstel, maar met een vastheid,
die den beminnelijken vriend veranderde in een strengen gebieder,
wees Archibius dat af, en verklaarde dat zij den volgenden dag vóór
zonsondergang tot het vertrek gereed moesten zijn. Zijn Nijlboot zou in
de Agathodemonhaven voor haar klaar liggen, en dan zouden zij in zijn
reiswagen, met zooveel slavinnen en kisten als zij wilden meenemen,
verder gebracht worden. Vervolgens herinnerde hij haar op zachten toon
aan de onaangenaamheden die een langer verblijf in de stad haar op den
hals kon halen, verontschuldigde zijn gestrengheid met den haast dien
hij had, drukte moeder en dochter de hand, en ging heen. Barine riep
hem nog eens terug, maar hij deed alsof hij dat niet hoorde. Zijn wagen
bracht hem spoedig aan de groote haven.
De wassende maan weerspiegelde als een zilveren zuil trillend in het
golvend water, en verlichtte den zoelen herfstnacht. Verderop stond de
zee zeker hol; dat zag men aan de beweging der schepen, die voor anker
lagen in den hoek, gevormd door den prachtigen Poseidontempel en den
Choma. Dat was een landtong, die zich als een vinger in de zee
uitstrekte, en aan welker punt een klein paleis stond. Cleopatra had dit
voor Antonius laten bouwen om hem te verrassen, nadat hij zich een enkel
woord daarover had laten ontvallen. Een ander paleis van wit marmer op
het eiland Antirrhodus blonk in den maneschijn tegenover de plaats van
afvaart, en op grooter afstand nog zag men een helder vuur branden. Op
den beroemden, hoogen vuurtoren op het eiland Pharus, aan den ingang
van de haven, flikkerden de vlammen, door den wind bewogen, op en neer.
Daardoor werd de gezichteinder en het kalme havenwater tot aan den
uitersten rand met beweegelijke lichtmassa's overstroomd, die nu eens
sterker dan weer flauwer de duisternis verhelderden.
Aan de haven was het, in weerwil van het late uur, nog levendig, en
de wind was zoo hevig, dat de mantels der mannen dikwijls over hun
hoofd waaiden, en de vrouwen hare kleederen moesten vasthouden. Het
handelsverkeer was wel is waar afgeloopen, maar velen waren hier gekomen
om nieuwstijdingen op te doen, of het eerst terugkomende schip van de
zegepralende vloot te begroetten. Niemand twijfelde er immers aan of
Antonius had in den slag tegen Octavianus de overwinning behaald. De
haven werd goed bewaakt, en juist was een afdeeling Syrische ruiters
uit de kazerne ten zuiden van den Lochias naar den kant van den
Poseidontempel getrokken. Hier, en niet in de Eunostushaven, die van de
andere was gescheiden door den breeden op een brug gelijkenden dam van
het Heptastadium, die op zijne beurt weder het vasteland met het eiland
Pharus verbond, moesten de koninklijke schepen het anker uitwerpen. In
deze buurt stonden de paleizen en tuighuizen en daarom moesten alle
berichten hier het eerst gebracht worden. De andere haven was alleen ten
gebruike voor den handel bestemd, en het was verboden dat pas aankomende
schepen hier binnenliepen, omdat het verspreiden van valsche geruchten
voorkomen moest worden.
Trouwens, men kon moeilijk verwachten zelfs in de groote haven eenig
nieuws te vernemen, want de geheele opening was versperd door een keten,
die van de punt van het eiland Pharus af, tot een tegenoverliggende klip
aan den Alveus Steganus liep. Maar als er een schip van den staat met
gewichtige tijdingen aan mocht komen, dan kon die afsluiting weggenomen
worden, en daarop hoopten de talrijke zwervers aan den oever.
Velen van hen kwamen van feestmalen, uit gaarkeukens, herbergen of van
nachtelijke bijeenkomsten van godsdienstige secten, maar aller opgewekte
stemming werd gedempt onder den druk van een bange verwachting. Waar
Archibius zijn blikken wendde, overal zag hij gespannen en angstige
gelaatstrekken. Ook moesten velen om den wind zich voorover buigen, en
al de wapperende vlaggen, en opstijgende stofwolken vermeerderden nog de
onrust van het geheele tooneel.
Op het oogenblik dat het schip van wal stak en de roeiers de riemen
grepen voelde de eigenaar daarvan zich zóó gedrukt, dat hij bijna niet
meer durfde hopen een goede tijding te zullen hooren.
Zijn verhaal had lang verleden dagen als het ware weer uit het graf doen
verrijzen, en terwijl hij van zijn bank op het achterdek opzag naar den
hemel, waar de sterren telkens verduisterd werden door voorbij vliegende
wolken, trok menig tooneel van vroegeren tijd aan zijn geestesoog
voorbij.
»Wat kan men veel onder zijn woorden verbergen, zonder zich nog schuldig
te maken aan een leugen," dacht hij, toen hij alles nog eens naging, wat
hij aan de vrouwen had verhaald.
Ja zeker, hij was al vroeg Cleopatra's vertrouweling geweest, maar
hoe had hij haar bemind, hoe was hij met hart en ziel haar toegedaan
geweest! Zij moest dit niet alleen vermoeden: hij had het haar duidelijk
genoeg getoond en bekend. En zij.... zij had dat aangenomen, als een
recht dat haar toekwam. Toen hij slechts éénmaal had beproefd, in een
overvloeiend gevoel van teederheid, haar in de armen te sluiten, had
zij hem met ontevreden hooghartigheid afgeweerd. Maar een betuiging van
liefde is een misdaad, die de hoogstgeplaatste den geringste toch altijd
weer vergeven kan, en reeds enkele uren later was Cleopatra hem met de
oude, hartelijke vertrouwelijkheid tegemoet gekomen.
Nu dacht hij ook weder aan al de kwellingen die hij had doorgestaan, in
den tijd toen hij moest aanzien hoe zij door Antonius werd geboeid. Die
Romein was toenmaals nog maar als een even snel verschenen als verdwenen
meteoor door haar leven heengegleden, maar allerlei dingen hadden
verraden dat zij hem niet vergeten kon. Hare liefde voor den grooten
Caesar had Archibius zonder smart bij haar zien ontkiemen en opgroeien,
doch toen zij zich te Tarsus aan den Kydnos met Antonius verbonden had,
was er in zijn hart een pijnlijk gevoel van afgunst ontwaakt. Thans
waren zijne haren vergrijsd, en al had niets zijn vriendschap voor de
Koningin verzwakt, al was hij ten allen tijde bereid haar te dienen,
toch had dit dwaze gevoel zich nog niet voor goed laten onderdrukken,
en telkens weder maakte het zich van zijn gansche ziel meester. Hij
ontkende geenszins de goede eigenschappen van Antonius, maar hij zag
ook dat de zwakke zijden van zijn karakter veel meer in 't oog loopend
waren. Telkens wanneer zijne gedachten zich bezig hielden met dit hooge
paar, ging het hem als een kunstkenner, die het edelste kleinood uit
zijn verzameling moet afstaan aan een rijkaard die de waarde ervan niet
kent, en het eene verkeerde plaats geeft.
Met dat al wenschte hij den Romein van harte een schitterende
overwinning toe, want zijne nederlaag zou ook die van Cleopatra zijn, en
zou zij de gevolgen daarvan kunnen dragen?
Het schip naderde nu den lichtkring aan den voet van den Pharus, en
juist wilde Archibius het sein geven om de keten te doen wegnemen, toen
hij in den stilte van den nacht zijn naam hoorde roepen.
Het was Dion, die hem riep. Hij zat in een der booten, die aan den
ingang van de haven op de golven dobberden, en had den snelzeiler van
Archibius herkend aan den kop van Epicurus aan den voorsteven, die door
het licht der lantaarns beschenen werd. Cleopatra had dit schip voor
haar vriend laten bouwen en het met dit kopstuk doen versieren. Dion
wenschte nu bij hem te komen, en weldra stonden beiden op het dek.
Hij was op het eiland Pharus geland en in een herberg voor matrozen
binnengegaan, om daar te vragen, of iemand ook iets wist; maar niemand
had iets zekers durven vertellen. De wind kwam nog altijd van de
landzijde, en daardoor konden de grootere vaartuigen alleen met de hulp
van roeiers de Aegyptische kust bereiken. Eerst sinds kort was de wind
van het Zuiden naar het Zuidoosten omgeloopen, en een ervaren Rhodisch
stuurman had verzekerd dat hij »nooit weder een beker wijn aan zijn mond
zou zetten," als hij nu morgen of overmorgen niet uit het Noorden kwam.
Was dat het geval, dan konden er schepen en tijdingen bij dozijnen te
gelijk naar Alexandrië komen; dat was te zeggen, had de grijskop met een
uittartenden blik op den fijnen heer uit de stad er bij gevoegd, indien
men die voorbij den Pharus of door het Poseidon-bekken in den Eunostus
liet binnenloopen. Met zonsondergang had hij aan den horizont reeds
zeilen meenen te zien, maar de vlugste watervogel werd een egel, als
de wind hem tegen was, en zelfs zijn zwempooten vasthield. Anderen
verzekerden hetzelfde, en gaarne zou Dion daarom uitgezeild zijn in
de open zee om ze op te zoeken. Hij was echter geheel alleen in een
gebrekkig huurbootje geweest, en dit had de haven niet mogen verlaten.
Zijn vermoeden dat voor Archibius iedere weg openstond, had hem niet
bedrogen, en spoedig werd de ketting voor den »Epicurus" weggenomen. Nu
kliefde het schip, door den Zuidoosten wind gedreven, met volle zeilen
den vloed.
In het Noorden werd een flauw licht zichtbaar, dat zich heen en weer
bewoog. Dat kon niet anders zijn dan een schip. Nu had wel de stuurman
in de herberg op Pharus, die er zelf had uitgezien alsof hij niet enkel
koopvaardijschepen had bevaren, gesproken van vaartuigen die aan
bezoekers aan boord niets ten geschenke gaven, maar toch vreesden
de mannen op den goed uitgerusten, stevigen »Epicurus" niet voor
zeeroovers, te meer daar de dag weldra aanbreken zou, en hij juist twee
zware oorlogsschepen, die de Regent had uitgezonden, voorbijgestevend
was.
De sterke wind blies in de zeilen, roeien zou vergeefs zijn geweest en
het licht in de verte scheen naar hen toe te komen. Reeds was in het
Oosten een bleeke lichtstreep te zien, toen de Epicurus het vaartuig
met het licht naderde. Dit scheen echter voor het Alexandrijnsche schip
te willen uitwijken, en wendde zich plotseling naar het Noordoosten.
Nu overlegde Archibius met Dion of het de moeite waard kon zijn den
vluchteling te achtervolgen. Het was een klein vaartuig, dat in de
flauwe schemering een Cilicisch zeerooversschip van de kleinste soort
scheen te zijn.
Welke de bemanning ook mocht zijn, het beproefde en talrijke scheepsvolk
van den veel grooteren Epicurus behoefde die niet te vreezen. Bovendien
had de kapitein op de vloot van Sextus Pompejus gediend en reeds menig
zeerooversschip geënterd.
Toch vond Archibius het dwaasheid zonder noodzaak een strijd aan te
gaan, doch Dion was in een stemming om ieder gevaar, wat het ook ware,
te trotseeren. Ging het op leven en dood--welnu des te beter!
Hij had aan zijn vriend de booze vermoedens van Iras meegedeeld. Het
stond zeker niet goed met de vloot, en als de kleine Ciliciër niets voor
hen te verbergen had, dan zou hij hen niet uit den weg zijn gegaan.
Daarom was het stellig van belang te vernemen waarom hij, zoo dicht bij
de haven was omgekeerd.
Ook de strijdlustige kapitein was vóór de vervolging, en zoo gaf
Archibius dan eindelijk toe; de onzekerheid was voor hem ook het
ondragelijkste van alles. Dion was ook gedrukt. Hij kon het beeld van
Barine maar niet uit zijn herinnering verbannen; sedert Archibius hem
had medegedeeld, dat zij van plan was haar huis voortaan voor bezoekers
te sluiten, en hoe gewillig zij gehoor gegeven had aan zijn uitnoodiging
om bij hem buiten te komen, had hij zich telkens weder afgevraagd,
waarom hij dan ook niet haar, die toch de dochter van een beroemd
schilder was, tot de zijne zou maken.
Archibius had gezegd dat Barine haar beste vrienden en natuurlijk ook
hem, gaarne in haar landelijke afzondering bij zich ontvangen zou. Dat
betwijfelde Dion geen oogenblik, maar evenmin of zulk een bezoek hem
niet misschien voor goed van zijn vrijheid zou berooven. Maar kon
eigenlijk een Alexandrijn nog op echte vrijheid bogen, wanneer de
Romeinen het bewind voerden in zijn stad, evenals zij in Karthago
of Korinthe deden? Indien Cleopatra verslagen was en Aegypte een
Romeinsche provincie werd, dan kon het hem enkel vernederen deel te
nemen aan de besluiten van den Raad, die heden nog uit »Macedonische
mannen" bestond en waaraan hij zoo was gehecht; dan kon hij nooit meer
voldoening van zijn werk verwachten. Dan mocht de lans van een zeeroover
aan het onvrije leven onder een Romeinsch juk, en aan dit onwaardig
verlangen en weifelen een einde maken! Op dezen najaarsmorgen, onder
een grijzen hemel, waaruit een lichte, vochtige nevel neerdaalde,
met zooveel bange vrees en twijfel in het hart, zag Dion van alle
tegenwoordige en toekomstige dingen enkel de schaduwzijde. Maar op dit
oogenblik had de Epicurus den vluchteling ingehaald en zich van hem
meester gemaakt. De eerste zwakke tegenstand was spoedig opgegeven,
zoodra de kapitein van Archibius hem toegeroepen had, dat de Epicurus
niet behoorde tot de koninklijke vloot, en alleen op kondschap uitgegaan
was.
Nu haalden de Ciliciërs de riemen in, Archibius en Dion gingen op hun
schip over, en namen den bevelhebber in het verhoor. Het was een oude
verweerde zeeman, die het zwijgen niet eerder verbrak, dan nadat hij
zeker wist wat zijn vervolgers verlangden.
Hij begon met de verzekering dat hij aan de Peloponnesische kust getuige
was geweest van een groote overwinning der Aegyptische vloot op die van
Octavianus, maar door de strikvragen der vrienden raakte hij in zijn
eigen woorden verward, en beweerde dat hij in het geheel niets wist. Hij
had dat maar gezegd om den Alexandrijnschen heeren welgevallig te zijn.
Dion doorzocht daarop met eenige lieden van den Epicurus het schip, en
in de kleine kajuit vond hij een man, die sterk geboeid was, en door een
der zeeroovers werd bewaakt. Het was een matroos uit Pontus, die alleen
de taal van zijn eigen land sprak. Men kon dus niets verstaanbaars uit
hem krijgen. Daarentegen stonden er belangrijke aanwijzingen in een
briefrol, die zij in de kajuit in een kist vonden, onder kleederen,
sieraden en andere geroofde voorwerpen.
Dion kon zijn oogen niet gelooven, toen deze brief bleek gericht te zijn
aan zijn vriend, den bouwmeester Gorgias. Daar de zeeroover het schrift
niet lezen kon, had hij hem niet geopend, doch Dion verbrak zonder
aarzelen het zegel. De brief was geschreven door den Griekschen rhetor
Aristokrates, die met Antonius in den oorlog was gegaan, uit Tænarum in
het Zuiden van den Peloponnesus. Uit naam van zijn veldheer verzocht
hij Gorgias daarin, het kleine paleis op het uiteinde van den Choma
ten spoedigste in gereedheid te brengen, en aan de havenzijde door een
hoogen muur af te sluiten. Een deur daarin was niet noodig. Alle verkeer
met het huis kon over het water plaats hebben. Hij moest maar zorgen
dat het werk spoedig gereed was.
De beide vrienden zagen elkander, bij het lezen van deze opdracht, vol
verbazing aan. Wat kon de aanleiding zijn tot dit vreemdsoortig bevel?
Hoe kwam het in bezit van den zeeroover? Dit alles moesten zij zien uit
te vorschen.
Wanneer Archibius, wiens zachtaardige, vertrouwen-wekkende
persoonlijkheid de menschen altijd spoedig voor zich innam, een enkel
maal in hartstochtelijke drift losbarstte, dan miste deze plotselinge
omkeering nooit zijne uitwerking, omdat zijne hooge, trotsche gestalte
en harde trekken er dan werkelijk onheilspellend uitzagen. Ook nu zag
de kapitein vol ontzag tot hem op, toen de Alexandrijn hem dreigde
alle genade die hij beloofd had, weer in te zullen trekken, indien
hij hem ook maar het geringste verzweeg, wat samenhing met dezen
brief. De zeeroover bemerkte spoedig genoeg dat het vergeefs zou zijn
leugenachtige verklaringen af te leggen; de gevangene uit Pontus sprak
wel is waar geen Grieksch, maar hij verstond deze taal toch goed, en
alles wat de andere zeide, bevestigde hij met levendige gebaren, of
anders gaf hij op dezelfde wijze te kennen, dat het onwaar was.
Zoo kwam dus alles aan het licht. De bark van den zeeroover had met een
veel grooter schip in de nabijheid van Kreta op een prooi geloerd. Nog
hadden zij van de tegenover elkander liggende vloten niets gezien of
gehoord, toen een sierlijke snelzeiler »de vlugste en schoonste die
ooit de zee had bevaren," misschien wel »de Zwaluw" een scheepje van
Antonius, dat hem als bode dienst deed, in het vizier was gekomen. Zij
hadden het gemakkelijk prijsgemaakt. De beide schepen hadden den buit
gedeeld, maar het leeuwenaandeel van menschen en goederen had het groote
schip gekregen.
De zeeroover had een aanzienlijk man, misschien Antonius' gezant, die
toen zwaar gewond en sedert gestorven en in de zee geworpen was, een
tasch met brieven en eenig geld afgenomen. De eerste had hij gebruikt om
het vuur mee aan te houden; doch die aan den bouwmeester was toevallig
overgebleven.
De gevangen matrozen hadden verklaard dat de vloot van Octavianus die
van Cleopatra verslagen had, dat de Koningin was gevlucht, doch dat de
landmacht nog onaangetast was, en de overwinning daardoor ten slotte
nog aan de zijde van Antonius kon blijken te zijn. Maar de zeeroover
wist niet waar het leger stond--misschien bij Tænarum, vanwaar het
buitgemaakte schip gekomen was. Het was vreeselijk jammer, maar zijn
eigen manschappen hadden het in brand gestoken, en het was vóór zijn
oogen gezonken.
Deze berichten hadden allen schijn van waarheid; maar de kust van
Akarnië, waar dan de slag geleverd moest zijn, lag zoo ver van de
Zuidpunt van den Peloponnesus af, dat de brief van Antonius wel
gedurende zijn vlucht moest geschreven zijn. Alleen dit scheen zeker
te zijn: de vloot was op den tweeden of derden September verslagen en
uiteen gedreven.
Waar zou de Koningin nu zijn? Waar waren de groote, prachtige schepen
gebleven, die haar in den strijd hadden gevoerd? Zelfs tegenwind had
ze niet zóó lang kunnen ophouden, want zij waren immers voldoende met
roeiers bemand. Zou Octavianus ze bemeesterd hebben? Waren zij verbrand
of gezonken? Maar hoe zou Antonius dan naar Tænarum zijn gekomen?
Op dit alles kon de zeeroover geen antwoord geven. Waarom zou hij het
verzwegen hebben, als hij iets wist?
Archibius liet eindelijk het geroofde goed uit het schip van Antonius,
benevens den bevrijden matroos, op den Epicurus overbrengen, maar de
zeeroover moest hem zweren nooit meer het water tusschen Kreta en
Alexandrië onveilig te maken. Daarna liet hij hem ongehinderd zijn koers
vervolgen.
Met dit geheele avontuur waren ettelijke uren verstreken, en nu ging de
terugvaart, tegen den wind op, langzaam, want de Epicurus was, zoolang
de vervolging duurde, door den sterken wind een goed eind de volle zee
ingestuwd. Toen zij nu nog maar enkele mijlen van de haven van Pharus
verwijderd waren, bleek het intusschen dat de stuurman uit Rhodus goed
had voorspeld; het weder veranderde ongewoon snel, en de wind kwam
nu uit het Noorden. De zee wemelde van schepen, die voor een deel
behoorden tot de koninklijke vloot, voor een ander deel bezet waren met
nieuwsgierige Alexandrijnen, uitgezeild om het groote nieuws zoo spoedig
mogelijk te vernemen.
Archibius en Dion hadden den nacht, en ook den volgenden morgen en
middag slapeloos doorgebracht. De lucht, nu vochtig geworden door den
fijnen motregen, was koel. Zij versterkten zich eerst aan een hartig
maal, en liepen daarna samen op het dek op en neder. Zij spraken slechts
weinig, en trokken hunne mantels dichter om zich heen. De krachtige
wijn, die ook op den Epicurus niet ontbrak, had hen reeds eenigermate
goed gedaan, maar toch waren zij nog niet warm geworden. Dat had zelfs
een helder houtvuur in de kajuit ook niet gedaan kunnen krijgen. De
gedachten van Archibius waren bij zijne geliefde Koningin, en zijn
levendige verbeeldingskracht toonde hem alles, wat haar overkomen kon
zijn. Geen enkele mogelijkheid, ook de vreeselijkste niet, werd hierbij
vergeten, en het bloed verstijfde in zijne aderen, als hij haar met het
schip zag zinken, en naar hem, haar ouden vriend, smeekend de schoone
armen uitstrekken. Of, wat nog erger was, hij zag haar als gevangene
vóór den vijandigen, hardvochtigen Octavianus. Eindelijk kon hij het
niet meer uithouden. Hij liet zijne vilten mantel los, drukte zijn
gebalde vuist tegen de slapen, en steunde luid. Hij had met het oog
zijns geestes gezien hoe zij bij den triomftocht van den overwinnaar,
voor zijn zegekar uitging met gouden kettingen om de teere polsen, en
bij dat schouwspel had hij het Romeinsche gepeupel hooren losbarsten in
jubelkreten!
Dat zou het ergste van alles zijn! Zich zóó iets in te denken ging de
kracht van den trouwen man te boven, en Dion zag geroerd naar hem om,
toen hij hem hoorde snikken, en de tranen zag, die langs zijn wangen
stroomden.
Ook hem was het bang om het hart, maar hij kende de gehechtheid van zijn
ouderen vriend aan de Koningin, en daarom legde hij zijn arm om diens
schouder, en bad hem ernstig de kalmte van geest te bewaren die hij zoo
vaak in hem bewonderd had. In de moeilijkste toestanden had hij in zijn
oog altijd zoo ver boven alle anderen gestaan, als de wachter op den
vuurtoren boven de wild bewogen zee. Wanneer hij bedaard als altijd
al het gebeurde met hem overdacht, dan zou hij moeten toegeven, dat
Antonius toch zeker vrij moest zijn en nog in staat om over zijne
toekomst te beschikken, daar hij immers het paleis op den Choma voor
zich in orde liet brengen. Wel begreep hij niet, wat die muur moest
beduiden, maar misschien kwam er wel een hooggeplaatst gevangene met hem
mede, die niet vrij in en uit de stad mocht gaan. Het kon immers wel
zijn, dat alles veel minder erg was dan zij nu dachten, en dat zij nog
eens zouden lachen om deze bange vrees. Toch maakte hijzelf zich ook
ongerust, want hij gunde de Koningin het allerbeste, vooreerst om haar
zelfs wil, maar ook omdat met haar en haar gelukkigen strijd tegen Rome,
de vrijheid van Alexandrië stond of viel.
»Die," zeide hij, »is voor mij tot nog toe het liefste en hoogste. Voor
u is dat de beheerscheres van dit land. Mijn wereld zou verduisterd
zijn, en mijn leven niet meer de moeite van het leven waard, wanneer de
ijzeren voet van Rome onze zelfstandigheid en vrijheid vertreedt."
Dit alles klonk warm en trouw, en Archibius had gretig naar hem
geluisterd. Zijn diepdenkende geest moest toegeven dat er nog niets
gebeurd was, waaruit men het ergste besluiten moest; en daar dikwijls
niets een bedroefde beter troost dan anderen te troosten, verlichtte
hij nu ook zijn eigen hart door zijn vriend voor te houden, dat, ook al
bleef Octavianus overwinnaar en Aegypte in zijne macht, hij toch aan de
vrije beschikking der Alexandrijnen over hunne eigen aangelegenheden
geen afbreuk zou durven doen. Vervolgens hoe hij, de jonge, vastberaden,
onafhankelijke man, zich dubbel nuttig kon maken, wanneer hij de
bedreigde vrijheid zijner vaderstad moest bewaken, en hoeveel schoons
het leven hem ook dan nog brengen kon.
De klank van zijn stem verried aan zijn jongen vriend zijn hartelijke
genegenheid. Nog nooit had iemand, sedert zijns vaders dood, zóó met hem
gesproken.
Nu zou de Epicurus weldra den havenmond bereiken, en zoodra zij aan land
kwamen, zouden de vrienden moeten scheiden. Voor beiden was dit het
beslissend uur geweest, dat ernstige geesten dikwijls vaster verbindt
dan voorheen een geheele reeks van jaren had gedaan. Zij hadden voor
elkander hunne harten geopend. Slechts één ding had Dion in zijn ziel
opgesloten gehouden en dit vervulde hem met nieuwe onrust, zoodra hij de
eerste huizen der stad in het oog kreeg. Hij was sinds lang niet meer
gewend anderen om raad te vragen. Velen, die den zijnen hadden gevraagd,
waren wel met veel dankbetuigingen heengegaan, maar zij hadden juist het
tegendeel gedaan van wat hij had geraden, ofschoon het wezenlijk tot hun
bestwil was geweest. Meer dan eens had hij zelf evenzoo gehandeld, maar
nu voelde hij zich onweerstaanbaar gedrongen om Archibius zijn volle
vertrouwen te schenken. Deze ook kende Barine, en wenschte hem zelf het
beste toe. Misschien zou het hem helpen indien hij iemand, die het zoo
goed met hem meende, eens deelgenoot maakte van wat zijn hart zoo
nadrukkelijk van hem vorderde, terwijl zijn nadenkende geest het hem
verbood.
Plotseling wendde hij zich nogmaals tot zijn vriend en zeide:
»Gij hebt u zoo even als een vader voor mij betoond. Stel u nu eens voor
dat ik werkelijk uw zoon ben, en als zoodanig u beken dat ik een vrouw
heb lief gekregen. En nu vraag ik u, of het u verheugen zou haar als uw
dochter te begroeten."
Archibius antwoordde met den uitroep: »Een lichtstraal in den donkeren
nacht! Haal maar zoo spoedig mogelijk in, wat gij al veel te lang hebt
verzuimd. Het is de plicht eens burgers in den echt te treden. De Griek
wordt pas werkelijk man, als hij echtgenoot en vader is. Dat ik zelf
ongehuwd gebleven ben, heeft zijn bijzondere reden, maar ik heb dikwijls
den armen schoenmaker benijd, dien ik op feestdagen met zijn kind op
den arm voor zijn werkplaats zag staan, of den stuurman, wien bij zijn
thuiskomst groote en kleine armen toegestoken worden. Als ik te huis
kom, is niemand blij, dan mijn honden. Maar gij, die een fraai paleis
bezit dat leeg staat, gij, van wien een trotsch geslacht verwachten mag
dat gij voor het voortbestaan er van zult zorgen...."
»Dat is het juist," zeide Dion, "wat mij in tweestrijd brengt, ofschoon
mij dat anders niet licht overkomt. Gij kent mij, en mijne positie. En
ook haar, die ik bedoel, kent gij reeds lang."
»Is het Iras?" vroeg Archibius aarzelend. Zijn zuster Charmion had hem
wel eens gesproken van de neiging van haar jonge mede-kamervrouw.
Maar Dion hielp hem onmiddellijk uit den droom en zeide:
»Het is Barine, de dochter van uw overleden vriend Leonax. Ik bemin
haar, maar ik ben trotsch en teergevoelig omtrent het oordeel over mijn
toekomstige gemalin. Ik zou den man die haar met schuinsche blikken
durfde aanzien, eenvoudig verachten, want ik ken hare waarde. Gij
herinnert u zeker mijne moeder. Die was anders dan zij. Haar huis, haar
kind, haar slaven en haar weefstoel waren haar wereld, en zij eischte
ook van andere vrouwen dezelfde strenge teruggetrokkenheid, die zij
bezat. Toch had zij een teeder hart, en beminde mij, haar eenigen zoon,
boven alles. Zij zou Barine met open armen bij zich ontvangen hebben,
zoodra zij bemerkt had dat ik haar noodig had voor mijn geluk. Maar zou
het voor de jonge vrouw, die aan een opwekkenden omgang met ontwikkelde
mannen gewend is, mogelijk zijn zich in dien eisch te schikken? Als
ik moest denken, dat de gewoonte om omringd en gevleid te worden,
haar zou bijblijven ook in haar huwelijk; als ik mij voorstel, dat de
onvoorzichtigheid der aan vrijheid gewende vrouw de tongen in beweging
kon brengen en een smet werpen op de reinheid van mijn naam, als ik
zelfs"--en hij hief zijn gebalde vuist reeds op.
Doch Archibius viel hem in de rede:
»Wanneer Barine u warm en blijde haar geheele hart schenkt, dan is deze
vrees onnoodig. Het is een zonnig, echt beminnenswaardig vrouwenhart,
en daardoor vatbaar voor een groote liefde. Schenkt zij u die, zooals
ik vast van haar vertrouw, breng dan een dankoffer aan de goden, want
die bedoelden uw geluk, toen zij uwe keus vestigden op haar, en niet
op Iras, het kind mijner zuster. Waart gij mijn zoon, dan zou ik nu
uitroepen: Gij kondt mij geen liever dochter brengen, wanneer gij--dat
herhaal ik--slechts zeker zijt van hare liefde."
Dion zag een oogenblik vóór zich; toen riep hij vol overtuiging uit:
»Dat ben ik!"